Religie en genot

Toen ik als streng atheïstisch opgevoed meisje het christendom ontdekte, vond ik sommige aspecten daarvan een verademing. De wereld is een schepping van God, zegt die religie, dus vier de schoonheid ervan! De wereld is een tranendal, wordt er tegelijk gezegd, want zolang je leeft, ben je afgescheiden van God en moet je zwoegen om je staande te houden te midden van zwoegende, niet zelden elkaar tegenstre-vende anderen. Kortom: het leven is fantastisch en het leven is afschuwelijk tegelijk. De christelijke traditie kent evenzovele lofzangen als klaagzangen – voor iedere stemming wat wils. Daarmee biedt het tegenwicht aan de druk die velen vandaag de dag voelen om altijd gelukkig te zijn. Ontslagen te worden van die eis kan erg prettig en ontspannen zijn, en eerlijk.

Maar hé, met al die ruimte voor het lijden komt binnen het christendom – zoals bij de meeste religies – het genot in de verdrukking, vooral binnen de strenge varianten ervan. Je mag genieten van de schoonheid van de wereld, zegt kerkvader Augustinus, maar alleen als je daarbij tegelijkertijd beseft dat die schoonheid afkomstig is van God. Een genotservaring waarin God geen rol speelt of naar de achtergrond verdwijnt, leidt af van het allerhoogste en maakt dat je je gaat hechten aan iets aards, iets wankels en sterfelijks dus. Beter is het om onophoudelijk op de eeuwigheid geconcentreerd te blijven en voortdurend te beseffen dat het aardse iets voorbijgaands is, iets relatiefs. Omdat zintuiglijke genoegens minder ruimte voor Gods luister laten dan intellectuele, kun je beter van poëzie of filosofie genieten dan van seks, lekker eten of mooie muziek, genoegens die zo direct zijn dat er buiten de zintuiglijke sensatie zelf weinig anders bestaat.

En daarin verkies ik dan toch ons hedendaagse hedonisme boven het christelijke perspectief. Natuurlijk, genot moet niet ontaarden in verslavingen of excessief, milieuvervuilend consumptiegedrag. Het genot van de één mag niet ten koste gaan van de waardigheid van de ander, het welzijn van dieren of de balans in de natuur. Maar an sich is genot een herinnering aan de schoonheid van het leven, en het kortwieken ervan zou even vernietigend en kortzichtig zijn als het onderdrukken van verdriet.

Statement

Het heeft me decennia gekost om te wennen aan mijn gezicht. Of beter gezegd: aan het feit dat ik überhaupt een gezicht heb, een uithangbord dat een vleugje van mijn innerlijk voor de hele wereld zichtbaar maakt. Ik vond het zo gedefinieerd, zo’n gezicht, zo ongenuanceerd en afgebakend. Gaat er in mijn hoofd van alles om, een eindeloze stroom van tegenstrijdige gedachten, op mijn gezicht zie je alleen een frons, een schaap-achtige grijns, twee rode wangen. Het complexe innerlijk gereduceerd tot een roze lap huid met wat vet en pezen eronder, wat openingen erin en een bos haar rondom. De reflectie van mijn gezicht in de spiegel be-wees dat ik net zo tastbaar was als al het andere in de wereld, en ontkrachtte mijn illusie dat ik anders was, onbegrensder, grilliger. Ik leek op alle andere blonde meisjes van mijn leeftijd.

Nog concreter werd ik als ik mijn gelaatstrekken schilderde: een randje kool rond mijn ogen, een schreeuwende kleur op mijn lippen. Zonder make-up was ik ongedefinieerder, vond ik, onopvallender, witter, en juist daardoor gelijkender op een leeg canvas waarop nog van alles mogelijk is. Gelukkig hielp ook de rest van mijn uiterlijk mee: ik heb geen scherpe kaaklijn, maar een klein, onopvallend kinnetje, een neus die niet bijzonder groot en niet bijzonder klein is, niet krom, niet spits, maar behoorlijk neutraal. Langzaam begon ik te erkennen dat het me eigenlijk wel paste, die bleke ronde vorm in de spiegel, dat onbeschreven bladgezicht met die onuitgesproken trekken, waarachter mijn geheime innerlijk schuilging.

Toen bleek ik een bril nodig te hebben, en bleken neutrale brillen niet te bestaan: een bril, zo ontdekte ik, verraadt altijd de keuze van de koper, die modieus wil overkomen, artistiek of intellectueel, of uit wil stra-len dat hij niets om zijn uiterlijk geeft en kiest voor functionaliteit. Omdat ik die laatste drijfveer het meest sympathiek vind, koos ik een klein, functioneel exemplaar dat echter – zo meen ik als ik in de spiegel kijk – mijn gehele uitdrukking domineert en me tot een ernstig, degelijk meisje maakt. En dat bén ik, maar dat ben ik toch niet alléén? Oh, ik verlang naar een brilletje dat me opnieuw een onbeschreven blad laat zijn, zodat ik in potentie alles uit kan drukken maar mezelf niet bij voorbaat op iets specifieks vastpin.

Een bril is nog aanweziger dan een buitenboordbeugel of de grote gele oormerken van koeien: je kunt er niet omheen, zelfs niet als je je concentreert op de ogen van degene die je voor je hebt. Normaal gesproken zijn ogen het meest mysterieuze aan een levend wezen, vol stipjes en streepjes in allerlei kleurtinten die zich niet laten omschrijven, observerend maar niet verradend wie erachter schuilgaat. Ik wil het mysterie van mijn ogen bewaren, maar nu zijn ze ingelijst, gevangen, en maak ik – of ik nu wil of niet – met mijn gezicht een statement.

Sopraanstem

Natuurlijk, naturel, onopgesmukt – dat is het type schoonheid waar ik het meest van houd, zowel qua fy-sieke looks als qua zangstemmen. Popzangers met een wat geknepen, snerpend of overdreven kreunend geluid vind ik moeilijk te verdragen; doe mij maar zangers die schijnbaar moeiteloos, met een stem die nauwelijks van hun spreekstem afwijkt, mooie liedjes zingen. Hoe kan ik dan zo dol zijn op klassieke zang, een vorm van stemgeluid die bepaald niet natuurlijk is? Neem de countertenor, een man die – zoals de vroegere castraat – de toonhoogte van een hoge jongens- of vrouwenstem haalt, terwijl zijn spreekstem veelal een octaaf lager ligt en daarin niet afwijkt van die van andere mannen. Of de basstem, waarbij de natuurlijke diepte van een mannenstem extreem wordt uitvergroot.

Het was in mijn studententijd dat ik voor het eerst aan klassieke muziek, en dus ook aan klassieke zang, werd blootgesteld. Dat was erg wennen, en ik vond het niet onmiddellijk mooi. Ik geloof dat mijn liefde begon met de Franse countertenor Gerard Lesne, wiens ingetogen uitvoeringen van Scarlatti en Bach door mijn toenmalige geliefde voor me op een cd’tje waren gebrand. En met de Matthäus Passion door de Bach-vereniging, waarvan ik de generale repetitie bij mocht wonen, en waar sopraan Dorothee Mields indruk maakte met haar hemelse gelaatsuitdrukking tijdens het zingen. Zo hoog als zij zingen kon, kon ik dat eigenlijk ook? vroeg ik me af. Als kind stond ik erom bekend dat ik zo hoog en hard kon krijsen, vooral als ik aan het eind van een drukke dag overprikkeld was, maar ook toen ik een keer vanaf de eerste verdieping van de Eiffeltoren de aandacht van mijn moeder en zus op de grond wist te trekken met mijn snerpende gil.

In een parkje in de buurt van mijn studentenkamer besloot ik op een druilerige avond – dan zou ik vast geen andere wandelaars tegenkomen – te testen hoe het tegenwoordig met mijn stem gesteld was. En zo-waar, piepend en krakend bereikte ik zelfs de hoge C. Ik wist dat het nergens naar klonk, maar ik kón het; die hoge hoogte had al die tijd verborgen gelegen in mijn borst.

En dat is waarom ik klassieke zang wél kan waarderen en niet vind dat het met mijn ideaal van ‘natuurlijk-heid’ botst: het is een uitvergroting van onze natuurlijke hoogte of laagte. In het vervolg oefende ik iedere avond in het park, en niet alleen bereikte ik de hoge noten met steeds meer gemak; ook was na iedere sessie mijn spreekstem een stukje hoger geworden. Ik ervoer mijn oefeningen als een duikactie: vanuit de diepte haalde ik mijn ‘ware stem’ naar de oppervlakte, die natuurlijk nog fragiel klonk en onvast, maar die toch iets over mezelf onthulde en me dichter bij mezelf bracht. Ook voelde ik me lichter als ik zong, alsof de hoge frequentie van mijn uitgewasemde lucht de zwaartekracht neutraliseerde. Geen idee hoe dat werkt bij man-nen die met een tenor- of basstem zingen, maar voor mij als sopraan riep het zingen onmiddellijke associ-aties met vliegen op, zoals ook paardrijden dat in mijn jeugd had gedaan: het ver boven de grond op een machtig wezen heen en weer wiegen. Net als Dorothee Mields hield ik ervan om te wiegen tijdens het zin-gen, en het maakte me niet uit hoe dat er voor anderen uit zou zien: zingen was iets van mij alleen, iets heel intiems, geen kunstvorm maar een vorm van meditatie.

Ook het luisteren naar professionele sopranen, degenen die zich hun ware stem volwaardig toegeëigend hebben, geeft me de illusie dat zij me mijn eigen stem openbaren in haar ware gedaante, en een voorproefje bieden van hoe hoog een mensenziel vliegen kan.

Behoefte aan tederheid

‘Ons vertedert op de eerste plaats alles wat door zijn aard fragiel en kwetsbaar is: het kleine kind, de weerloze medemens, het “gevoelige hart”, een slapend mens. Al wat teer is, heeft het vermogen ons teder te stemmen’, schrijft Ton Lemaire. Ik pak zijn filosofisch-poëtische essay De tederheid, waardoor ik totaal overrompeld was toen ik het jaren geleden las, er weer eens bij, want mijn universum stroomt deze dagen van tederheid over. Mijn ‘universumpje’, kan ik beter schrijven, want het zijn twee minuscule beestjes die mijn hart zo week hebben gemaakt, die me kluisteren aan mijn kleine woning en maken dat ik op mijn tenen door de kamer sluip, deuren en kastjes bijzonder behoedzaam dichtdoe, de muziek heel zachtjes zet, een fluisterstem opzet en ook anderen maan zachtjes te spreken. Het zijn twee jonge konijntjes die me doen overstromen van voorzichtigheid.

Wat hebben tederheid en voorzichtigheid met elkaar te maken? Nou, het is het besef hoe mijn grote, lompe voeten hun kleine, behaarde lichaampjes zouden kunnen vermorzelen, en mijn diepgevoelde afkeer bij die gedachte. Het is ook de fascinatie dat zoiets breekbaars tegelijk zo levenslustig is, zo springerig en glanzend en gezond, en de wens die vitaliteit vrij te laten bloeien, niet te knakken. Het is het verlangen om hen zacht te strelen en daarbij niet aan het schrikken te maken; om even afstand van mijn eigen lompheid te doen, die zo botst met hun verfijning. Mijn tederheid doet hun kleinheid bezit van mijn eigen grootheid nemen, en maakt dat ik alle uitwassen van die grootheid – onbehouwen bewegingen, een harde lach – overboord wil gooien om hen niet van angst te doen verstijven. Vertedering is conservatisme: laat hen altijd zo mooi en klein en onbezorgd blijven, en laat mij daar deelgenoot van zijn.

Tederheid is bepaald niet onzelfzuchtig. Het is zo’n heerlijk gevoel, dat genieten van een leventje dat kleiner en zwakker is dan je zelf bent, dat je je dat zwakkere leven toe zou willen eigenen, al is het slechts door het af en toe voorzichtig aan te raken of er van een afstandje naar te gluren. Dat deze konijntjes rondsnuffelen in een ren die het grootste deel van mijn woonkamer in beslag neemt, is geen kwestie van liefdadigheid. Dat ik dagenlang konijntjes aan het vergelijken was op Marktplaats en uiteindelijk de twee schattigste bestelde, was een vorm van weloverwogen consumptiegedrag. Ik hoopte ermee tegemoet te komen aan mijn diepe behoefte aan vertedering, een behoefte die me plotseling is overkomen en me nog altijd een beetje verrast.

De tederheid ontwaakte toen ik vorig jaar door kleine kikkertjes omringd werd op het bospad en besloot een paar van hen mee te nemen naar huis om te observeren in een glazen bak. Het is dezelfde tederheid waarmee ik dit jaar de lente verwelkomde en dan vooral de fragiele, pasgeboren blaadjes met hun zachte, behaarde randjes. Maar de lente gaat voorbij, en de kikkertjes liet ik al na enkele dagen vrij – ze aten niets, en ik wilde het niet op mijn geweten hebben hen te laten sterven. Er moest iets anders komen, iets zachts en levends dat me eindeloos zou fascineren zonder al te opdringerig te zijn. Een kind of hond of kat, dat zou niet in mijn leven passen, alleen al omdat ze een stem hebben en daarmee behalve vertederend op den duur ook ergerlijk zijn.

Konijntjes werden het dus – beeldschoon en ‘net echt’, waarmee ik bedoel dat je zulke beestjes ook buiten in het bos zou kunnen tegenkomen. Een stukje echte natuur, echte lente in huis, altijd hun vachtje binnen het bereik van mijn vingers, hun rondspringende, zich wassende of uitgestrekt liggende lijfjes in mijn blikveld. Voortaan altijd in mijn leven die oproep om zacht te zijn, te fluisteren, behoedzaam te bewegen – daaraan gehoor geven doe ik blijkbaar maar al te graag.

Vier betekenissen

Mijn vingers hebben deze dagen vier betekenissen.

1. Ze zijn verzamelaars van bacillen die aan knopjes van stoplichten, trapleuningen en winkelmandjes kle-ven, in staat om die in mijn gezicht uit te smeren als ik nonchalant langs mijn neus strijk, in mijn oog wrijf, aan mijn bovenlip pulk. Vingers zijn in tijden van corona, kortom, gevaarlijke ziekteverspreiders, zoals ratten dat waren in tijden van de pest. Vooral de vingers van anderen zijn verdacht, maar naarmate je langer zonder handenwassen buitenshuis vertoeft ook die van jezelf.

2. In het bos, waar de recent begonnen lente het beste zichtbaar is, mogen de diep in mijn zakken begraven vingers eventjes tevoorschijn komen, als blaadjes die naarbuiten breken uit hun knop. Met mijn vingers reik ik naar die knopjes, vingers die ineens gulzige verlengstukken van mijn ogen zijn, bevrijd van de re-stricties van de hygiëne, want die maagdelijke, zich als harmonica’s uitvouwende pasgeboren blaadjes, felgroen en vettig van het levenssap, heeft vast nog niemand met corona aangeraakt.

3. Op de huid van mijn geliefde, die ik nu al een jaar als ‘mijn nieuwe geliefde’ bestempel, want de lente van onze liefde gaat maar niet voorbij, zijn mijn vingers wéér anders: geen verlengstuk van mijn ogen, maar een verlengstuk van mijn hart, alle tederheid die ik in me heb uitstralend naar en inknedend in dat harige, dier-bare oppervlak. Ineens lijken vage, esoterische theorieën over ‘energiebanen’ en ‘liefdesstraling’ heel con-creet.

4. De saaiste betekenis van mijn vingers is tevens de nuttigste, namelijk mijn vingers als degenen die de kraan opendraaien en zich in een washand wurmen om me ’s morgens op te frissen, degenen die mijn haar inzepen, mijn broodje met dunne plakjes banaan beleggen en havermoutvlokken door de melk heen roeren, degenen die mijn computer aanzetten en even later ratelend over het toetsenbord dansen, mijn gedachten vertalend naar letters op het stralend witte scherm. Mijn vingers die stiekem tussendoor steeds eventjes over het gladde, vettige glas van mijn Smartphone strelen, maar zonder dat het iets sensueels heeft, zelfs niet als ik met mijn nieuwe geliefde chat. Het grootste deel van de dag zijn mijn vingers elegante, trouwe dienaressen die zich nuttig maken en non-stop in actie zijn, al blijven ze zelf volstrekt onopgemerkt.

Muzikale pelgrim

Ben ik de allerlaatste die een interview met Reinbert de Leeuw (1938-2020) gehouden heeft? Het lijkt erop. Ik bezocht de hartstochtelijke pianist, dirigent en componist op 23 januari in zijn appartement naast het Vondelpark. Drie weken later, op 14 februari, overleed hij, voor velen – ook voor mij – volstrekt onver-wachts. Dat hij al langere tijd ziek was, wist ik niet, hoewel hij tijdens onze laatste gesprekken zwakjes overkwam en af en toe sprak in halve zinnen. De ouderdom, dacht ik.

Maar zijn vurigheid was geenszins verminderd: hij vertelde nog altijd over hem dierbare componisten als waren het muzikale pelgrims of platoonse zieners die iets onzegbaars op het spoor gekomen waren en dat naar concrete composities toe probeerden te vertalen. ‘In het hoofd van de componist moet een oervorm van de muziek bestaan en in zekere zin kun je zeggen dat de notatie al een transcriptie is van wat er in het hoofd van de componist gebeurt’, zei Reinbert eens tijdens een lezing. De kunst van hemzelf als uitvoerder – als dirigent, als pianist – was om die platoonse idee áchter de partituur aan te raken en in concrete klan-ken om te zetten, adembenemende, verstilde. Reinbert was er heel duidelijk over dat muziek voor hem iets met mysterie te maken had:

Wat is toch het geheim waardoor sommige composities je zo kunnen raken? Er zijn van die stukken waarnaar ik altijd maar weer terug wil, die ik wil herbeleven. Wat doet de componist daar? Wat is de reden dat het me zo ontroert, zo aanspreekt? Dat is waarover je meer te weten probeert te komen, dat is die zoektocht. Uiteindelijk zal je het nooit kunnen oplossen, je kan het nooit precies pakken. En dat is natuurlijk ook het fascinerende eraan. Dat is de magie van de muziek, het grote raadsel.

In veel van Reinberts favoriete muziek wordt ‘alle intensiteit en expressie samengebald in een paar noten’, zoals bij de late Liszt, bij Satie of bij Schönberg en Webern in hun zoekende middenperiode, toen ze reeds atonale muziek componeerden, maar nog niet volgens het cerebrale twaalftoonsysteem. Het was over deze periode van de Tweede Weense School dat hij en ik de laatste keer met elkaar spraken. De maanden hierna zouden we het nog hebben over andere belangrijke thema’s en stromingen uit de twintigste-eeuwse muziek: de Franse klankbeleving, de naoorlogse avantgarde, de Russische ziel van Goebaidoelina en Oestvolskaja, wier muziek een soort ‘beuken op de poorten van de hemel’ is.

Helaas is Reinbert er niet meer, zodat onze gespreksreeks in klassieke muziektijdschrift Luister voortijdig tot een einde is gekomen. Mijn uitwerking van ons laatste gesprek zal verschijnen op 6 maart, en in april publiceert Luister mijn analyse van Reinberts muzikale wereldbeeld en zijn streven naar intensiteit.

Eerdere interviews die ik met Reinbert heb gehouden kun je teruglezen via de volgende links:

Innerlijk vuur

Het vuur van andere mensen kan overweldigend zijn. Ik herinner me een ontmoeting in de bibliotheek van Utrecht, waar ik rond mijn twintigste bijna dagelijks zat te studeren en vaak nieuwe mensen leerde kennen. Dit keer was het een jongen die een paar jaar ouder was dan ik, geen studie had afgerond en vastbesloten was om als een bohemien door het leven te gaan, vol kritiek op de burgermaatschappij, geldzucht, vaste banen en monogamie. ‘Het leven is een ontdekkingsreis’, verkondigde hij, wat ik beaamde. Maar toen ik suggereerde dat er meerdere onderzoeksmethoden zijn, en dat nieuwsgierigheid en het verlangen naar een zekere stabiliteit in het leven elkaar misschien niet hoeven uit te sluiten, had ik het helemaal mis, zo meen-de hij, want stabiliteit corrumpeert en stompt af. Nog een halfuur ratelde hij tegen me aan over zijn plan-nen om de wereld rond te reizen en over zijn tijdelijke vriendinnetjes. ‘Vrijheid is het allerhoogste!’

De jongen stond me al snel verschrikkelijk tegen, omdat hij nauwelijks luisterde naar mij. Toch was ik on-der de indruk van zijn haast manische energie en zijn naïviteit tegen de klippen op. Onze ontmoeting vond bijna tien jaar geleden plaats; ik ben benieuwd wat er inmiddels van hem is geworden, en hoeveel vuur hij heeft weten te behouden. Ja, innerlijk vuur, soms grenzend aan het manische, heb ik altijd aantrekkelijk gevonden in mensen, misschien omdat ik me zelf zo gemakkelijk op laat jutten door heftige, ‘brandende’ types, een soort toortsen die het vlammetje door kunnen geven aan anderen – mits ze die ander natuurlijk een zekere ruimte laten, en hem niet met hun manische over-aanwezigheid verpletteren, zoals de jongen in de bibliotheek deed met mij.

Als student was ik heel vaak verliefd – op mannen, maar ook weleens op een auteur (Heidegger, Dostojev-ski), componist (Bach) of kunstenaar (Rembrandt, Bellini). Het maakte niet eens zoveel uit waarop, maar mijn verliefdheid was een vlam die me permanent een lichte opwinding bezorgde, een onrust die alleen te bevredigen viel door me langdurig aan de man, auteur of kunstenaar in kwestie te laven, via romantische nachten, obsessieve, kluizenaarachtige studieperiodes of museumbezoek in het buitenland – dat móest, ik móest die drift bevredigen, die innerlijke gulzigheid. Vaak kon ik er niet van slapen, maar dat vond ik niet zo erg, want verteerd worden door verliefdheidsvuur is een verrukkelijk gevoel.

Nu ik een geregelder, ja, stabieler leven leid, is het vlammetje zwakker geworden – daarin had de jongen uit de bibliotheek gelijk. Voor innerlijk vuur is een zekere roekeloosheid vereist, de bereidheid om los te laten wat je hebt bereikt. En dat gaat steeds lastiger naarmate je meer hebt opgebouwd en beter beseft hoe kwets-baar je als mensje eigenlijk bent, hoe schrijnend geldtekort en eenzaamheid zijn, en hoeveel een prettige woonplek, leuk werk en een trouwe geliefde je waard zijn. Helaas wordt het innerlijk vuur er zwakker van, de manie, de waan dat alles mogelijk is, als je maar bereid bent het roer radicaal om te gooien. Dat ik daar-toe niet zomaar meer bereid ben, gaat ten koste van de woeste, onstuimige fantasieën die mijn hart als jong meisje sneller deden kloppen.

Gelukkig kom ik ze nog steeds weleens tegen, brandende mensen, zoals mijn artistieke tante uit Amsterdam, die me laatst vertelde over haar verlangen naar meer contact met gelijkgestemden, een hevige behoefte die haar ogen deed opvlammen en haar stem iets heel indringends gaf. We haalden herinneringen op aan vroegere ontmoetingen, aan wilde dansavonden, aan de gloed die je bij zulke gelegenheden door je heen voelt gaan, momenten van vrije expressie, nieuwe input, innige interactie met de werkelijkheid. Al pratend laaide het vuur in ons allebei op, en ik vond het heerlijk om te ervaren dat ik niet de enige was met zulk verlangen naar verliefdheid, met zo’n smeulend vlammetje dat erop wacht te worden aangeblazen.

Ook bij schrijfster Esther Gerritsen zag ik het innerlijk vuur gloeien op een heel aanstekelijke manier, namelijk toen ze in het interviewprogramma Adieu God aan Tijs van den Brink vertelde over de religieuze gevoelens die haar – ondanks zichzelf – in de ban begonnen te krijgen. Ik geloof dat het glas rode wijn in haar hand Gerritsen hielp om de camera’s – de glurende ogen van de Nederlandse bevolking – te vergeten, zodat ze vrijuit durfde te spreken, een woordenvloed zo onstuimig, zoekend en ongestileerd als je maar zel-den op televisie tegenkomt. Ik laafde me aan haar hulpeloze zoektocht, een gebeuren dat zich spontaan aan haar voltrok en waarvan ze – eerlijk, onbehouwen – getuigenis aflegde, niet-wetend waarin het uit zou gaan monden. In een bekering naar een traditionele vorm van godsgeloof? Of was dit slechts een tijdelijke fase die, op een onbewust niveau, verband hield met het nieuwste boek dat ze aan het schrijven was, waarin een religieus personage voorkwam? Deed ze, kortom, aan artistieke research? Gerritsen had geen flauw idee, maar liet de gelovige gevoelens over zich komen, zonder zich ergens aan vast te klampen – aan een dogma, voornemen of voorspelling – of zich ergens tegen te verzetten. Ook dat is roekeloosheid.

Uitbreekervaring

Mensen die bang zijn voor vuurwerk, weten niet goed met hoevelen ze zijn. Terwijl tegenstanders van Zwarte Piet ieder jaar tijdens de intocht van Sinterklaas de straat opgaan, blijven mensen met knallenangst juist veilig binnen, ongezien en ongehoord, zodat niemand zicht heeft op de omvang van het knallenpro-bleem in Nederland. Hoeveel mensen ervaren Oud & Nieuw – en de weken ervoor en erna – als een periode van gedwongen huisarrest en eenzaamheid? Zouden het enkele honderden zijn, enkele duizenden, enkele tientallen duizenden?

Het nieuwe jaar begint pas écht als – ergens in de loop van januari – de laatste knal heeft geklonken, en íedereen weer de straat op kan: hondenbezitters, mensen met de gevoeligheid van honden, ouderen, autis-ten, mensen met hersenletsel, kleine kinderen, et cetera. Eigenlijk zouden wij vuurwerkhaters samen moe-ten komen en protestgroepen moeten vormen, maar we zijn te blij: als koeien zijn we die de hele winter op stal hebben gestaan en eindelijk weer frisse lucht kunnen opsnuiven, rondlopen en -rennen zonder angst, gekke sprongen makend, de ledematen strekkend en de vrijheid vierend, waarvan we – nadat die een paar weken drastisch ingeperkt was – ten volle beseffen hoe oneindig waardevol die is.

Mijn eigen nieuwjaar begon op 3 januari, toen ik me – enigszins aarzelend – naar Amsterdam begaf en het vuurwerk slechts een vaag oorlogsgeraas in de verte was, niet dichtbij genoeg om me terug mijn holletje in te jagen. De rijk gedecoreerde bakstenen gevels van grachtenpanden, de boekhandels, de expositieruimtes – alles heette me stralend welkom, ook al was de lucht grijs en sloegen de wind en de regen tegen me aan. Straten ademden weer mogelijkheid en ruimte, geen dreiging en kabaal, en ik moest mezelf bedwingen om geen huppelpasjes te maken en niet ‘De wereld is van mij!’ te zingen.

Het was zo’n typische uitbreekervaring, die iedereen wel kent die ooit een scriptie of boek heeft geschreven, of om wat voor reden dan ook een periode te weinig buitenshuis is geweest, onder de mensen. Als je dan plotseling wordt meegezogen in de dynamiek van de stad, in de vibe van een dansfeest, in een levendig gesprek of de armen van een aantrekkelijke man, dan is het – zoals mijn Amsterdamse tante beschreef – alsof het vlammetje vanbinnen weer wordt aangestoken, het vlammetje dat levende mensen van zombies onderscheidt, mensen met hartstocht van mensen die vergeten zijn hoe fris en spannend en sappig het leven eigenlijk is. Het is een ervaring van lente, die echter op ieder moment van het jaar kan plaatsvinden. Voor vuurwerkangstigen komt dat moment ergens in januari, als zelfs de fanatiekste knallers de straten eindelijk weer aan hun medemensen hebben vrijgegeven.

Gelukkig nieuwjaar!

Muziek als stemvork

Als student was ik altijd naarstig op zoek naar voorbeelden: mensen die niet alleen, zoals de meeste van mijn studiegenoten, in de boeken doken voor zover dat nodig was om hun tentamens te halen, maar échte intellectuelen, die lieten zien dat studeren een levenslange liefde en een manier van leven kan zijn. Grappig genoeg bleken sommige van mijn favoriete intellectuelen, waaronder een antiquaar die literatuur en kunst-boeken verkocht en bijna alles weleens leek te hebben gelezen, en een vertaler die zich soms maandenlang als een kluizenaar kon onderdompelen in de wereld van zijn favoriete schrijvers, uiteindelijk de voorkeur te geven aan muziek boven boeken. Muziek gaat nog dieper, vonden ze allebei, en verklankt meer raadselen en nuances dan ooit in taal kunnen worden uitgedrukt. De boekhandelaar verkocht trouwens ook tweedehands cd’s en de vertaler speelde dagelijks urenlang viool.

Zelf begreep ik niet goed hoe je, als denkerig type, meer van muziek dan van boeken kunt houden. Ook ik was weliswaar een groot muziekliefhebber: soms zat ik wel twee keer per week in het Concertgebouw, en tijdens de Zaterdagmiddagconcerten in de Domkerk ontdekte ik graag religieuze componisten uit de barok en renaissance. Klassieke muziek bracht me in wonderlijke stemmingen die ik nooit eerder had verkend, en wakkerde – vooral Bach – mijn verlangen aan naar transcendentie, naar een diepe duik in het mysterie van het bestaan. Toch bleef ik na het luisteren altijd een beetje onbevredigd achter, want wat de muziek me had gebracht kon ik niet in gedachten vatten en daardoor niet vasthouden, herkauwen of overdenken, iets wat me wél lukte met de ideeën die me via boeken en colleges werden aangereikt. Composities lieten me iets voelen, suggereerden iets, maar waren te ijl om houvast te kunnen bieden of mijn wereldbeeld drastisch te veranderen, zoals Sein und Zeit van Heidegger en Misdaad en straf van Dostojevski wél hadden gedaan.

Uiteindelijk leerde ik muziek te gebruiken als een stemvork om mijn geest af te stellen op de filosofen die ik bestudeerde. Zo hielpen Haydn en Mozart me om in de stemming te komen voor opgeruimde verlichtings-denkers zoals Hume en Kant, terwijl Beethoven en de romantici me klaarstoomden voor Schopenhauer en Nietzsche, en Bach me hielp om dieper door te dringen in de geloofsbeleving van Kierkegaard, Luther en Augustinus. Pas na mijn studie ben ik muziek gaan beschouwen als doel op zich: de stemming waarin een muziekstuk je brengt, hóeft niet per se intellectueel onderzocht en uitgediept te worden, maar kan ook op zichzelf bestaan, en mag gerust wegebben als het concert of de cd is afgelopen; eventueel zet je je cd-speler op repeat om het bewuste gevoel iets langer vast te houden.

Toch lukt het me niet altijd om zo gelaten met muziek om te gaan. Zo nu en dan, bijvoorbeeld tijdens het beluisteren van de cellosuites van Ernest Bloch die ik onlangs heb ontdekt, speelt mijn intellectuele bezit-terigheid weer op en wil ik meer grip krijgen op de muziek – niet alleen met mijn gevoel, maar ook met mijn verstand. Wat betekent die wonderlijke vermenging van Bachs esthetiek, moderne grilligheid en joodse melancholie die ik in Blochs muziek ontwaar? Hoe kan ikzelf meer vanuit dat bijzondere gevoel – een soort seculiere spiritualiteit – gaan leven, en welke boeken en gedachten helpen me daarbij?