Muzikale pelgrim

Ben ik de allerlaatste die een interview met Reinbert de Leeuw (1938-2020) gehouden heeft? Het lijkt erop. Ik bezocht de hartstochtelijke pianist, dirigent en componist op 23 januari in zijn appartement naast het Vondelpark. Drie weken later, op 14 februari, overleed hij, voor velen – ook voor mij – volstrekt onver-wachts. Dat hij al langere tijd ziek was, wist ik niet, hoewel hij tijdens onze laatste gesprekken zwakjes overkwam en af en toe sprak in halve zinnen. De ouderdom, dacht ik.

Maar zijn vurigheid was geenszins verminderd: hij vertelde nog altijd over hem dierbare componisten als waren het muzikale pelgrims of platoonse zieners die iets onzegbaars op het spoor gekomen waren en dat naar concrete composities toe probeerden te vertalen. ‘In het hoofd van de componist moet een oervorm van de muziek bestaan en in zekere zin kun je zeggen dat de notatie al een transcriptie is van wat er in het hoofd van de componist gebeurt’, zei Reinbert eens tijdens een lezing. De kunst van hemzelf als uitvoerder – als dirigent, als pianist – was om die platoonse idee áchter de partituur aan te raken en in concrete klan-ken om te zetten, adembenemende, verstilde. Reinbert was er heel duidelijk over dat muziek voor hem iets met mysterie te maken had:

Wat is toch het geheim waardoor sommige composities je zo kunnen raken? Er zijn van die stukken waarnaar ik altijd maar weer terug wil, die ik wil herbeleven. Wat doet de componist daar? Wat is de reden dat het me zo ontroert, zo aanspreekt? Dat is waarover je meer te weten probeert te komen, dat is die zoektocht. Uiteindelijk zal je het nooit kunnen oplossen, je kan het nooit precies pakken. En dat is natuurlijk ook het fascinerende eraan. Dat is de magie van de muziek, het grote raadsel.

In veel van Reinberts favoriete muziek wordt ‘alle intensiteit en expressie samengebald in een paar noten’, zoals bij de late Liszt, bij Satie of bij Schönberg en Webern in hun zoekende middenperiode, toen ze reeds atonale muziek componeerden, maar nog niet volgens het cerebrale twaalftoonsysteem. Het was over deze periode van de Tweede Weense School dat hij en ik de laatste keer met elkaar spraken. De maanden hierna zouden we het nog hebben over andere belangrijke thema’s en stromingen uit de twintigste-eeuwse muziek: de Franse klankbeleving, de naoorlogse avantgarde, de Russische ziel van Goebaidoelina en Oestvolskaja, wier muziek een soort ‘beuken op de poorten van de hemel’ is.

Helaas is Reinbert er niet meer, zodat onze gespreksreeks in klassieke muziektijdschrift Luister voortijdig tot een einde is gekomen. Mijn uitwerking van ons laatste gesprek zal verschijnen op 6 maart, en in april publiceert Luister mijn analyse van Reinberts muzikale wereldbeeld en zijn streven naar intensiteit.

Eerdere interviews die ik met Reinbert heb gehouden kun je teruglezen via de volgende links:

Muziek als stemvork

Als student was ik altijd naarstig op zoek naar voorbeelden: mensen die niet alleen, zoals de meeste van mijn studiegenoten, in de boeken doken voor zover dat nodig was om hun tentamens te halen, maar échte intellectuelen, die lieten zien dat studeren een levenslange liefde en een manier van leven kan zijn. Grappig genoeg bleken sommige van mijn favoriete intellectuelen, waaronder een antiquaar die literatuur en kunst-boeken verkocht en bijna alles weleens leek te hebben gelezen, en een vertaler die zich soms maandenlang als een kluizenaar kon onderdompelen in de wereld van zijn favoriete schrijvers, uiteindelijk de voorkeur te geven aan muziek boven boeken. Muziek gaat nog dieper, vonden ze allebei, en verklankt meer raadselen en nuances dan ooit in taal kunnen worden uitgedrukt. De boekhandelaar verkocht trouwens ook tweedehands cd’s en de vertaler speelde dagelijks urenlang viool.

Zelf begreep ik niet goed hoe je, als denkerig type, meer van muziek dan van boeken kunt houden. Ook ik was weliswaar een groot muziekliefhebber: soms zat ik wel twee keer per week in het Concertgebouw, en tijdens de Zaterdagmiddagconcerten in de Domkerk ontdekte ik graag religieuze componisten uit de barok en renaissance. Klassieke muziek bracht me in wonderlijke stemmingen die ik nooit eerder had verkend, en wakkerde – vooral Bach – mijn verlangen aan naar transcendentie, naar een diepe duik in het mysterie van het bestaan. Toch bleef ik na het luisteren altijd een beetje onbevredigd achter, want wat de muziek me had gebracht kon ik niet in gedachten vatten en daardoor niet vasthouden, herkauwen of overdenken, iets wat me wél lukte met de ideeën die me via boeken en colleges werden aangereikt. Composities lieten me iets voelen, suggereerden iets, maar waren te ijl om houvast te kunnen bieden of mijn wereldbeeld drastisch te veranderen, zoals Sein und Zeit van Heidegger en Misdaad en straf van Dostojevski wél hadden gedaan.

Uiteindelijk leerde ik muziek te gebruiken als een stemvork om mijn geest af te stellen op de filosofen die ik bestudeerde. Zo hielpen Haydn en Mozart me om in de stemming te komen voor opgeruimde verlichtings-denkers zoals Hume en Kant, terwijl Beethoven en de romantici me klaarstoomden voor Schopenhauer en Nietzsche, en Bach me hielp om dieper door te dringen in de geloofsbeleving van Kierkegaard, Luther en Augustinus. Pas na mijn studie ben ik muziek gaan beschouwen als doel op zich: de stemming waarin een muziekstuk je brengt, hóeft niet per se intellectueel onderzocht en uitgediept te worden, maar kan ook op zichzelf bestaan, en mag gerust wegebben als het concert of de cd is afgelopen; eventueel zet je je cd-speler op repeat om het bewuste gevoel iets langer vast te houden.

Toch lukt het me niet altijd om zo gelaten met muziek om te gaan. Zo nu en dan, bijvoorbeeld tijdens het beluisteren van de cellosuites van Ernest Bloch die ik onlangs heb ontdekt, speelt mijn intellectuele bezit-terigheid weer op en wil ik meer grip krijgen op de muziek – niet alleen met mijn gevoel, maar ook met mijn verstand. Wat betekent die wonderlijke vermenging van Bachs esthetiek, moderne grilligheid en joodse melancholie die ik in Blochs muziek ontwaar? Hoe kan ikzelf meer vanuit dat bijzondere gevoel – een soort seculiere spiritualiteit – gaan leven, en welke boeken en gedachten helpen me daarbij?

Glanzend zilveren laagje

Muziek is bij uitstek een domein dat me leert hoe onvolkomen mijn eigen oordelen en intuïties zijn. Deed ik eerder het werk van Haydn, Mozart en Beethoven af als pompeuze, pretentieuze, al te optimistische muziek voor ‘doenerige types’ (zo omschrijft mijn vader mensen die altijd iets om handen hebben), sinds een paar weken ben ik uitgerekend van dit drietal volkomen in de ban. Het merendeel van hun stukken is niet in mineur, maar in majeur gecomponeerd, zodat ieder ‘uitgaan’ van de grondtoon tevens een snel – door velen als bevredigend ervaren – terugkeren naar die grondtoon is, een thuiskomen bij jezelf, in plaats van – zoals bij het mineur van Bach – een transcenderen, je verre van jezelf verwijderen, met het oog op iets ultiems. De grote klassieke componisten leken me tezeer gevestigd in de wereld (neem de triomfantelijke opening van Beethovens vijfde symfonie), te lieflijk en frivool (beluister het merendeel van Mozarts instrumentale composities), te steriel (Haydns muziek noemde ik ‘zo vormelijk dat je er onmogelijk een betekenis of menselijke stemming uit kunt destilleren’).

Bij nader luisteren merk ik echter dat Haydns ‘lege virtuositeit’ in staat is een glanzend zilveren laagje over de dingen heen te leggen, precies zoals een bepaalde lichtval dat kan. En ontstaat er in al dat gelijkmatige, kristalachtige kabbelen plotseling een emotionele rimpeling, dan is het effect daarvan des te roerender. Neem bijvoorbeeld deze sonate vanaf 3:35, helder en zonder overbodige pathos gespeeld door Glenn Gould.

Ook is er geen compositie van Mozart waarin het initiële, zelfverzekerde majeur niet door fragiele stukjes in mineur wordt onderbroken, zoals in het zevende vioolconcert, waar de lieflijk zingende viool in minuut vijftien – tussen de twintigste en vijftigste seconde – twee ongeëvenaarde levenskreten slaakt, daarin alle weemoed en verlangen samenballend die een mensenleven maar bevatten kan.

En hoe triomfantelijk is eigenlijk de triomf aan het eind van Beethovens veertiende strijkkwartet (vanaf minuut 32:30), dat hij schreef aan het eind van zijn leven, toen hij inmiddels aan volstrekte doofheid leed? Veeleer dan triomf hoor ik een haast wanhopige verbetenheid, een niet op willen geven tegen beter weten in, een existentiële razernij zoals verwoord in dit gedicht van Dylan Thomas:

Do not go gentle into that good night,
Old age should burn and rave at close of day;
Rage, rage against the dying of the light.

Though wise men at their end know dark is right,
Because their words had forked no lightning they
Do not go gentle into that good night.

Good men, the last wave by, crying how bright
Their frail deeds might have danced in a green bay,
Rage, rage against the dying of the light.

Wild men who caught and sang the sun in flight,
And learn, too late, they grieved it on its way,
Do not go gentle into that good night.

Grave men, near death, who see with blinding sight
Blind eyes could blaze like meteors and be gay,
Rage, rage against the dying of the light.

And you, my father, there on the sad height,
Curse, bless, me now with your fierce tears, I pray.
Do not go gentle into that good night.
Rage, rage against the dying of the light.

Klassieke muziek

Weinig dingen zijn me dierbaarder dan klassieke muziek. Niet dat ik haar superieur acht boven andere muzieksoorten, maar voor mij weerspiegelt ze het best de dubbelzinnigheden en complexiteiten van het leven. Zoals ik, staande voor een schilderij waarop een mensfiguur is afgebeeld, vaak prevel: ‘zie de mens’, in de hoop ontvankelijk te worden voor het mensbeeld dat erin wordt uitgedrukt, zo zou je een muziekuitvoering die te beginnen staat – de musici stemmen hun instrumenten, de dirigent neemt zijn positie in – kunnen inluiden met de frase: ‘Zo is het leven: …’ En na afloop beaam je, al applaudiserend: ‘Ja, precies zo is het.’ Het betreffende stuk heeft een existentieel gevoel verklankt, een harmonie of een conflict, gerepresenteerd in melodielijnen die langs elkaar schuren en opklimmen of afdalen, dansen of wenen. In geïntensiveerde vorm is een gedaante van het leven gepasseerd, en voor zover de muziek je mee heeft kunnen voeren, heb je geproefd van een woordeloze waarheid.

Een voorbeeld van een existentieel conflict vind je in droevige muziek, waarin droefheid en schoonheid met elkaar strijden om het laatste woord. Misschien overheerst in dit leven uiteindelijk de schoonheid wel, ga je als luisteraar geloven, omdat er zelfs in droefheid schoonheid schuilt. Dalen en klimmen kom je veelal in religieuze muziek tegen, waar de Sündenmensch over zijn onvermogens en de kwellingen van dit leven klaagt (Ich versink im tiefen Schlamm), maar de droefheid vervolgens tot beloftevol verlangen wordt getransformeerd, en zwevende countertenors een voorproefje geven van de hemel.

Levensbevestigend zijn Mozart en Beethoven; strijdlustig wil je de wereld in marcheren als je hun symfonieën hebt gehoord. Je wordt die trotse wandelaar van Caspar David Friedrich, die, in elegante pandjesjas op een rotsblok staande, over een subliem, in nevelen gehuld landschap uitkijkt, een soort veroveraar. Soms is de muziek van deze componisten dartel, zelfs teder; ook veroverende naturen behouden diep vanbinnen iets kinds, en ook in de mannelijkste mannen kan iets vrouwelijk-weeks schuilgaan. De uitbundige Mozart heeft bovendien stukken gecomponeerd, zoals de abstracte pianofantasie in d mineur, die je als meditatief of etherisch kunt omschrijven.

Klassieke muziekliefhebbers in mijn omgeving heb ik vaak horen beweren dat je luistergenot dieper en verfijnder wordt naarmate je oor (technisch) geoefender is en je op hoger niveau zelf musiceert. Ik geloof niet dat dat waar is. Natuurlijk helpt het als je op jonge leeftijd met klassieke muziek in aanraking bent gebracht of een instrument hebt leren bespelen; je vindt dan met meer gemak je weg in het overweldigende muzikale aanbod. Maar het belangrijkste lijkt me je gevoeligheid: ben je in staat om je te laten raken, je eigen gevoelens mee te laten resoneren met de verklankte? Daarvoor hoef je niet geoefend te zijn, en dat vermogen wordt niet per definitie groter naarmate je meer verstand hebt van muziek of je er meer mee bezighoudt.

Wel zal er van nature een verschil zijn in de wijze waarop een jonger en een ouder iemand luisteren naar klassieke muziek. De jongere zal vooral oor hebben voor de dominante emoties in een stuk; de nuances proeft hij vermoedelijk minder bewust, omdat hij onstuimiger in het leven staat en nog niet vertrouwd is met het enorme palet aan grijstinten dat al het bestaande omgeeft. Een oudere, die meer ervaring heeft opgedaan met het samengaan der tegendelen, zal minder hevig opgaan in slechts één emotie, maar zich veeleer laten raken door muziek die een overzichtsblik biedt en de zwaarte enigszins lichtvoetig en de vrolijkheid weemoedig maakt.

Concertgebouw

Toen ik net twintig was geworden, nam een nogal pretentieuze medestudent – met gel in z’n naar achteren gekamde haar, een maatpak en een leren koffertje – me mee naar het Concertgebouw. Daar ben ik hem nog altijd dankbaar voor. Het was een uitverkocht pianoconcert, maar wij studenten hadden last minute een tien euro-ticket kunnen bemachtigen. Vlakbij de pianist zaten we, op het balkon achter het podium, zodat we diens handen over het instrument konden zien vliegen en op de toetsen rammen. Indrukwekkend, maar geenszins zoals de lieflijke romantici die ik gewend was, Chopins nocturnes, Schumanns Kinderszenen. Wat hij speelde weet ik niet eens meer, ik vond het niet bijzonder mooi, maar was toch zodanig gefascineerd en gegrepen dat ik in de erop volgende maanden bijna wekelijks naar het Concertgebouw ging.

Op een gelukkige avond ontdekte ik de magistrale zijbalkons, waar je je een halfgod op de Olympus waant, uitkijkend over een – in sereen licht badende – classicistische tempel vol sierlijke bogen, gedecoreerde pilaren en met glanzende parels behangen grachtengordeldames. De muziek kwam in golven over me heen, die me soms overrompelden en onderdompelden en mee de zee in sleurden, maar me soms juist verder het strand opstuwden, vervreemd vanwege het onvertrouwde van de klanken, het gebrek aan melodie, aan melodieën althans die mij bekend waren, wat me de mogelijkheid ontnam om de klanken en wendingen die gingen komen enkele seconden van tevoren mentaal voor te bereiden, mijn innerlijke mond precies op het juiste moment watertandend open te houden voor de lekkere hapjes die de musici me toe zouden werpen.

Omdat de muziek geen structuur voor me had, maar veeleer een massieve klankmuur was, luisterde ik op een heel onbevangen, lichamelijke manier. Soms was het alsof er een vulkaan uitbarstte in de zaal, alsof de wereld verging of alsof er juist een groots verlossingsgebeuren plaatsvond, dat ons concertbezoekers boven al het kleinmenselijke uit deed stijgen in een rijk waar ‘alles voor altijd goed’ zou zijn. Het lichamelijke luisteren maakte ook Le sacre du printemps van Stravinsky – dat juist bekend staat als een ‘moeilijk’ stuk; tijdens de première ervan liep het publiek demonstratief de concertzaal uit – zo bijzonder meeslepend, alsof ik middenin een seksueel geladen oerritueel was beland, en bedwelmd werd door beukende dansen en hallucinerende middelen. Niet ik, maar mijn lichaam begreep de muziek en kon er, vanaf de eerste klanken tot het einde, in meevibreren, alsof ik zelf een instrument op het podium was, het trillende vel van een trom of pauk, de sidderende snaren van een viool of cello.

En dan was er na afloop altijd het applaus, niet zozeer bedoeld voor de musici zelf, maar voor de registers van de werkelijkheid die zij, ‘dienstknechten van de Schoonheid’, voor ons geopend hadden: de afgronden, de hemelen, de waan dat we de dingen des levens eindelijk begrepen hadden, de melodie van die dingen althans, hun afwisselende stijgen en dalen, hun verspringende ritmes. Met z’n allen hadden we filosofie bedreven in de concertzaal, wij luisteraars evenzeer als de musici en de (meestal reeds overleden) compo- nist die dit alles mogelijk had gemaakt. En daarom was het applaus meer een existentiële ontlading dan een dank en eerbetoon aan medemensen, hoewel ook dankbaarheid in een applaus niet afwezig is. Het is een grotere dankbaarheid – aan het mens-zijn überhaupt, en aan het feit dat het leven één groot muziekstuk is.

Bijpassende citaten van Schopenhauer, voor wie muziek de hoogste kunstvorm was:

‘Muziek is een onbewuste oefening in metafysica, waarbij de geest niet weet dat hij aan het filosoferen is.’

‘Deze nauwe verwantschap tussen de muziek en het ware wezen van alle dingen levert de verklaring voor het feit dat wanneer we bij een of ander tafereel, een of andere handeling, gebeurtenis of omgeving een bijpassende muziek horen, deze muziek ons de meest verborgen betekenis ervan lijkt te onthullen en zich presenteert als het meest adequate en duidelijke commentaar op dit alles. Het verklaart eveneens waarom het iemand die zich helemaal overlevert aan de indrukken van een symfonie, voorkomt dat hij alle mogelijke voorvallen uit het leven aan zich voorbij ziet trekken; maar als hij erover na gaat denken, kan hij geen gelijkenis ontdekken tussen dat muziekstuk en de dingen die hem daarbij voor de geest staan. Want zoals gezegd is het verschil tussen de muziek en alle andere kunstvormen, dat de muziek geen afbeelding is van de verschijning […], maar een onmiddellijke afbeelding van de wil zelf en dat ze dus van al het fysische in de wereld de metafysische kant weerspiegelt, en van alle verschijnselen het ding-op-zichzelf. We zouden de wereld dus met evenveel recht belichaamde muziek als belichaamde wil kunnen noemen.’

Kloosterlingen

Met een zekere regelmaat dringt de gedachte aan het kloosterleven zich aan me op, als een aantrekkelijk – maar toch ook onbereikbaar – ideaal. De laatste keer was tijdens het beluisteren van een indrukwekkende opera van Francis Poulenc, Dialogues des Carmélites. Het verhaal gaat over zestien vrouwen, van piepjong tot heel oud, die ten tijde van de Franse Revolutie weigeren hun gemeenschappelijke gebedsleven op te geven. Daarom worden ze ervan verdacht aanhangers te zijn van het ancien régime, en veroordeeld tot de dood door onthoofding. De laatste tien minuten van de opera verklanken de laatste minuten uit het leven van de zestien zusters, hun standvastige, maar toch ook klaaglijke Salve Regina, dat langzaam wegsterft naarmate de vrouwen één voor één door een ijzingwekkende klap van de guillotine tot zwijgen worden gebracht:

Salve Regina, mater misericordiae;
Vita, dulcedo et spes nostra, salve. (3x)
Ad te clamamus, excules filii Evae.
Ad te suspiramus, gementes et flentes (2x)
in hac lacrimarum, lacrimarum valle.
Eia ergo, advocata nostra, illos tuos
misericordes oculos ad nos convente.
Et Jesum, benedictum fructum ventris tui,
nobis post hoc exsilium ostende.
O clemens, o pia,
O dulcis Virgo Maria. (2x)

Deo Patri sit gloria
et Filio qui a mortuis
surrexit ac Paraclito
in saeculorum saecula,
in saeculorum…

Wees gegroet, Koningin, genadige moeder;
Ons leven, onze hoop en toeverlaat, wees gegroet.
Tot u roepen wij, ontheemden van Eva.
Tot u smeken wij, zuchtend en wenend,
in dit aardse tranendal.
Daarom dan, onze pleitbezorgster,
sla op ons uw barmhartige ogen.
En toon ons, na deze ballingschap,
Jezus, de gezegende vrucht van uw schoot.
O genadige, o liefdevolle,
O zoete maagd Maria.

Ere zij God de Vader
en de Zoon, die uit de doden
is opgestaan, en de Trooster
in de eeuwen der eeuwen,
in de eeuwen…

De overgebleven vrouwen zingen dapper door, met steeds minder in getal zijn ze. Steeds serener klinkt hun zang, steeds ijler ook. Sterft met hen de traditie van het kloosterleven, die, hoewel ze in de negentiende en vroege twintigste eeuw nog een laatste opleving kent, in onze tijd een rariteit is geworden?

Nee, volgens mij bestaan er ook tegenwoordig nog talloze kloosterzusters en -broeders. Ik ken er zelfs een paar, spreek soms met ze af of mail met ze – met de broeders in beperkte mate, alsof er tralies tussen ons bestaan die ons ervan weerhouden het spirituele door het hartstochtelijke te laten vertroebelen. Maar ‘berichtjes als het jouwe en deze zijn zo klein dat ze door de tralie passen’, schreef een broeder laatst.

Ze vallen niet zo op, de kloosterlingen van de eenentwintigste eeuw, maar je kunt ze herkennen aan hun neiging tot ‘kluizenaren’ (een werkwoord dat een vriendin van mij gebruikt om haar periodes van bezinning en creativiteit aan te duiden), aan hun smaak ook, die soms opvallende overeenkomsten vertoont. Het was een broeder die me Dialogues des Carmélites adviseerde: ‘Ik wist dat je het mooi zou vinden; en inderdaad, dat einde van Poulenc is schoonheid en wreedheid inéén, ondraaglijk dus.’

Afgelopen week raadden twee zusters me, onafhankelijk van elkaar, de poëtische muziek van zangeres Eefje de Visser aan. In een liedje van haar, Er is, ontwaar ik een echo van de geest van de onschuldig vermoorde karmelietessen: ‘Niemand heeft een misdaad begaan. We zijn er niet aan onderdoor gegaan. Nee, we gaan door’, we leven – onopvallend – voort in alle hedendaagse minnaars van het ware, het schone en het goede.

Er is

We gaan door
Niemand heeft iets opgemerkt
En er viel niet veel op
Ik denk niet dat dat het opviel
Ik heb er niets van gemerkt
Ik ben vergeten hoe we gegaan zijn
Ik ben vergeten hoe het gegaan is
Ik wilde weten waar we waren
En
Ik wilde weten hoe het ons afging

Er is een zon vlakbij die boven ons langs gaat
Er is vlakbij een maan waaronder we door gaan

We gaan door
Niemand is hier dakloos hoor
Niemand heeft iets gedaan
Misdaan
Niemand heeft een misdaad begaan
We zijn er niet aan onderdoor gegaan
Nee
Ik wilde weten hoe het ons afging

Er is een zon vlakbij die boven ons langs gaat
Er is vlakbij een maan waaronder we door gaan

Wrange schoonheid

Ik ben op zoek naar een nieuwe, moeilijkere schoonheid dan de schoonheid die ik vind in de afgeronde motieven en aangename melodieën van Monteverdi en Bach, in de krachtpatserij van Michelangelo of de volmaakte verstilling van Vermeer, in de klinkende sonnetten van Shakespeare of de zoetsappigheid van de romantici. Ik zoek een schoonheid die de wrange kanten van het leven niet wegpoetst of polijst, maar ze in al hun pijnlijkheid integreert en tot klinken brengt – de onrust, het niet-weten van onder of boven, van minder of beter, een levensgevoel, kortom, waarin het relativisme op de loer ligt, maar er toch ook een onverwoestbaar besef van urgentie resteert, van waarde en belang, en van de kwetsbaarheid daarvan (Lucebert: ‘alles van waarde is weerloos’).

De schoonheid die ik zoek is duister als de schrijnende melodieën van de 16e-eeuwse Italiaanse componist Gesualdo, die zijn echtgenote en haar minnaar op heterdaad had betrapt en vermoord en de rest van zijn leven met een ondraaglijk schuldgevoel kampte. ‘Gesualdo begon motetten te componeren die heel anders klonken dan andere motetten uit de Renaissance. De bas kan zich verheffen boven de sopraan en bij elke toon kan de stemming zelf wankelen.’ (Eugen Drewermann) De schoonheid die ik zoek is broeierig en wild, als de blik in de ogen van de keurige heren en dames die de Spaanse hofschilder Francisco Goya in tijden van bijgeloof, kerkelijke indoctrinatie en oorlogsgeweld portretteerde. Woordkunstenaars zoals onze eigen Lucebert zoek ik, die zich niets aantrekken van grammatica en verstaanbaarheid voor ons daglichtverstand, maar de bestaande taal heruitvinden via dromerige associaties en opzwepende ritmes.

voortaan zal de hete ijzeren keel
der ontroerde beulen muzikaal opengaan

Beukende componisten zoek ik, Stravinsky met Le sacre du printemps, waarin het leven zich, ontdaan van alle franje, manifesteert als orgie en strijd. De lyrisch verlangende en schurende klanken van de Tsjechische Leoš Janáček, de missen en motetten van Frank Martin en Francis Poulenc, vol stemmen die vertwijfeld zoeken en tasten naar de aanwezigheid van… God. Maar wie is dat eigenlijk?

 

Zwart met blauwe plukken

Haar zwartgeverfde haren doen haar gezichtje witter lijken. De blauwe plukken erin maken duidelijk dat ze een ‘alternatief’ meisje is, een beetje opstandig. Ze zou een eerstejaarsstudente kunnen zijn, afkomstig uit een provinciestadje, die sinds het einde van de zomer een kamertje in een Utrechts studentenhuis bewoont. Of ze mooi is, of haar blik ernstig is en of ze meedeint met de muziek, dat zie ik niet, want ik durf niet opzichtig haar kant uit te kijken. Ze zit te spelen op de openbare piano in de stationshal; zelf weet ik heel goed hoe ongemakkelijk het is om je tijdens het spelen bekeken te voelen. Mensen mogen in je omgeving komen staan en naar de klanken die je voortbrengt luisteren, dat wel. Maar laat ze staren naar de grond, of om zich heen, of uit het raam; laat ze hun blik waar dan ook op vestigen, maar niet op jou, op je gezicht, op het dansen van je handen. Laat ze de pianoklanken als een sausje over hun eigen ervaringen heen gieten, zodat je vanbinnen met elkaar verbonden bent, gedompeld in de gemeenschappelijke sfeer van de muziek.

Het zwartharige meisje met de blauwe plukken speelt melodieën van Yann Tiersen en Philip Glass, eenvoudige, zich eindeloos herhalende patronen, bijna abstract. Niet zo moeilijk om te spelen; wel knap om te spelen zoals zij het doet, met soepele vingers die over de toetsen razen. Een melancholisch kabbelend beekje brengt ze voort, waar passerende reizigers doorheen mogen waden. Velen werpen een snelle blik in haar richting, nieuwsgierig, vol sympathie. Soms hapert ze even; té graag wil ze foutloos spelen, en juist dan lukt het niet.

Hier is een medemenselijke ziel aan het woord, dringt tot me door. Ook voorbijgangers in de stationshal zijn niet langer vreemden, maar deelgenoten aan de gevoelens die het meisje verklankt, aan vreugde, verlangen en verdriet.