Uitbreekervaring

Mensen die bang zijn voor vuurwerk, weten niet goed met hoevelen ze zijn. Terwijl tegenstanders van Zwarte Piet ieder jaar tijdens de intocht van Sinterklaas de straat opgaan, blijven mensen met knallenangst juist veilig binnen, ongezien en ongehoord, zodat niemand zicht heeft op de omvang van het knallenpro-bleem in Nederland. Hoeveel mensen ervaren Oud & Nieuw – en de weken ervoor en erna – als een periode van gedwongen huisarrest en eenzaamheid? Zouden het enkele honderden zijn, enkele duizenden, enkele tientallen duizenden?

Het nieuwe jaar begint pas écht als – ergens in de loop van januari – de laatste knal heeft geklonken, en íedereen weer de straat op kan: hondenbezitters, mensen met de gevoeligheid van honden, ouderen, autis-ten, mensen met hersenletsel, kleine kinderen, et cetera. Eigenlijk zouden wij vuurwerkhaters samen moe-ten komen en protestgroepen moeten vormen, maar we zijn te blij: als koeien zijn we die de hele winter op stal hebben gestaan en eindelijk weer frisse lucht kunnen opsnuiven, rondlopen en -rennen zonder angst, gekke sprongen makend, de ledematen strekkend en de vrijheid vierend, waarvan we – nadat die een paar weken drastisch ingeperkt was – ten volle beseffen hoe oneindig waardevol die is.

Mijn eigen nieuwjaar begon op 3 januari, toen ik me – enigszins aarzelend – naar Amsterdam begaf en het vuurwerk slechts een vaag oorlogsgeraas in de verte was, niet dichtbij genoeg om me terug mijn holletje in te jagen. De rijk gedecoreerde bakstenen gevels van grachtenpanden, de boekhandels, de expositieruimtes – alles heette me stralend welkom, ook al was de lucht grijs en sloegen de wind en de regen tegen me aan. Straten ademden weer mogelijkheid en ruimte, geen dreiging en kabaal, en ik moest mezelf bedwingen om geen huppelpasjes te maken en niet ‘De wereld is van mij!’ te zingen.

Het was zo’n typische uitbreekervaring, die iedereen wel kent die ooit een scriptie of boek heeft geschreven, of om wat voor reden dan ook een periode te weinig buitenshuis is geweest, onder de mensen. Als je dan plotseling wordt meegezogen in de dynamiek van de stad, in de vibe van een dansfeest, in een levendig gesprek of de armen van een aantrekkelijke man, dan is het – zoals mijn Amsterdamse tante beschreef – alsof het vlammetje vanbinnen weer wordt aangestoken, het vlammetje dat levende mensen van zombies onderscheidt, mensen met hartstocht van mensen die vergeten zijn hoe fris en spannend en sappig het leven eigenlijk is. Het is een ervaring van lente, die echter op ieder moment van het jaar kan plaatsvinden. Voor vuurwerkangstigen komt dat moment ergens in januari, als zelfs de fanatiekste knallers de straten eindelijk weer aan hun medemensen hebben vrijgegeven.

Gelukkig nieuwjaar!

In de ban van paars

Lieveheersbeestjes zijn er met rode en met gele schildjes. Alarm! zeggen die kleuren: ik ben giftig! Precies zo hangen er rode en gele reclameposters bij Etos. Alarm! roept het in mij, en ik ben geneigd de straat op te rennen, de giftige winkel uit. Maar ik was hier geloof ik om paracetamol te kopen, en shampoo. Het geel en rood schijnen bovendien niet bedoeld te zijn om klanten weg te jagen, maar om hen te vertellen dat ze één fles shampoo gratis krijgen als ze er twee kopen. Of dat een voordeel of een nadeel is, weet ik niet; het staat vermeld in witte letters tegen een knalrode achtergrond, die me verhinderen goed na te denken, en voor ik het weet loop ik met armen vol shampooflessen de winkel uit. Op straat blaas ik opgelucht de giftige gele en rode dampen uit mijn longen.

Ik moet aan mijn moeder denken, die is opgegroeid in een gezin met tien kinderen. Het was nog niet zo makkelijk om de aandacht van haar moeder te trekken, en daarom had ze een speciale strategie ontwikkeld. Als ze haar moeder iets wilde vragen en geen reactie kreeg, pakte ze haar brutaalweg bij de kin en draaide die naar zich toe, zodat er een moment lang oogcontact tot stand kwam. Of dat een inhoudelijk antwoord of alleen een geërgerde snauw opleverde, was van ondergeschikt belang; haar moeder had tenminste een kik gegeven, die speciaal voor haar was bedoeld.

Gisteravond in de auto doemde er in mijn ooghoek een bundel paarsheid op, zoals ik nog nooit eerder had gezien. Met een vriend reed ik in het donker over een verlaten landweggetje; hier en daar was er een gele of witte lantaarn zichtbaar, meer niet. Het was me onmogelijk om het plotselinge paars te negeren, al deed ik nog zo hartstochtelijk mijn best. Zo begon ik verwoed ‘hmmm hmmm’ tegen mijn vriend te hummen, mijn voorhoofd te fronsen en te knijpen met mijn ogen om mijn aandacht te fixeren op het onderwerp van ons gesprek: atonale muziek, en hoe hij daarmee als tiener al had kennisgemaakt, terwijl ik er nog steeds mee worstel.

Opeens schiet me – misschien onder invloed van het paars – een overleden vriend te binnen die, net als ik, een voorkeur had voor rust en orde, voor renaissance- en barokmuziek, en een hekel had aan de herrie en chaos van mensenmassa’s, bijvoorbeeld op Hoog Catharijne. Ook hij vond atonale muziek ongetwijfeld moeilijk, en ook hij werd vermoedelijk volkomen afgeleid als hij in het donker over het platteland zou rijden en zijn blikveld plotseling geheel zou worden gevuld met helder paars verlichte kassen.

Ik vertel het aan de vriend die naast me zit, en de auto bestuurt en tegen me praat alsof er niets aan de hand is, alsof er niet rechts naast ons zojuist een ufo van een andere planeet is geland. Ik haat dat paars! roep ik uit. Jij en ik voeren een geanimeerd gesprek, en ineens is het alsof iemand daar doorheen begint te tetteren, met zijn armen zwaait, aan mijn kin trekt, kortom: alles doet wat in zijn vermogen ligt om mijn aandacht te trekken. Dat vind ik onbeleefd, zelfs agressief. Zie je dan niet hoe agressief dat paars is? Hoe durft iemand – de eigenaar van die kassen – zich zo aan de rest van de wereld op te dringen?

Maar zodra ik mijn vurige tirade staak, merk ik hoe het paars me in zich op begint te slurpen. ‘Paarsheid, paarsheid’, voelt mijn lichaam, dat door de kleur wordt omringd als door een wolk, en door het paars heen waadt als door een plas water. Ik wórd paars, wat dat ook moge betekenen. Mijn vriend zit zwijgend naast me en laat me intiem alleen zijn met het paars, dat me ineens niet meer ergert, maar oneindig fascinerend is, als een muziekstuk of een filosofie over het bestaan, over het paarse gezicht van de werkelijkheid, een aspect dat ik altijd over het hoofd heb gezien. Alsof paars een eigen waarheid heeft, met de warme sensualiteit van roze, vermengd met een blauwe nostalgie naar verten.

Weet je, zegt mijn vriend even later, als er alleen nog een paars schijnsel door de bomen zichtbaar is, en het klinkt alsof hij me iets op wil biechten. De eerste keer dat ik hier ’s avonds voorbij reed, was ik zo gegrepen door dat paars, dat ik m’n auto in de berm geparkeerd heb om er een tijdlang naar te staren. Vind je dat raar? Zijn bekentenis raakt me, en ik ben even stil.

Ja, antwoord ik ten slotte. Jij bent dus net zo raar als ik.

Potentiële moeder

Mensen die met mij uit eten willen gaan, moeten de keuze van het restaurant aan mij overlaten. Natuurlijk mogen ze suggesties doen – ‘Kijk, dat tentje ziet er gezellig uit!’ -, maar vervolgens ben ík degene die haar neus om de hoek steekt om te inspecteren of er geen muziek aan staat, geen feestverlichting knippert en geen kinderschare of beschonken gezelschap door de ruimte tettert. Meestal moet ik mijn kompaan en de ons tegemoet snellende ober met een pijnlijke glimlach meedelen ‘dat we nog even verder kijken’, en voelt onze terugkeer in de stille avondlucht als een verademing. Hoe krijgen mensen een hap door hun keel met al dat geschreeuw, die stank, een radio? vraag ik me – na drie of vier mislukte pogingen – wanhopig af. Uiteindelijk belanden we vaak bij een traditionele Indiër of Chinees, met kleurloze liftmuziek die haast onmerkbaar langs je heen glijdt. Op doordeweekse avonden ben je daar met een beetje geluk de enige, zodat je je volledig kunt concentreren op het eten en de conversatie.

Het lijkt me vanzelfsprekend dat iemand zoals ik geen kinderen neemt, en – als ze ze per ongeluk tóch dreigt te krijgen – er alles aan doet om zich tijdig van ze te verlossen. Een kind kun je nu eenmaal niet dwingen om het grootste deel van de dag stil te zitten; je kunt het niet verbieden te gillen, opgewonden te praten, te huilen, je aandacht op te eisen. Ik zou permanent oordoppen dragen en geregeld in de verleiding komen om het op te sluiten in een schuur of op een rommelzolder (als ik die had); als het nog klein was zou ik, tijdens een wandeling, ineens de neiging kunnen krijgen om het bij het eerste het beste huis te vondeling te leggen, vooral als het langer dan tien minuten zou huilen.

‘Maar bij je eigen kind is het anders’, zeggen mensen tegen me, mijn moeder, een vriendin, een goede vriend. ‘Van je eigen kind kun je wel wat hebben. Dan heb je het ervoor over. Het wordt beter zodra ze naar school gaan’, et cetera. ‘Sommige mensen zijn nu eenmaal geschikter voor het moederschap dan andere’, sputter ik tegen, maar volgens hen ben ik juist heel geschikt. ‘Je bent zelf rustig, dus zul je waarschijnlijk ook een rustig kindje krijgen. En je moet zorgen dat de vader een zorgzaam type is, zodat je er niet alleen voor komt te staan.’ Kortom, redenen genoeg om ook als hypergevoelige einzelgänger zonder kinderwens aan kinderen te beginnen. ‘Je zult er versteld van staan hoe sterk je moedergevoelens zullen zijn. Eigenlijk gaat het vanzelf, wanneer het eenmaal zo ver is.’

Wat moedergevoelens betreft zouden ze nog weleens gelijk kunnen krijgen; in feite heb ik ze, ondanks mijn afkeer van gehuil en druk gedoe, zelfs al. Signaleer ik een kersverse ouder met een slapende baby in een draagzak, dan moet ik – meer nog dan als er een beeldschoon meisje of een intellectueel uitziende man passeert – mezelf bedwingen om niet ongegeneerd te gaan staren. Sta ik bij stoplichten of in de lift naast een mevrouw met kinderwagen, dan gluur ik voortdurend even in de veel te grote, ronde babyogen, en voel hoe ze op me blijven branden terwijl ik zelf mijn blik alweer heb afgewend, omdat ik niet wil toegeven hoe interessant ik baby’s vind – straks blijk ik nog een kinderwens te hebben, stel je voor!

Wat had ik afgelopen vrijdag dan in vredesnaam te zoeken bij de lezing in Perdu, gewijd aan ‘de poëzie en politiek van zwangerschap’? Waarom hoorde ik in de pauze jonge moeders uit over hun pijn bij het baren, hoeveel hun kind ’s nachts huilt, of ze nog weleens een boek kunnen lezen, of ze niet stiekem spijt hebben van hun keuze voor het moederschap? Vanwaar mijn vreugde om de tedere, soms rauwe gedichten die die avond werden voorgedragen, mijn verontwaardiging over de sfeerloze tl-verlichting in verloskamers, mijn ongeruste gevoel bij de verhalen over het medische geweld waarmee barende moederlijven in ziekenhuizen worden bedwongen? Waarom was het alsof dit alles mij aanging, terwijl ik toch allang en resoluut besloten heb dat zo iemand als ik onmogelijk moeder kan worden?

Eigenlijk kan ik maar twee antwoorden bedenken. Óf de biologie besluipt me en doet me beslissingen nemen, zoals het bezoeken van een lezing over zwangerschap, die me langzaam maar zeker in de richting van ‘mijn ware bestemming als vrouw’, het moederschap, zullen stuwen. Óf het is waar wat ik mezelf die avond voorhield: dat zwangerschap een universele levensmogelijkheid is, iets wat iedere vrouw – ook degene die besluit kinderloos te blijven – wezenlijk aangaat, en haar iets leert over de aard van haar creativiteit en seksualiteit. De feministische filosofe Luce Irigaray zei eens in een interview:

Elke vrouw, dat is belangrijk om op te merken, is potentieel moeder. Een kind baren is absoluut een heel bijzonder gebeuren, maar je kunt ook baren in je werk, in je relatie met anderen. Je kunt vrienden bemoederen. Je zou kunnen zeggen: net zoals de moeder óók vrouw is, heeft iedere vrouw, ook als ze niet daadwerkelijk een kind voortbrengt, een moederlijke dimensie in zich. Je moet die moederlijke dimensie losmaken van de materiële voortplanting.

Ik ben benieuwd welke vormen van moederschap het leven nog voor mij in petto heeft. En hoop maar dat ze niet al te bloederig en oorverdovend zullen zijn.

Recht op oordopjes

Ik ben geneigd het op te nemen voor al die mensen met oordopjes en Smartphones in de trein. In feite ben ik zelf een van hen. We zouden asociaal zijn, in onszelf gekeerd, bang voor contact, onverschillig zelfs. Misschien is dat ook zo. Toch is het niet zonder reden dat veel mensen ervoor kiezen hun eigen verschillig- heid een beetje in te dammen. In een volle spitstrein, waar iedereen opeengepakt staat, treed je ongevraagd het ‘aura’ van tientallen medemensen binnen, en heb je het geluk een plekje aan het raam te bemachtigen, dan flitsen de landschappen voorbij, schijnt soms de zon je fel in je gezicht, zie je bomen en sloten en huizen, industrieterreinen en stations. Terwijl de werkdag zelf nog moet beginnen, worden je geest en je lijf al met honderden sferen en impressies volgeschreven, die je ergens in je onderbewuste met je meedraagt, samen met al datgene wat zich daar in de loop van de dag, bijvoorbeeld op de werkvloer, mee vermengt.

Ja, ik snap die dragers van oordopjes wel, die door middel van zelfgekozen muziek hun eigen invloedssfeer creëren, een veilige cocon met een bepaalde stemming, die ze zich niet zomaar door hun omgeving af laten nemen, door de gefrustreerde of vermoeide blikken om hen heen, de benauwdheid van het opeengepakt staan. Ik ben vóór het recht om je in de publieke ruimte een beetje af te schermen, via een zonnebril of koptelefoon, een starende, niet bijzonder vriendelijke blik, waarmee je tegemoet komende passanten niet aankijkt, maar naarbinnen kijkt, langs de anderen heen, misschien zelfs van hen weg.

Natuurlijk, valt er een oude mevrouw, wordt er een toerist beroofd, word je getroffen door een persoon met betraande ogen of een ongelukkige blik, dan siert het je als jij degene bent die een helpende hand toesteekt of een aardige opmerking maakt. Want het zijn zulke incidenten die bewijzen dat we, ondanks onze beveiligende apparatuur en ons laagje onverschilligheid, geen robots zijn, maar mensen.

De klauwen van de stad

Meestal begint de dag licht; als een verleidelijke minnaar spoort de stad me aan me in zijn straten te begeven. Gemoedelijke toeristen uit alle landen strelen me met de klanken van hun taal, Italiaans, Zweeds, bekakt of juist heel working class Brits, de frisse wind een zachte kus als ik uit de metro stap. Het uitzicht vanaf de hoge bruggen over de grachten is het romantische gezicht dat Amsterdam, mijn nieuwe minnaar, graag van zichzelf laat zien, in het begin althans.

Ja, af en toe ontstaan er wel conflictjes tussen ons, een brommer die plotseling naar de stoep uitwijkt om een auto te omzeilen maar daarbij mij bijna raakt, een brede weg die ik nauwelijks durf over te steken, twee banen auto’s, in het midden taxi’s en trams, een en al getoeter terwijl ik pas halverwege ben, sirenes van een ziekenwagen… – ik overleef ternauwernood en verwijt mijn minnaar met nog nabibberend lijf dat hij soms zo onvoorzichtig met me omgaat.

Galerieën, excentrieke winkeltjes, een paard van piepschuim, spitzen in de etalage, 62 euro het goedkoopste paar, wordt me verteld wanneer ik informeer. Het zijn de cadeautjes waarmee mijn stad me overlaadt om het weer goed te maken. Echt waar, zie hoe hij probeert me te paaien: een zingend meisje in een bakfiets, geurende rozen tegen de gevel van een eeuwenoud pand, een rekje gratis mee te nemen afgedankte boeken.

Gul is hij, mijn tas wordt steeds zwaarder en mijn geest enthousiaster: wat zal ik om de hoek aantreffen? Hoe zullen de hofjes zijn die mijn stad me – via de plattegrond waarmee hij me leidt als met wenkende hand – heeft beloofd? Zal ik nog meer bijzondere galerieën vinden, een hedendaagse kunstenaar wiens werk me écht raakt? Ik watertand van intellectuele geilheid terwijl de stad in z’n handen wrijft: nu heb ik haar te pakken, ze is de mijne, helemaal!

En als een gulzig beest slaat hij, twee galerieën later, toe, zijn greep die van een wurgslang, nee, een octopus met duizend kronkelende armen. Duizendvoudig is het wat ik voel; via duizend openingen in mijn lichaam word ik opgevuld, ja, volgestouwd – het is ruw, het is verkrachting, het is de stad die zich als een bezitterige minnaar om me heen vouwt en me verplet met een oneindigheid aan kleur, beweging, schel geluid, sirenes, knipperlichten, bijna-botsingen, een knal.

Voorbijgaande lijven die langs me schuren, een schouder, een schouder, een trambel, een brommer, mijn zacht lichaam vermorzeld door luidruchtig grommende motoren overal, felgele uithangborden, penetrante shoarmadampen, geratel over rails, een gillend kind, een zwerver die iets van me wil, zigzaggende fietsen en brommers en auto’s, een onophoudelijke stroom die alle ogen en oren en lippen van mijn lichaam openrijt, ze bestormt als een leger soldaten, zwaarden met spiezende punten voor zich uit >>>>>>>>>>

En mijn blote huid wordt bewerkt tot een netwerk van bloedrode sneeën en rafels, in onzichtbare stromen sijpelt mijn leven erdoorheen. Mijn innerlijke batterij raakt leeg, het alarmlampje begint te knipperen… toe, geef me iets om vast te houden, me aan vast te houden… ontruk me aan de klauwen van mijn minnaar – hij verslindt me!

Thuis ontwaak ik – thuis, dat is de kleine kamer die ik in betere tijden gekscherend mijn ‘kloostercel’ noem. Hoe ik het heb bereikt herinner ik me niet, zoals een vrouw haar barenspijnen – bloed! messteek! bloedend leven door een snee! – vergeet; voor iets ondraaglijks bestaat geen referentiekader, dus nadien verglijdt het.

In de verte snurkt mijn minnaar grommend na, rookt hij bevredigd zijn sigaret van uitlaatgassen via auto’s voor mijn raam, steeds luider ronkend komen ze nader <<<>>> steeds zachter ronken ze de verte in.