Vier betekenissen

Mijn vingers hebben deze dagen vier betekenissen.

1. Ze zijn verzamelaars van bacillen die aan knopjes van stoplichten, trapleuningen en winkelmandjes kle-ven, in staat om die in mijn gezicht uit te smeren als ik nonchalant langs mijn neus strijk, in mijn oog wrijf, aan mijn bovenlip pulk. Vingers zijn in tijden van corona, kortom, gevaarlijke ziekteverspreiders, zoals ratten dat waren in tijden van de pest. Vooral de vingers van anderen zijn verdacht, maar naarmate je langer zonder handenwassen buitenshuis vertoeft ook die van jezelf.

2. In het bos, waar de recent begonnen lente het beste zichtbaar is, mogen de diep in mijn zakken begraven vingers eventjes tevoorschijn komen, als blaadjes die naarbuiten breken uit hun knop. Met mijn vingers reik ik naar die knopjes, vingers die ineens gulzige verlengstukken van mijn ogen zijn, bevrijd van de re-stricties van de hygiëne, want die maagdelijke, zich als harmonica’s uitvouwende pasgeboren blaadjes, felgroen en vettig van het levenssap, heeft vast nog niemand met corona aangeraakt.

3. Op de huid van mijn geliefde, die ik nu al een jaar als ‘mijn nieuwe geliefde’ bestempel, want de lente van onze liefde gaat maar niet voorbij, zijn mijn vingers wéér anders: geen verlengstuk van mijn ogen, maar een verlengstuk van mijn hart, alle tederheid die ik in me heb uitstralend naar en inknedend in dat harige, dier-bare oppervlak. Ineens lijken vage, esoterische theorieën over ‘energiebanen’ en ‘liefdesstraling’ heel con-creet.

4. De saaiste betekenis van mijn vingers is tevens de nuttigste, namelijk mijn vingers als degenen die de kraan opendraaien en zich in een washand wurmen om me ’s morgens op te frissen, degenen die mijn haar inzepen, mijn broodje met dunne plakjes banaan beleggen en havermoutvlokken door de melk heen roeren, degenen die mijn computer aanzetten en even later ratelend over het toetsenbord dansen, mijn gedachten vertalend naar letters op het stralend witte scherm. Mijn vingers die stiekem tussendoor steeds eventjes over het gladde, vettige glas van mijn Smartphone strelen, maar zonder dat het iets sensueels heeft, zelfs niet als ik met mijn nieuwe geliefde chat. Het grootste deel van de dag zijn mijn vingers elegante, trouwe dienaressen die zich nuttig maken en non-stop in actie zijn, al blijven ze zelf volstrekt onopgemerkt.

Lente in Leuven

Geen lente is meer hetzelfde sinds de lente die ik beleefde in Leuven. Meerdere keren per week maakte ik daar met een Nederlandse medestudent een lange wandeling door de bossen van Heverlee of de tuinen van Abdij van Park. De bomen bloesemden enkele weken vroeger dan in Nederland, en tussen hem en mij begon er een even lenteachtige, maar onuitgesproken sensualiteit te broeien. Omdat we juist een vak over de belangrijkste mystieke schrijvers uit de katholieke traditie volgden aan de universiteit, waren we geneigd het ontluikende landschap als een godsbewijs te zien, en de zich geleidelijk ontvouwende trosjes beuken-blaadjes met zachtbehaarde randjes als een wonder, die we eindeloos streelden met onze tedere vingertop-pen. De gouden gloed van de avondzon, de mannelijke kracht van gespierde, eeuwenoude beukenstammen, het gemekker van een pasgeboren geitje – alles bracht ons in vervoering. En als een soort Adam en Eva hadden we genoeg aan wat er was, aan een trosje druiven en een zelfgemaakte salade in een plastic bakje, aan een bankje en een boek waaruit we elkaar de meest lyrische passages voorlazen, onderbroken door gegiechel om een lieveheersbeestje dat te midden van de letters landde, en zich kriebelend een weggetje baande over onze uitgestoken vingers, tussen de blonde haartjes op onze nog witte winterarmen. Kortom, we leefden de eenvoud van een leven met open zintuigen, weer net zo wijdopen als die van jonge kinderen, die voor het eerst een rups zien, een wurm, een regenboog, en alles is niets minder dan magie.

Maar geen enkele idylle is eeuwigdurend, ook deze niet: de bloesems werden bruin en vielen af; onze sensualiteit begon méér te eisen dan alleen ruik- en streelsessies van blaadjes en bloempjes, wat onze ongecompliceerde vriendschap helaas in een troebeler vaarwater bracht. En dat alles werd aangekondigd door een dode merel die ik vlak voor de komst van de zomer in de berm aantrof, donkerbruin en nog warm, alsof ze zojuist pas was gestorven. Dat afkoelende stijve lijfje in mijn hand, die gesloten oogjes, die ik met mijn vinger even open duwde, die weerloze geklauwde voetjes en dat slappe, bungelende nekje fascineerden me bijzonder, alsof ik nú pas, sinds mijn bewuste ontdekking van de geboortelijkheid van de natuur, kon begrijpen wat doodgaan was: stilvallen, stijf worden en afkoelen, een even natuurlijk en fysisch proces als het begin. Ik voelde de neiging een eerbiedig gebedje uit te spreken voor mijn merel, geen idee of ik dat ook daadwerkelijk deed, en legde haar tussen de wortels van een beuk die even groot en sterk was en onsterfe-lijk leek als mijn merel klein was, kwetsbaar en gestorven. Tijdens alle volgende wandelingen was die doodsboom een imposante memento mori, hoewel de dode merel een dag later al verdwenen was.

Ieder volgend voorjaar probeerde ik hunkerend terug te keren naar de betovering van toen, en opnieuw ontroerd te raken door de aanblik van trosjes glanzende, pasgeboren beukenblaadjes met harige randjes, pronkende bloesems, wankelende lammetjes. Gisteren bijvoorbeeld, toen ik zo’n bladertrosje plukte en de nog half dichtgevouwen, doorschijnende blaadjes als een soort accordeon of waaier begon uit te vouwen, voorzichtig, om de sappige velletjes niet te scheuren. ‘Kijk dan toch, kijk dan toch!’ riep ik op kinderlijke toon tegen mijn nieuwe lief, in de hoop ook hem in een kinderlijke stemming te brengen, die waarin rode besjes en paardenbloemen ineens oneindig fascinerend zijn. Maar hij grinnikte slechts, zodat het pijnlijk tot me doordrong hoe geveinsd en onecht mijn kinderlijkheid eigenlijk was; dat ik niet écht door de blaadjes was geraakt, tenminste, niet zoals in Leuven, maar dat ik het vooral graag wilde: zijn zoals een kind, zoals toen, op ons bankje met druiventrosjes, lieveheersbeestjes en naïeve idealen.

Om de lente écht te beleven moet je zelf de lente zijn, maar dat word je nu eenmaal niet op eigen kracht.

Fulltime werken

Mijn bovenbuurvrouw is een Poolse die al haar wakkere uren aan werken besteedt. Slapen doet ze slechts enkele uren per etmaal, tussen haar afzonderlijke baantjes in: soms van negen uur ’s avonds tot twee uur ’s nachts, soms van middernacht tot vijf uur ’s ochtends. Hoewel ik me erger aan het dichtslaan van deuren op zulke oncourante tijdstippen, bewonder ik haar mateloos. Wat houdt een vrouw op de been die werken met slapen en slapen met werken afwisselt, zodat haar leven niets anders dan overleven is?

Ik weet dat het in vroegere eeuwen voor het merendeel van de mensheid zo was, en dat ook nu in de meeste niet-westerse landen fulltime werken echt full time betekent. Gelegenheid hebben om te lezen, uit te slapen, vrienden te zien of een avondje uit te gaan, dat is helemaal niet vanzelfsprekend. Toch zou ikzelf onmogelijk zonder kunnen, en mijmer ik – als ik ’s nachts wakker lig door gestommel en dichtslaande deuren – over het raadsel: waar haalt iemand de motivatie vandaan om alleen te eten en te slapen om te kunnen werken, en álles, lichaam en geest, in dienst te stellen van oninteressante baantjes, als schoonmaakster of als extra paar handen aan een lopende band?

Mijn bovenbuurvrouw moet meer van haar blonde dochter en haar technisch aangelegde kleinzoon houden dan van zichzelf. Voor hén faciliteert ze een fatsoenlijk leven en een goede opleiding in thuisland Polen, terwijl zijzelf hen alleen rond de feestdagen eventjes bezoekt.

We are no criminals!

———-——— Flarden uit de gevangenis —————-—

De twee Indiase jongens mogen elke week op een vast moment contact opnemen met hun vader en moeder. Ik zeg hen dat ‘my parents would freak out’ als ze zouden weten dat ik voor onbepaalde tijd in een of ander buitenland in de gevangenis zou zitten. De jongens knikken en staren somber voor zich uit. De jongste is eenentwintig.

‘We are no criminals!’ schreeuwt een Nigeriaanse man met een felle blik in zijn ogen. ‘No criminals! We are no criminals!’ Hij herhaalt het gedurende de hele avond wel honderd keer, als een mantra.

Een zwarte jongen met een verfijnd gezicht staart voor zich uit, alsof hij niet helemaal aanwezig is, en glimlacht dan. Tijdens het praten schakelt hij met gemak van vloeiend Engels op vloeiend Frans op vloeiend Nederlands over. Hij spreekt ook Portugees, beweert hij. ‘Jij bent een geleerde jongen!’ roep ik bewonderend uit. Gek genoeg blijkt hij niet te kunnen schrijven of lezen.

Een groepje Iraanse jongemannen reageert enthousiast als ik de grootste moderne schrijver uit hun land, Sadegh Hedayat, blijk te kennen. Ze hebben zijn beroemdste boek, De blinde uil, gelezen in een clandes- tiene uitgave die aan de universiteit van Teheran circuleerde. Op het bezit van het boek staat onder het huidige islamitische regime in Iran een strenge straf.

Hoewel de mannen alle vijf beweren tot het christendom te zijn bekeerd en daarom gevaar te lopen, lijken ze in mijn ogen meer op vrijgevochten avonturiers dan op vrome aanhangers van welk geloof dan ook. Als religieuze bekeerling maak je bij een asielaanvraag nu eenmaal meer kans dan als hoogopgeleide, seculiere jongeman die ervan droomt in een vrij land te leven.

‘Voor een gevangenis ligt de levensstandaard hier best hoog’, zegt een bedachtzame man van achterin de dertig, die erop doelt dat hij voldoende te eten krijgt, een schone cel met eigen toilet bewoont en zo nu en dan zijn advocaat en een medewerker van Vluchtelingenwerk te spreken krijgt. ‘Maar wij horen niet in de gevangenis. Dat wij hier zitten is een probleem van jullie land. Een groot probleem.’ Hij fronst de hele tijd. ‘Jullie doden ons zachtjes, jullie doden ons met veren.’