Techniek en gevoel

Technische vaardigheid is natuurlijk een belangrijk aspect van het maken van muziek. Toen ik een jaar in België woonde, ontdekte ik dat het degelijke muziekonderwijs daar wordt gesubsidieerd door de overheid. Jonge kinderen leren niet alleen een instrument te bespelen, maar worden bovendien getraind in het sys- teem van muzieknotatie, het herkennen van klanken en de logica van akkoorden.

Tijdens de pianolessen uit mijn eigen jeugd is de technische kant van muziek nauwelijks aan de orde geko- men. Veeleer studeerde ik (veel te ingewikkelde) muziekstukken in aan de hand van cd-opnames. Want had ik een melodie maar vaak genoeg gehoord, dan lukte het me – met veel inspanning weliswaar – om de juis- te vingerzettingen af te leiden uit de bladmuziek. Ritme, dynamiek en tempo vulde ik daarbij volledig in naar eigen smaak; zelden lette ik erop of een bolletje wel of geen stok had, wit of zwart was, en hoeveel tellen de genoteerde rusten moesten duren. Ik telde überhaupt niet, maar wiegde met mijn lichaam heen en weer en plooide de muziek naar mijn gemoedstoestand. Nog steeds leer ik partituren het liefst uit mijn hoofd, zodat ieder liedje een ‘riedel’ wordt, die ik in één adem en geheel gedachteloos kan spelen. Maak ik halverwege echter een foutje, dan wordt de flow onderbroken en moet ik helemaal opnieuw beginnen.

Soms ben ik jaloers op de pianovirtuozen die je weleens op stationspiano’s hoort spelen. Dat ik mezelf met hen vergelijk, komt doordat ook zij ‘gewone mensen’ zijn, die in hun jeugd een periode pianolessen hebben gevolgd, maar geen professional zijn geworden. Schotel je hen wat bladmuziek voor, dan hebben ze die – zo stel ik me voor – al binnen een kwartiertje in de vingers. Toch begin ik me steeds meer te realiseren hoe belangrijk niet alleen techniek, maar ook gevoel is bij het maken van muziek.

Laatst zat er op Utrecht Centraal een mooie Aziatische vrouw, met golvend zwart haar en een nauwsluitend glitterjurkje, nocturnes van Chopin te spelen, gevolgd door zijn befaamde Fantasie Impromptu. Vrijwel alle noten speelde ze correct, maar haar vingers raasden gehaast en behoorlijk staccato over de toetsen, zonder af en toe te versnellen of vertragen, of fortissimo met dromerige zachtheid af te wisselen. Na haar nam er een slungelige student achter de openbare vleugel plaats, waarop hij alle delen van Beethovens Für Elise ten gehore bracht, niet alleen het gemakkelijke, al te bekende begindeuntje. Zijn technische vaardigheid was indrukwekkend, maar ik moest hard mijn best doen om de lyriek er – al luisterend – zelf in te leggen.

Aangeboren mineur

Het woord ‘stemming’ kan zowel op mensen als op muziekinstrumenten slaan. Een gitaar wordt in mineur of in majeur gestemd, waarna iedere melodie zwaarmoedig of juist optimistisch klinkt. Ik geloof dat ook mensen een ‘gestemdheid’ hebben, een aangeboren grondgevoel, dat al hun activiteiten en denkbewegingen doortrekt, en dieper gaat dan hun kortdurende gevoelens aan de oppervlakte. Wat muziek betreft is het niet ongebruikelijk om een voorkeur voor toonladders in mineur te hebben, maar in de sociale interactie geldt majeur (een glimlach en een zorgeloze houding, enthousiaste verhalen, ‘Het gaat goed hoor, en met jou?’) als ongeschreven norm.

Voor mij is het altijd bevrijdend om naar een muziekstuk in mineur te luisteren, omdat het me uitnodigt niet langer tegen het mineur van mijn eigen ziel te vechten. Ook de zoekende teksten van Clarice Lispector, vol ontheemdheid en verwondering, hebben die uitwerking op mij. Ik zie erin het bewijs dat mineur niet per se monotoon en zeurderig hoeft te zijn, maar dat het, indien gecultiveerd, de prachtigste melodieën en diepste ontroeringen teweeg kan brengen.

Juffrouw Engelenhaar

Mijn middelbare school bood weliswaar gymnasium aan, maar in de praktijk stelde de afdeling Grieks en Latijn weinig voor. Docenten kwamen en gingen, omdat ze niet tegen ons lompe plattelandskinderen opge- wassen waren. Veel classici zijn immers mensen met een zekere introversie en verfijning, die meer van hun vak dan van ongeïnteresseerde tieners houden. Eén lerares, die we juffrouw Engelenhaar noemden, hield het een jaar of twee met ons uit. In het begin hoefden we nog geen grammaticale uitgangen en woordjes te stampen, maar kregen we Klassieke Culturele Vorming (KCV), een vak waarbij zelfs de grootste pestkoppen ingespannen luisterden, zodat geen van de intriges en gruweldaden van de Griekse goden hen zou ontgaan.

Ik herinner me dat we op de eerste schooldag een overzicht van het Griekse alfabet kregen, waarvan we de uitspraak oefenden en de exotische tekens in ons schriftje moesten noteren. De volgende dag had ik de vier- entwintig letters al enthousiast uit mijn hoofd geleerd; ze klonken, als je ze achter elkaar opdreunde, als een liedje, en het was alsof mijn werkelijkheid plotseling met een tijdsspanne van enkele millennia was uitge- breid. Ook kwam ik voor het eerst met het concept ‘eeuwigheid’ in aanraking, want de Griekse goden waren onsterfelijk, zo leerden we. Zelfs nadat ze opgegeten waren door hun vader, konden Hestia, Demeter, Hera, Hades en Poseidon in levenden lijve door hun jongere broer Zeus uit de ouderlijke buik worden bevrijd.

Juffrouw Engelenhaar droeg vaak een oversized lichtpaars colbertjasje met schoudervullingen, een nét iets te korte lange broek (‘hoog water’, giechelden de hipste meisjes) en doorschijnende, etherische paarsblauwe shawls. Haar lange, enigszins vette blonde haar golfde in sierlijke strengen over haar schouders. Ook haar gezichtshuid was vettig en glom een beetje. Ze had een gevoelig, rond gezichtje met een kleine neus, dat ik me nog altijd levendig voor de geest kan halen. We hebben immers urenlang geboeid naar haar gestaard terwijl ze voor de klas over de liefdesavonturen van Zeus en de omzwervingen van Odysseus stond te ver- tellen. Veel indruk maakte de manier waarop ze de abstracte Griekse scheppingsprincipes bij ons introdu- ceerde, zoals de Chaos van het oerbegin, waarvan ze de onherbergzaamheid met veel pathetiek in haar stem invoelbaar wist te maken.

Uit Chaos ontstond Gaia (de aarde), en samen brachten zij Ouranos (de hemel) voort, die bij Gaia een hele schare goddelijke kinderen verwekte. Zoon Kronos castreerde vervolgens zijn hemelse vader om zelf de machtigste te worden, en wierp de afgehakte genitaliën in zee. Uit het opspattende schuim werd wonder- lijkerwijs Aphrodite geboren, de beroemde godin van de schoonheid en de liefde. Wij leerlingen luisterden met rooie oortjes naar de talloze voortplantings- en castratieverhalen, en deden ons uiterste best om ons een schoonheid zo groot en bovenmenselijk als die van Aphrodite voor te stellen. In die tijd hing er een poster van de goudharige liefdesgodin boven mijn bed, waarop ze staande in een schelp (een metaforische verwijzing naar de vagina) uit zee oprijst, voortgeblazen door de windgoden Zephyr en Aura.

Maar toen de mythologie-uurtjes veranderden in grammaticalessen, waarbij we rijtjes moesten leren (ὁ δоῦλος, τὸν δоῦλον, τοῦ δоύλου, τῷ δоύλῳ, ὦ δоῦλε) en ingewikkelde zinsconstructies vertalen, werden we opstandig, en uiteindelijk hebben we juffrouw Engelenhaar weggepest. Ik geloof niet dat ik daar persoonlijk aan heb bijgedragen, maar ik voelde dat ze ons – vierentwintig gymnasiasten – steeds meer als één massa zag, een muur van desinteresse en bedreiging. Haar wangen werden steeds vaker rood, haar stem klonk met de dag zachter en kon plotseling hysterisch door de klas heen schallen, in het wilde weg straffen uitdelend. Die brachten zelden iets teweeg: werd iemand eruit gestuurd, dan bleef diegene gewoon op zijn plek zitten, of ging gekke bekken trekkend voor het raam van het klaslokaal staan, wat een serieuze voortgang van de les onmogelijk maakte. Meerdere keren verliet ze huilend het lokaal, en op een dag bleef ze voor altijd weg.

Er kwam een andere docent, die naar angstzweet rook, een verkrampt gezicht had en meestal zwijgend voorin de klas zat – als we vragen hadden, moesten we zelf maar bij haar komen. We noemden haar ‘Stinky’ of ‘Melaatse’, want ze had putjes in haar wangen. Toen ‘Stinky’ was vertrokken, kregen we meneer Mol voor Latijn, een man met een lijzige stem en een tragische blik in zijn ogen. In eerste instantie slaagde hij erin ons te prikkelen met de romantische gedichten van Catullus (Odi et amo, ‘Ik haat en ik bemin’), maar aan- gekomen bij de plechtige Horatius was hij onze aandacht alweer kwijt. Het jaar na ons eindexamen schijnt ook hij te zijn vertrokken, wegens overspannenheid.

Zonder zwembroek

Zijn puberteit is nog niet aangebroken, maar een kleine jongen is hij toch ook niet meer. Daarom is het des te opvallender dat hij naakt over het strand dartelt, volkomen ongegeneerd. Hij is met zijn vader, die wel een zwembroek draagt, aan het badmintonnen; er staat weinig wind. Vanuit de strandtent waar ik zit, zie ik hem af en toe mijn blikveld binnen rennen, waaruit hij vervolgens snel weer verdwijnt, achter de veder- lichte shuttle aan.

Na afloop van het spel draalt hij verveeld rond zijn familieleden, van wie enkele zojuist uit zee gekomen zijn en zich staan af te drogen. Nonchalant neemt hij allerhande charmante poses aan, met afwisselend zijn linker- en rechterbeen als standbeen en het andere ontspannen opzij, waarbij mijn blik gekluisterd wordt door de wisselende hoogte van zijn heupen en de strekking en ronding van zijn zij. Aan eten kom ik nauwe- lijks toe; liever gluur ik door mijn – speciaal voor dat doel opgezette – bril naar de Adonis-achtige jongeling achter het glas, tegen een achtergrond van zilvergrijze avondlucht met een zachtroze gloed.

Is het ‘fout’ om me zo te verlustigen aan de charmes van een nog onrijpe jongeman, die zich van geen kwaad bewust is? Maar waarin schuilt dan het zogenaamde ‘kwaad’ van mijn esthetische interesse? Het is alsof ik een levend standbeeld uit de oudheid zie, een jeugdige Eros van een jaar of negen, een beeldschoon godje dat – traditioneel met pijl en boog – verliefdheid in de harten van de mensen doet ontluiken, zonder zelf in erotische zin actief te zijn.

Wat me vooral aan de jongen fascineert, is de volstrekte natuurlijkheid waarmee hij zich in zijn naaktheid beweegt, ongehinderd door de aanwezigheid van andere mensen. Hij is mooi zonder dat hij weet dat hij het is, hoewel hij duidelijk behagen schept in zijn gezonde, levendige lichaam. Ik moet aan de engelachtig blonde Tadzio uit Visconti’s film Tod in Venedig denken, een jongeling in gestreept badpak van wie hoofd- persoon Aschenbach volkomen bezeten raakt, en die hij geen minuut van de dag uit het oog verliest. Helaas begint ‘mijn Tadzio’ al snel zijn kleren aan te trekken, zodat zijn mythische schoonheid door een slobberig t-shirt en een korte broek aan het zicht onttrokken wordt. Ik zet mijn bril af en ga verder met eten.

Diervriendelijke visser

Hij aarzelt even, maar zegt dan dat muziek voor hem nog belangrijker is dan taal. Schrijven is weliswaar zijn werk, maar zijn woorden niet veel te beperkt als het om de meest complexe gevoelens en allerdiepste indrukken gaat? Met woorden kom je vaak niet verder dan clichés, terwijl muziek nuances aan kan boren die onuitsprekelijk zijn, niet toegankelijk voor het talige denken.

Ik begrijp wat hij bedoelt, maar voel me toch op een hopeloos onvoorwaardelijke manier overgeleverd aan het woord. Mijn hele leven is een queeste naar de betekenis van wat ik meemaak, een talig tasten langs de contouren van mijn gevoelens en de wereld die me omringt. En telkens probeer ik met dezelfde frisheid en eerlijkheid als gisteren vandaag eenzelfde soort waarheid te formuleren, die toch iedere dag weer anders klinkt. Hervertel ik eenzelfde verhaal echter twee of drie keer met vrijwel dezelfde woorden, dan wordt het geleidelijk aan holler, en kom ik op steeds meer afstand ervan te staan.

Om met taal aan de rijke schakeringen van de werkelijkheid recht te doen, moet je onophoudelijk nieuwe versies van je gedachten, levensverhaal en wereldbeeld genereren, je onderwerpen voortdurend vanuit een nét iets andere invalshoek belichten. Want taal blijft slechts in leven zolang je haar als een hengel hanteert, waarmee je flarden van nog niet verwoorde dingen naar de verbale oppervlakte tilt, om ze vervolgens weer onder water terug te laten zinken. Zo verworden ze niet tot gemeenplaatsen, maar kunnen ze op een later moment – in een andere samenhang – hernieuwd worden opgediept.

De schrijver is dus een diervriendelijke visser, die zijn vangst niet doodt en invriest, maar na afloop terug-gooit in zee. En iedere dag staat hij opnieuw klaar met zijn hengel.

Landelijk leven

Er is brand in mijn huisje in Haarlem geweest, dus logeer ik nu tijdelijk op de boerderij van mijn oom. We worden omringd door landerijen, en overal scharrelen kippen met kuikentjes, pauwen en kalkoenen rond. Vlakbij staan de boerderijen van andere ooms en tantes, neven en nichten, en het simpele gegeven dat ik een dochter van mijn moeder ben, een kleindochter van mijn opa en oma, is voldoende om me een onder- deel van de gemeenschap te maken. Daar moet ik, een vervreemde stadsvrouw die gewoonlijk dagenlang op een eenzaam zolderkamertje doorbrengt, behoorlijk aan wennen. Maar al snel ontdek ik dat het weldadig is, het buiten rondhangen en bekenden tegenkomen op het erf, samen zwemmen in de ringvaart en je terug- trekken in je eigen kamer als je daar behoefte aan hebt.

Eigen boerderij

Mijn moeder is opgegroeid in eenzelfde eeuwenoude boerderij als die waarin ik momenteel verblijf, met vier dikke boomstammen als steunbalken in het midden. Al dat ouderwetse houtwerk en die tegeltjes hier geven me een indruk van hoe het er vroeger bij mijn ouders en grootouders thuis uit moet hebben gezien. Zij leefden in hetzelfde landschap, tussen slootjes en rietkragen, en net als ik stonden ze op bij het krieken van de dag en gingen ze slapen als ze de zon goudroze boven de velden zagen zakken.

Mijn ooms zijn boer in de leukste zin van het woord, met shetlandpony’s en exclusieve rasschapen die alle ruimte hebben, boomgaarden en een moestuin. Als boerenzoons hebben ze er altijd van gedroomd hun ei- gen boerderij te runnen, en nooit zouden ze ergens kunnen aarden waar je niet een halfuur over je eigen erf kunt banjeren, maar waar je – zoals in de stad – allemaal in hokjes opgesloten zit. Zo kleinschalig als mijn opa vroeger ‘boerde’, met enkele velden vol bloemkool en twintig koeien voor de melk, is tegenwoordig echter niet meer rendabel, dus hebben ze naast hun leven op de boerderij ook altijd een ander beroep uitge- oefend; twee van hen waren wiskundeleraar.

Groen en blauw

Zoveel auto’s als dagelijks mijn Haarlemse woning passeren, komen hier nog niet voorbij in een jaar. Hier zul je niet zo snel aan de stadsziekte ‘overprikkeling’ lijden, omdat er slechts groene velden, groene bomen, groene struiken, groen riet, groen kroos op bruine sloten, bruine omgeploegde akkers, blauwe daglucht en gele, paarse, roze en oranje avondlucht zijn – ja, in de lucht vind je hier de meeste kleur, de meeste variatie.

Andere nationaliteiten dan de Nederlandse heb je hier niet. Dorpelingen zwaaien naar me als ze met hun hond mijn raam passeren – dat ik hier woon, betekent immers dat ik wel een bekende zal zijn. Overdag staan de deuren altijd open, ook als de eigenaren van een woning op het land of bij de buren zijn; inbreken zou geen tactiek of gereedschap vereisen, slechts een goede timing en een grote tas.

De boerenstand

Vroeger had je standen in de samenleving, en de leden van zo’n stand erfden de levensstijl die erbij hoorde van moeder op dochter en van vader op zoon. Men wist zich een onontbeerlijke schakel in de regio – zo waren boeren de voedselleveranciers, die melk opbrachten en van wie de grondstof voor brood afkomstig was. ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’, dat zou niet gaan zonder de boeren. En zoals een moeder de borst geeft aan haar kind, zo was de veehouder een soort moeder voor degenen die zijn melk (en yoghurt en kaas) afnamen, voor iedereen in de omliggende dorpen en steden dus.

Een boer had bovendien een – vaak behoorlijk groot – stuk land, en behoorde in die zin tot de klasse met het meest omvangrijke bezit. Datzelfde land was ooit door zijn vader, grootvader en overgrootvader bebouwd. Hij was geen willekeurig mensenwezen, zoals ik me weleens op mijn anonieme minikamer in de Randstad voel, maar was er ‘eentje van die en die’ en had een eigen bijnaam, die iedereen kende. Voor hem was de respectabele taak weggelegd zijn (voor)ouders op te volgen, en voort te zetten wat zij hadden opgebouwd.

Misschien ben ik momenteel getuige van (het residu van) een levensvorm die over enkele tientallen jaren volledig uitgestorven is. Daarom zal ik zo grondig mogelijk in me opnemen wat ik hier zie, hoe men hier leeft, welke waarden men heeft, omdat dat een beetje resoneert met wie ik zelf ben. Enkele jaren geleden had ik diezelfde ervaring in de katholieke kerk, ook een cultuur waarvan ik een erfgenaam ben, en die me mezelf beter heeft doen begrijpen.

Nooit meer vlees

Als ik een fruitvliegje of een mug doodsla, heb ik altijd de neiging om mijn excuses te maken, soms hardop, maar meestal in gedachten. Ik heb gezien hoe het diertje zijn best deed om aan mijn vervaarlijke handen te ontkomen, hoe het hysterisch door de ruimte zigzagde, en interpreteer dat als een uiting van paniek. Het heeft me altijd verbaasd hoe mensen naar stukjes dood vlees op hun bord kunnen verlangen, hoe ze zonder wroeging of afkeer hun tanden in dierenlijkjes kunnen zetten, meestal van wezens die hun korte bestaan onder concentratiekampachtige omstandigheden hebben doorgebracht. Sinds mijn zesde, toen ik ontdekte dat vlees van dode dieren afkomstig is, ben ik vegetariër.

Paradoxaal genoeg ben ik altijd leren schoenen en tassen blijven dragen – ik troostte me met de gedachte dat dieren meestal niet speciaal voor dat doel worden geslacht, maar dat huiden bijproducten zijn van de vleesindustrie. Een in een tas of schoen verwerkte dierenhuid is bovendien gedroogd, en lijkt in niets meer op het zachte, voelende oppervlak dat het eens is geweest. Het vlees op ons bord daarentegen is vers, en heeft nog maar enkele dagen of weken geleden – als het tenminste niet ingevroren is geweest – tot een knorrend, loeiend of kakelend organisme behoord, dat naar voedsel, geslachtsgemeenschap en bewegings- vrijheid verlangde. Zo’n organisme behandelen alsof het slechts een ding is, vind ik gewelddadig en wreed.

Maar is geweld niet inherent aan het bestaan? De vitalistische filosoof Nietzsche suggereert dat ‘het leven in essentie, namelijk in zijn grondfuncties, krenkend, verachtend, uitbuitend, vernietigend huishoudt en zonder dit karakter helemaal niet denkbaar is.’ Zelf ben ik altijd een voorstander van volstrekt pacifisme geweest. Ik veroordeelde niet alleen de vleesindustrie, maar ook het leger en het bestaan van landsgrenzen, die immers alleen door machtsuitoefening en dreiging in stand kunnen worden gehouden. Wie zijn wij om onze rijkdommen in West-Europa op te potten en uit de handen van het arme merendeel van de wereld- bevolking te willen houden? Vegetarisme alleen is niet voldoende, meende ik, maar hoe je helemaal ‘zuiver’ en ‘eerlijk’ door het leven kon gaan, zonder van enige vorm van uitbuiting te profiteren, dat wist ik niet.

Recent ben ik echter steeds meer met de nietzscheaanse gedachte gaan spelen dat het leven per definitie een geweldsdimensie kent. Wat leeft, wil blíjven leven en is daarom bereid zichzelf te verdedigen. Het wil ook sterker worden, zich uitbreiden en ruimte veroveren, want geen levend wezen voelt zich tevreden achter de zichtbare tralies van een kooi of de onzichtbare tralies van angst en vernedering. Inherent aan de waardigheid van mens en dier is het trotse verweer tegen aanvallen, en het verlangen naar gezondheid en vitaliteit. Misschien moest ik eens een periode ophouden met bidden voor het eten, en mijn voedsel niet langer als een geschenk beschouwen, maar als iets waar ik recht op heb, al is er milieuvervuiling aan te pas gekomen en lijden mensen elders ter wereld gebrek. Ikzelf besta nu eenmaal hier en consumeer wat binnen mijn bereik ligt – dat is volstrekt normaal en legitiem.

Al redenerend kwam ik tot de conclusie dat vlees eten misschien goed voor me zou zijn. Het bevat allerlei stoffen waarvan je als vegetariër al snel tekorten opbouwt, zoals ijzer en vitamine b12. Maar bovenal zou het me wellicht kunnen genezen van mijn hardnekkige (naïeve?) pacifistische idealen, die het leven er immers niet gemakkelijker op maken. Dus begon ik steeds vaker rond te drentelen op vleesafdelingen van super- markten, waar ik de glanzende roze hompjes in plastic verpakkingen met een mengeling van walging en fascinatie bekeek. Uiteindelijk besloot ik met een kant-en-klaarmaaltijd te beginnen, zodat het vlees reeds verwerkt was en er niet zo angstaanjagend ‘vlezig’ meer uitzag. Gisteren zette ik de stap en kocht bij een biologische winkel spaghetti bolognese met zestien procent rundergehakt. Ik zorgde ervoor dat ik scheurde van de honger, zodat de lust de weerzin overwon, en watertandend begon ik met eten.

Maar dat het zó moeilijk zou zijn, had ik onmogelijk kunnen voorzien. Mijn bord moest leeg, besloot ik van tevoren – je gooit toch immers geen dood dier in de vuilnisbak? (Ik herinner me dat ik als kind de over- gebleven stukjes vlees op het bord van mijn ouders in de tuin wilde begraven, op de plek waar ook mijn overleden konijn een grafje had.) Het gehakt was behoorlijk sterk gekruid, maar de vleessmaak proefde ik er dwars doorheen. Die was weeïg en vet, en ik kon niet ophouden met denken: dus zo smaakt de dood. Drie kwartier lang drong het iedere seconde tot me door dat ik een dier tussen mijn kiezen aan het verma- len was, een medeschepsel. Stel je als vleeseter eens voor dat je op een dag verplicht een portie mensenvlees moest eten. Zou je dan niet het gevoel hebben iets heiligs te schenden? Zou je het ook maar een moment lekker kunnen vinden? Mij lukte dat althans niet met het stukje rund op mijn bord. Ik ken koeien te goed, hoe ze bewegen en loeien en uit hun lodderige ogen kijken. Uiteindelijk was hij op en dobberde hij rond in mijn maag. Maar beter dan ooit tevoren wist ik nu waarom ik vegetariër geworden was.

En vegetariër blijf ik. Mijn recent ontwikkelde acceptatie van de geweldsdimensie van het bestaan verdwijnt daarmee niet; net als Nietzsche geloof ik dat alle vormen van leven doortrokken zijn van een zekere ‘wil tot macht’. Maar juist omdat ik zelf sterk wil zijn, gun ik ook een dier zijn bewegingsvrijheid en een levensloop die niet vóór het aanbreken van de ouderdom wordt afgekapt. Dus blijf ik me behelpen met ijzerpilletjes en een zo gebalanceerd mogelijk vegetarisch dieet. Ik ben niet van mening dat andere mensen dat ook zouden moeten doen. Op de vraag of vlees eten goed of verkeerd is, heb ik geen definitief antwoord. Kwam mijn walging van gisteravond niet voornamelijk voort uit het feit dat ik sinds mijn jeugd vegetariër ben geweest? Of was het een adequate, door en door morele reactie, die aldus een universele strekking heeft? Ik kan het niet zeggen, en weet alleen dat dit mijn laatste portie was.