Religie en genot

Toen ik als streng atheïstisch opgevoed meisje het christendom ontdekte, vond ik sommige aspecten daarvan een verademing. De wereld is een schepping van God, zegt die religie, dus vier de schoonheid ervan! De wereld is een tranendal, wordt er tegelijk gezegd, want zolang je leeft, ben je afgescheiden van God en moet je zwoegen om je staande te houden te midden van zwoegende, niet zelden elkaar tegenstre-vende anderen. Kortom: het leven is fantastisch en het leven is afschuwelijk tegelijk. De christelijke traditie kent evenzovele lofzangen als klaagzangen – voor iedere stemming wat wils. Daarmee biedt het tegenwicht aan de druk die velen vandaag de dag voelen om altijd gelukkig te zijn. Ontslagen te worden van die eis kan erg prettig en ontspannen zijn, en eerlijk.

Maar hé, met al die ruimte voor het lijden komt binnen het christendom – zoals bij de meeste religies – het genot in de verdrukking, vooral binnen de strenge varianten ervan. Je mag genieten van de schoonheid van de wereld, zegt kerkvader Augustinus, maar alleen als je daarbij tegelijkertijd beseft dat die schoonheid afkomstig is van God. Een genotservaring waarin God geen rol speelt of naar de achtergrond verdwijnt, leidt af van het allerhoogste en maakt dat je je gaat hechten aan iets aards, iets wankels en sterfelijks dus. Beter is het om onophoudelijk op de eeuwigheid geconcentreerd te blijven en voortdurend te beseffen dat het aardse iets voorbijgaands is, iets relatiefs. Omdat zintuiglijke genoegens minder ruimte voor Gods luister laten dan intellectuele, kun je beter van poëzie of filosofie genieten dan van seks, lekker eten of mooie muziek, genoegens die zo direct zijn dat er buiten de zintuiglijke sensatie zelf weinig anders bestaat.

En daarin verkies ik dan toch ons hedendaagse hedonisme boven het christelijke perspectief. Natuurlijk, genot moet niet ontaarden in verslavingen of excessief, milieuvervuilend consumptiegedrag. Het genot van de één mag niet ten koste gaan van de waardigheid van de ander, het welzijn van dieren of de balans in de natuur. Maar an sich is genot een herinnering aan de schoonheid van het leven, en het kortwieken ervan zou even vernietigend en kortzichtig zijn als het onderdrukken van verdriet.

Innerlijk vuur

Het vuur van andere mensen kan overweldigend zijn. Ik herinner me een ontmoeting in de bibliotheek van Utrecht, waar ik rond mijn twintigste bijna dagelijks zat te studeren en vaak nieuwe mensen leerde kennen. Dit keer was het een jongen die een paar jaar ouder was dan ik, geen studie had afgerond en vastbesloten was om als een bohemien door het leven te gaan, vol kritiek op de burgermaatschappij, geldzucht, vaste banen en monogamie. ‘Het leven is een ontdekkingsreis’, verkondigde hij, wat ik beaamde. Maar toen ik suggereerde dat er meerdere onderzoeksmethoden zijn, en dat nieuwsgierigheid en het verlangen naar een zekere stabiliteit in het leven elkaar misschien niet hoeven uit te sluiten, had ik het helemaal mis, zo meen-de hij, want stabiliteit corrumpeert en stompt af. Nog een halfuur ratelde hij tegen me aan over zijn plan-nen om de wereld rond te reizen en over zijn tijdelijke vriendinnetjes. ‘Vrijheid is het allerhoogste!’

De jongen stond me al snel verschrikkelijk tegen, omdat hij nauwelijks luisterde naar mij. Toch was ik on-der de indruk van zijn haast manische energie en zijn naïviteit tegen de klippen op. Onze ontmoeting vond bijna tien jaar geleden plaats; ik ben benieuwd wat er inmiddels van hem is geworden, en hoeveel vuur hij heeft weten te behouden. Ja, innerlijk vuur, soms grenzend aan het manische, heb ik altijd aantrekkelijk gevonden in mensen, misschien omdat ik me zelf zo gemakkelijk op laat jutten door heftige, ‘brandende’ types, een soort toortsen die het vlammetje door kunnen geven aan anderen – mits ze die ander natuurlijk een zekere ruimte laten, en hem niet met hun manische over-aanwezigheid verpletteren, zoals de jongen in de bibliotheek deed met mij.

Als student was ik heel vaak verliefd – op mannen, maar ook weleens op een auteur (Heidegger, Dostojev-ski), componist (Bach) of kunstenaar (Rembrandt, Bellini). Het maakte niet eens zoveel uit waarop, maar mijn verliefdheid was een vlam die me permanent een lichte opwinding bezorgde, een onrust die alleen te bevredigen viel door me langdurig aan de man, auteur of kunstenaar in kwestie te laven, via romantische nachten, obsessieve, kluizenaarachtige studieperiodes of museumbezoek in het buitenland – dat móest, ik móest die drift bevredigen, die innerlijke gulzigheid. Vaak kon ik er niet van slapen, maar dat vond ik niet zo erg, want verteerd worden door verliefdheidsvuur is een verrukkelijk gevoel.

Nu ik een geregelder, ja, stabieler leven leid, is het vlammetje zwakker geworden – daarin had de jongen uit de bibliotheek gelijk. Voor innerlijk vuur is een zekere roekeloosheid vereist, de bereidheid om los te laten wat je hebt bereikt. En dat gaat steeds lastiger naarmate je meer hebt opgebouwd en beter beseft hoe kwets-baar je als mensje eigenlijk bent, hoe schrijnend geldtekort en eenzaamheid zijn, en hoeveel een prettige woonplek, leuk werk en een trouwe geliefde je waard zijn. Helaas wordt het innerlijk vuur er zwakker van, de manie, de waan dat alles mogelijk is, als je maar bereid bent het roer radicaal om te gooien. Dat ik daar-toe niet zomaar meer bereid ben, gaat ten koste van de woeste, onstuimige fantasieën die mijn hart als jong meisje sneller deden kloppen.

Gelukkig kom ik ze nog steeds weleens tegen, brandende mensen, zoals mijn artistieke tante uit Amsterdam, die me laatst vertelde over haar verlangen naar meer contact met gelijkgestemden, een hevige behoefte die haar ogen deed opvlammen en haar stem iets heel indringends gaf. We haalden herinneringen op aan vroegere ontmoetingen, aan wilde dansavonden, aan de gloed die je bij zulke gelegenheden door je heen voelt gaan, momenten van vrije expressie, nieuwe input, innige interactie met de werkelijkheid. Al pratend laaide het vuur in ons allebei op, en ik vond het heerlijk om te ervaren dat ik niet de enige was met zulk verlangen naar verliefdheid, met zo’n smeulend vlammetje dat erop wacht te worden aangeblazen.

Ook bij schrijfster Esther Gerritsen zag ik het innerlijk vuur gloeien op een heel aanstekelijke manier, namelijk toen ze in het interviewprogramma Adieu God aan Tijs van den Brink vertelde over de religieuze gevoelens die haar – ondanks zichzelf – in de ban begonnen te krijgen. Ik geloof dat het glas rode wijn in haar hand Gerritsen hielp om de camera’s – de glurende ogen van de Nederlandse bevolking – te vergeten, zodat ze vrijuit durfde te spreken, een woordenvloed zo onstuimig, zoekend en ongestileerd als je maar zel-den op televisie tegenkomt. Ik laafde me aan haar hulpeloze zoektocht, een gebeuren dat zich spontaan aan haar voltrok en waarvan ze – eerlijk, onbehouwen – getuigenis aflegde, niet-wetend waarin het uit zou gaan monden. In een bekering naar een traditionele vorm van godsgeloof? Of was dit slechts een tijdelijke fase die, op een onbewust niveau, verband hield met het nieuwste boek dat ze aan het schrijven was, waarin een religieus personage voorkwam? Deed ze, kortom, aan artistieke research? Gerritsen had geen flauw idee, maar liet de gelovige gevoelens over zich komen, zonder zich ergens aan vast te klampen – aan een dogma, voornemen of voorspelling – of zich ergens tegen te verzetten. Ook dat is roekeloosheid.

Nederig koekje

Ik wist wel dat ik als ongedoopte niet ter communie mocht gaan, maar tijdens het vijftigjarige huwelijks-jubileum van mijn rooms-katholieke grootouders deed ik het toch. Dat was spannend: zou ik het koekje wel op de juiste manier uit de hand van de priester aanpakken, zou ik niet de aandacht op mezelf vestigen door mijn onbeholpenheid? Ik herinner me dat het lichaam van Christus dezelfde textuur had als het eetpapier dat ik van kinderfeestjes kende, van die papierachtige velletjes die aan je gehemelte bleven kleven, maar die – in tegenstelling tot dit neutrale witte vliesje – een felroze kleur hadden en naar aardbeien smaakten.

Toen ik later, vanwege de sfeer en de muziek, weleens in een katholieke kerk kwam, leek mijn ongedoopte staat me eigenlijk vrij onbelangrijk, en voelde ik me vrij om aan te sluiten in de rij van communiegangers die zo’n smaakloos stukje eetpapier haalden; dat hoorde er nu eenmaal bij, en wars van rituelen was ik niet, hoewel ik ook niet helemaal begreep wat hiervan nu de diepere bedoeling was. Na afloop knielden sommige kerkgangers innig met hun knieën op de houten voetensteun en verborgen hun gezicht in hun handen, alsof ze smeekten of weenden. Dat beeld maakte meer indruk op me dan het ronde stukje ‘brood’ in mijn mond, dat op zichzelf geen enkele voedingswaarde had, nog minder dan een komkommer of matze, maar dat wel mijn speekselproductie en maagactiviteit op gang bracht en me steevast een gevoel van honger bezorgde.

Toen de priester op een dag aan me vroeg of ik nieuw was in zijn kerkgemeenschap, en ik stamelde dat ik nog niet was gedoopt, verstrakte zijn gezicht en realiseerde ik me meteen dat ik heiligschennis had gepleegd door iedere week een heilig koekje uit zijn hand te ontvangen. De man herstelde zich gelukkig snel en mom-pelde zoiets als: ‘Nouja, blijkbaar wist je niet beter.’ Waarop hij me uitnodigde voor de wekelijkse catechese, waar ik tot ware katholiek zou worden opgeleid. Uit nieuwsgierigheid stemde ik in, en sindsdien liep ik – wanneer het communieritueel begon – met mijn armen gekruist voor mijn borst naar voren, zodat ik niet langer een koekje ontving maar alleen een zegenend gebaar. Langzaamaan begon ik een echte insider in de rooms-katholieke kerk te worden, maar tijdens dit ritueel veranderde ik juist in een buitenstaander, wat ik in eerste instantie kwetsend en zelfs een beetje vernederend vond.

Toch werd de zin van mijn onthouding me gaandeweg steeds duidelijker. Zoals jonge mensen weleens wordt aangeraden om niet meteen met hun nieuwe geliefde het bed in te duiken, zo is ook het uitstellen van de heilige communie een goede manier om de spanning en het verlangen op te bouwen. Ja, al snel vergat ik hoe neutraal en smaakloos het koekje was geweest, hoe calorieloos en banaal, en begon de aanblik van al die knielende medekerkgangers de overhand te krijgen; hun ernst deed mijn eerbied voor de communie stijgen, mijn gevoeligheid voor het mystieke karakter ervan.

En toen ik dan eindelijk zelf was gedoopt, tijdens de paasnacht in de Utrechtse kathedraal, was de hostie zozeer zwanger van betekenis dat ik, eenmaal terug in de banken, mijn handen voor mijn gezicht moest slaan om mijn tranen van ontroering voor mijn geloofsgenoten te verbergen, precies zoals ik hen altijd had zien doen. Blijkbaar was ik voldoende ingewijd in het gedicht van het katholieke geloof, ontvankelijk voor de poëtische gedachte dat het allergrootste in het allerkleinste aanwezig kan zijn: het allerheiligste in een weeïg, inmiddels met speeksel vermengd, smaakloos koekje. ‘Het kleine telt, ik buig voor het kleine: voor het kleine koekje waarvan ik heb geleerd dat het God zelf is, voor het mislukte en kwetsbare in mijzelf, dat misschien niet zo lelijk is als ik altijd vreesde, en voor de kleinheid in anderen, voor de kwetsbaarheid van de wereld. Ik buig voor alles wat bescherming nodig heeft, en beloof dat ik oprecht zal zijn, niet groter dan ik ben, zoals ik anderen zal uitnodigen oprecht te zijn en niet in grootheidswanen te vluchten.’ Kortom, de communie betekende voor mij een lesje in nederigheid, een soort psychoanalytische verzoening met het duistere onderbewuste en een ontsnapping aan het strenge superego.

Maar heb je daar de kerk voor nodig, en dat ritueel met het heilige, smaakloze koekje? Ik weet het niet, al geloof ik wel dat wierook, plechtige gezangen en weelderige gewaden onder een hemel van eeuwenoude gewelven kunnen helpen om je antènnes voor ‘het heilige’ te versterken, een heiligheid die – dat is waar – juist buiten de kerk overal vindbaar is, in de meest banale aspecten van het dagelijks leven.

Voordat je geboren was

‘Als je doodgaat, is het weer net als voordat je geboren was.’ Dat schijnt mijn allereerste filosofische inzicht te zijn geweest, ontstaan naar aanleiding van de dood van een huisdier. ‘Waarom is alles zoals het is?’ vroeg mijn zus een keer vanaf het achterzitje op mijn moeders fiets. Misschien zijn de grootste filosofische vragen wel kinderlijke vragen, afkomstig van mensen die nog niet zo aan het leven gewend zijn geraakt.

Meister Eckhart was een onorthodoxe middeleeuwer die zijn tijdgenoten aanmoedigde om, via meditatie-oefeningen, terug te keren naar hun ‘voorgeboortelijke’ staat. Daartoe moest je jezelf eerst leeg maken van alle verlangens en ideeën die zich in de loop van je leven in je hadden opgehoopt, zelfs van ideeën over God: ‘Daarom bid ik God dat Hij me leeg maakt van God, want mijn wezenlijke zijn is boven God, voor zover wij God op het niveau van de schepselen begrijpen.’ Eckhart geloofde dat er in iedere mens iets ‘ongeborens’ bestaat, een gelukzalige verbondenheid met de oorsprong en grond van alle dingen. ‘In mijn eerste oorzaak wilde ik wat ik was en was ik wat ik wilde.’ Pas achteraf hebben we die oorsprong een eigennaam gegeven, ‘God’. Dat is misleidend, want God is geen object of persoon, maar een zeldzaam moment van tijdloosheid dat een mens – ook als volwassene – tijdens zijn leven kan smaken.

Kloosterlingen

Met een zekere regelmaat dringt de gedachte aan het kloosterleven zich aan me op, als een aantrekkelijk – maar toch ook onbereikbaar – ideaal. De laatste keer was tijdens het beluisteren van een indrukwekkende opera van Francis Poulenc, Dialogues des Carmélites. Het verhaal gaat over zestien vrouwen, van piepjong tot heel oud, die ten tijde van de Franse Revolutie weigeren hun gemeenschappelijke gebedsleven op te geven. Daarom worden ze ervan verdacht aanhangers te zijn van het ancien régime, en veroordeeld tot de dood door onthoofding. De laatste tien minuten van de opera verklanken de laatste minuten uit het leven van de zestien zusters, hun klaaglijke, maar toch ook standvastige Salve Regina, dat langzaam wegsterft naarmate de vrouwen één voor één door een ijzingwekkende klap van de guillotine tot zwijgen worden gebracht:

Salve Regina, mater misericordiae;
Vita, dulcedo et spes nostra, salve. (3x)
Ad te clamamus, excules filii Evae.
Ad te suspiramus, gementes et flentes (2x)
in hac lacrimarum, lacrimarum valle.
Eia ergo, advocata nostra, illos tuos
misericordes oculos ad nos convente.
Et Jesum, benedictum fructum ventris tui,
nobis post hoc exsilium ostende.
O clemens, o pia,
O dulcis Virgo Maria. (2x)

Deo Patri sit gloria
et Filio qui a mortuis
surrexit ac Paraclito
in saeculorum saecula,
in saeculorum…

Wees gegroet, Koningin, genadige moeder;
Ons leven, onze hoop en toeverlaat, wees gegroet.
Tot u roepen wij, ontheemden van Eva.
Tot u smeken wij, zuchtend en wenend,
in dit aardse tranendal.
Daarom dan, onze pleitbezorgster,
sla op ons uw barmhartige ogen.
En toon ons, na deze ballingschap,
Jezus, de gezegende vrucht van uw schoot.
O genadige, o liefdevolle,
O zoete maagd Maria.

Ere zij God de Vader
en de Zoon, die uit de doden
is opgestaan, en de Trooster
in de eeuwen der eeuwen,
in de eeuwen…

De overgebleven vrouwen zingen dapper door, met steeds minder in getal zijn ze. Steeds serener klinkt hun zang, steeds ijler ook. Sterft met hen de traditie van het kloosterleven, die, hoewel ze in de negentiende en vroege twintigste eeuw nog een laatste opleving kent, in onze tijd een rariteit is geworden?

Nee, volgens mij bestaan er ook tegenwoordig nog talloze kloosterzusters en -broeders. Ik ken er zelfs een paar, spreek soms met ze af of mail met ze – met de broeders in beperkte mate, alsof er tralies tussen ons bestaan die ons ervan weerhouden het spirituele door het hartstochtelijke te laten vertroebelen. Maar ‘berichtjes als het jouwe en deze zijn zo klein dat ze door de tralie passen’, schreef een broeder laatst.

Ze vallen niet zo op, de kloosterlingen van de eenentwintigste eeuw, maar je kunt ze herkennen aan hun neiging tot ‘kluizenaren’ (een werkwoord dat een vriendin van mij gebruikt om haar periodes van bezinning en creativiteit aan te duiden), aan hun smaak ook, die soms opvallende overeenkomsten vertoont. Het was een broeder die me Dialogues des Carmélites adviseerde: ‘Ik wist dat je het mooi zou vinden; en inderdaad, dat einde van Poulenc is schoonheid en wreedheid inéén, ondraaglijk dus.’

Afgelopen week raadden twee zusters me, onafhankelijk van elkaar, de poëtische muziek van zangeres Eefje de Visser aan. In een liedje van haar, Er is, ontwaar ik een echo van de geest van de onschuldig vermoorde karmelietessen: ‘Niemand heeft een misdaad begaan. We zijn er niet aan onderdoor gegaan. Nee, we gaan door’, we leven – onopvallend – voort in alle hedendaagse minnaars van het ware, het schone en het goede.

Er is

We gaan door
Niemand heeft iets opgemerkt
En er viel niet veel op
Ik denk niet dat dat het opviel
Ik heb er niets van gemerkt
Ik ben vergeten hoe we gegaan zijn
Ik ben vergeten hoe het gegaan is
Ik wilde weten waar we waren
En
Ik wilde weten hoe het ons afging

Er is een zon vlakbij die boven ons langs gaat
Er is vlakbij een maan waaronder we door gaan

We gaan door
Niemand is hier dakloos hoor
Niemand heeft iets gedaan
Misdaan
Niemand heeft een misdaad begaan
We zijn er niet aan onderdoor gegaan
Nee
Ik wilde weten hoe het ons afging

Er is een zon vlakbij die boven ons langs gaat
Er is vlakbij een maan waaronder we door gaan

Minimalistische religie

Wat gelooft een postmoderne pelgrim zoal? Het zal niet verbazen dat haar religie wat minimalistisch is, want de (pre)moderne tijd van grote verhalen is voorbij, en bovendien is wie rondtrekt niet in de gelegen- heid om veel overbodige ballast mee te nemen.

Dus blijft er een nogal uitgekleed ‘geloofje’ over, een stille ontroering om onze gehechtheid aan het leven, onze hardnekkige pogingen ons staande te houden en gezond te blijven. Geen religie van overwinningen op onszelf, bekeringen of heiligheid. Geen ‘bestemming’ of ‘alleen maar liefde’ of ‘het moet zo zijn’.

De postmoderne pelgrim lijkt aldus zowel zoetsappigheid als strenge ascese overboord te hebben gegooid. Hoewel: is dolend en rondtrekkend leven niet zélf een soort ascese? Weten dat er geen voor of achter, geen onder of boven meer bestaat, en tóch doorgaan in een toestand van volstrekt niet-weten?

Wat hebben wij gedaan, toen wij deze aarde van haar zon loskoppelden? In welke richting beweegt zij zich nu? In welke richting bewegen wij ons? Weg van alle zonnen? Vallen wij niet aan één stuk door? En wel achterwaarts, zijwaarts, voorwaarts, alle kanten op? Is er nog wel een boven en beneden? (Friedrich Nietzsche, De dolle mens in ‘De vrolijke wetenschap’)

Paul van Tongeren verlangt ernaar ‘dankbaar’ te leven na de dood van God. Zich te bekwamen in de kunst van het ontvangen, ook al weten we niet langer van wie. Het leven op te kunnen vatten als een geschenk zonder schenker. Dankbaarheid als een houding die niet alleen op andere mensen betrokken is, maar ook op het leven an sich.

Er zit echter een verontrustende hardhandigheid in de wijze waarop wij het leven ‘ontvangen’, niet zozeer de vriendelijkheid die voor een geschenk kenmerkend is. We zijn aan het leven onderworpen, er middenin ‘geworpen’, eraan overgeleverd en gekluisterd, zoals allereerst aan ons lichaam, een behuizing die we niet van tevoren behoedzaam bij een makelaar hebben uitgezocht.

Leven is een kwestie van toeval – het valt ons toe met een beangstigende willekeur, zelfs dwang. En toch is het ons dierbaarder dan we zelfs in onze meest intense ogenblikken kunnen bevatten – dat lichaam van ons, dat vermoeiende leven, de grassprietjes en flarden van een blauwe hemel die soms op ons netvlies vallen.

Ik wil leven en ik leef, ook al is dat in strijd met iedere logica. En ook al geloof ik niet in de orde der dingen, toch zijn die kleverige, ontluikende lenteblaadjes mij dierbaar, net zoals de blauwe lucht mij dierbaar is en een enkel mens van wie je een enkele keer, geloof me of niet, oprecht houdt, zonder zelf te weten waarom. […] Daar is je vissoep, eet maar lekker. Het is heerlijke vissoep, dat kunnen ze hier goed. (Fjodor Dostojevski, ‘De broers Karamazov’)

Vaak wordt het leven echter als een last ervaren, veeleer dan als iets dierbaars of ontroerends. Er zijn ontelbaar veel mensen die hardop of stilletjes, onderhuids verzuchten dat het voor hen niet meer hoeft, dat ze er genoeg van hebben. En toch kunnen ook diegenen plotseling herleven na een moment van weldadige rust, na een ‘reanimerende’ omhelzing, een teder gebaar, een liedje van vroeger, hun lievelingssmaak.

Of niet. Maar in het hart van hun verdriet schuilt tóch diezelfde gehechtheid aan het leven, een verlangen naar hoe het had kúnnen zijn; hun verdriet komt voort uit de fantasie van een leven zonder kwetsuren, vermoeidheid, verveling, honger, eenzaamheid. Al dat verdriet kun je je voorstellen als onderdeel van een kosmische ‘verdrietssymfonie’, een nauwelijks hoorbaar, fluisterend kreunen van al die mensen en dieren die zonder uitzicht of ‘waarom’ het lastkarakter van het leven dragen.

Wanneer ik mij nergens meer toe in staat voel, als ik niet meer op mijn benen kan blijven staan en van die steken in mijn zij krijg, kruip ik weg in een hoek, heel alleen, en – u zult erom lachen – in plaats van mij dan prettige dingen voor de geest te halen, waar je van opvrolijkt, zit ik te denken aan al die mensen die ik niet ken en die op mij lijken – en dat zijn er heel wat, de aarde is groot! – de bedelaars die in de regen langs de straten slenteren, de weggelopen kinderen, de zieken, de gekken in het gekkenhuis die naar de maan blaffen, en nog zoveel, zoveel anderen!

Ik kruip daartussen, probeer mij heel klein te maken, en niet alleen met de levende mensen, weet u: ook met de doden, de mensen die hebben geleden, en de mensen die nog moeten komen en zullen lijden net als wij… Waarom? Waarom lijden? vragen ze allemaal… ’t Is alsof ik het met die mensen vraag, ik meen dat te horen, ’t doet mij zo aan als een eindeloos gezoem dat mij in slaap wiegt. In zulke ogenblikken zou ik mijn plaats niet willen ruilen voor die van een miljonair, ik voel mij gelukkig. (Georges Bernanos, ‘Dagboek van een dorpspastoor’)

Misschien is de minimalistische religie van een postmoderne pelgrim in essentie een gevoelsverruiming. Emoties zijn ons geestelijke levenssap. Zodra je tranen vloeien, wordt je betrokkenheid op het leven – en vooral: je gehechtheid eraan – weer doorvoelbaar, net als je verbondenheid met al die andere anonieme wezens die in eenzelfde toestand van ‘geworpenheid zonder waarom’ bestaan.

Mentale Schutzmantel

Een van de meest tedere voorstellingen uit de christelijke traditie vind ik de Schutzmantelmadonna. Het betreft een beeld van Maria die haar schützende (beschermende) mantel rondom alle mensen slaat die hun toevlucht bij haar zoeken: monniken, nonnen en kardinalen, maar ook boeren en bedelaars, kamermeisjes en hooggeplaatste adellijke figuren. In de middelste afbeelding hierboven zijn al Maria’s beschermelingen naakt, wat hun wezenlijke gelijkheid benadrukt: voor de christelijke oermoeder doen rangen en standen, talenten en prestaties er niet toe.

Zulke poëtische visioenen als de middeleeuwers hebben wij postmodernen helaas niet meer. Wij moeten het doen met abstracte idealen en documenten, bijvoorbeeld de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Toch geloof ik dat het beeld van de Schutzmantelmadonna nog steeds tot onze verbeelding kan spreken. Stel je eens voor dat je zélf een mentale Schutzmantel draagt, een heel wijde, die ruimte biedt aan alle mensen die je tegenkomt. Niemand is in jouw ogen meer louter vervelend, geheel oppervlakkig of door en door slecht. Nee, vanonder je mantel besef je hoezeer er in iedereen een naakt, kwetsbaar mensje schuilt, precies zoals jijzelf, en hoezeer we elkaars schützende liefde en mildheid nodig hebben.

De utilitaristische filosoof Jeremy Bentham (1748 – 1832) nodigt ons uit nog een stap verder te gaan. Hij stelt namelijk voor om onze mentale Schutzmantel niet voor te behouden aan mensen alleen:

Misschien komt er een dag dat wordt erkend dat het aantal benen, de behaardheid van de huid of het uiteinde van het staartbeen geen reden mag zijn om andere gevoelige wezens te mishandelen. […] De vraag is niet: kunnen zij redeneren? of: kunnen zij praten? Maar: kunnen zij lijden? […] Er komt een dag dat de mensheid haar mantel zal uitslaan over alles wat ademt.

Opmerkelijke pose

Amsterdam Centraal roept een gecompliceerde mengeling van gevoelens in me op: verdwaasdheid vanwege de overdosis aan indrukken, verrukking over de volslagen uiteenlopende mensenlevens die er samenko-men, een heel lichte angst – die behoorlijk onnodig is, omdat verkeersongelukken vele malen vaker voorko-men – dat er iets zal ontploffen of iemand zal gaan schieten. Zulk onbehagen verhindert me niet om gulzig in etalages te staren en etensgeuren in te ademen, te glimlachen om iemand die zingt of pianospeelt of een kindje dat danst.

Gisteren was er iets anders wat mijn aandacht trok, een groepje Afrikaanse vrouwen in felgekleurde gewaden in het midden van de hal waar alle perrons – via trappen en roltrappen – op uitkomen. Bij een pilaar hadden ze kleedjes uitgespreid, waar ze omheen stonden alsof er iets te gebeuren stond, alsof ze samen ergens op wachtten. Ik liep verder, maar bleef nieuwsgierig over m’n schouder naar ze gluren. Plotseling leek één van hen een startsein te geven, hield de handen aan de oren, en meteen volgden de anderen. Na een reeks gebaren zakten de vrouwen door de knieën en raakten met hun voorhoofd de grond, een ongemakkelijke pose waarin ze een poosje volhardden.

Bijna wilde ik teruglopen, verwonderd over zoveel vrijmoedigheid en spiritualiteit in zo’n anonieme, bedrij-vige stationshal, en dat in een land waar moslims en hun geloofspraktijken meer en meer gewantrouwd worden. Misschien waren deze vrouwen daar niet van op de hoogte, kwamen ze zojuist van Schiphol – getuige de grote, eveneens felgekleurde tassen die hun gebedskleedjes omringden. Daar kwamen ze alweer overeind – en de gêne overwon in mij, zodat ik niet durfde te blijven staren, maar een resoluut tempo aannam en het station uitbeende, op weg naar de lezing waarvoor ik naar Amsterdam gekomen was.

Een week daarvoor, in een museum in Den Haag, had een oudere man mij met eenzelfde mengeling van schroom en fascinatie gadegeslagen terwijl ik hartstochtelijk aantekeningen zat (/lag) te maken op een bankje tussen de schilderijen. Ik herinner me hoe hij me plotseling, toen we samen voor het zelfportret van Alice Neel stonden, enkele zalen verderop, voorzichtig aansprak en een foto op het schermpje van zijn camera liet zien: ik, opgekruld op een bankje, verdiept in mijn schrijfsels. Een opmerkelijke pose had hij het gevonden, zei de man – hij was zelf kunstenaar. Zoveel concentratie, dat herkende hij wel, dat vond hij te mooi om niet op foto vast te leggen – hoewel hij het ook een beetje brutaal van zichzelf vond. Hij beloofde me de foto op te sturen, wat hij vanochtend deed:

Is schrijven ook een vorm van bidden?