Zwarte magie

In Nederland is het zinloos om bang voor spinnen te zijn, omdat hier geen giftige soorten voorkomen. De adrenaline, hartkloppingen, zweet en paniek die sommige mensen ervaren bij het zien van een spin, vooral een grote zwarte, dienen dus geen enkele functie. Ik ben zo’n Nederlandse met een spinnenfobie, ‘arachno-fobie’ genaamd in de psychologie, en bewoon momenteel een huis met een tuintje vol spinnen, die iedere gelegenheid te baat nemen om zich door een openstaand spleetje raam mijn slaapkamer binnen te wrieme-len. Ongewenste binnendringing, zo voelt dat, en iedere zoveel tijd ontwaak ik zwetend uit een nachtmerrie waarin een groot, zwart exemplaar mijn weerloze lichaam heeft betreden met zijn razendsnelle kriebelpo-ten. Soms katapulteer ik mezelf – in halfslaap, in paniek – zelfs met kracht uit mijn bed en word ik enkele meters verderop, op de grond van mijn slaapkamer, met een schok en een paar blauwe plekken wakker. Hierbij gaat het dus nog niet eens om een échte spin, maar om een gedroomde.

Het klinkt zo meisjesachtig en zwak om bang voor spinnen te zijn, en ik schaam me er eigenlijk een beetje voor. Stel je niet zo aan, mompel ik in mezelf, boos op mijn lichaam dat zo met me op de loop is gegaan, op mijn benen die nog nasidderen en mijn oksels die van angstzweet dampen. Het beestje zelf – dit keer was het een echte, aan het voeteneind van mijn bed zat hij, zijn silhouet een grote zwarte zon met een aureool van pootjes – heb ik opgezogen, en ik fantaseer hoe hij ineengeplet, een wirwar van zwarte steeltjes, tussen de pluizebollen en stofdotten in de stofzuigerzak ligt te spartelen. Die zak moet onmiddellijk de deur uit, en het uiteinde van de stofzuigerslang moet met een plastic zakje worden afgebonden, voor het geval het gedrocht daar per ongeluk in is achtergebleven en opnieuw in mijn huisje aan de wandel wil gaan.

‘Jij houdt toch zo van dieren?’ zegt mijn lief verbijsterd als ik hem een week later het bevel geef om een grote zwarte, die plotseling vlak naast ons blote lijf in bed is opgedoken, te vermorzelen. ‘Maak hem dood, maak hem dood!’ blère ik vanuit het hoekje in de kamer waar ik angstig weggekropen zit. Ineens ben ik niet meer zo doortastend als wanneer ik in mijn eentje ben; het besef dat ík het nu moet oplossen, en snel een beetje, waarbij mijn adrenaline zich in dadendrang omzet, heeft plaatsgemaakt voor het gegil van een hulpeloos meisje tegenover haar mannelijke redder.

Als het om een spin gaat voel ik geen greintje mededogen meer; tegen een spinnenlijkje fluister ik geen ‘sorry’ als ik het in de container tegenover mijn huis deponeer. Er is slechts de opluchting van de overle-vende die uit de klauwen van een gevaarlijke indringer is gered, een engerd die een pistool tegen haar voorhoofd zette en haar bedreigde met de dood.

Ja, voor iemand met arachnofobie symboliseert een grote zwarte spin de dood, hoe overdreven dit misschien ook klinkt. Een spin is het onreine, het onaanraakbare, zoals datgene waarvoor je binnen de Joodse traditie – als je ermee in aanraking was gekomen – in quarantaine werd geplaatst, buiten de men-sengemeenschap, omdat je een verdorven, volstrekt verboden domein betreden had. De beweging van een mensenhand naar een zwarte zon, een spinnenlijf, is een beweging die ondenkbaar is en niet mag worden gemaakt: het kán niet, het mág niet, het zou me ontdoen van mezelf, van mijn mensenbestaan. Waarom ik dat geloof, dat weet ik niet – vermoedelijk is het een oeroude, diep in mijn zenuwstelsel gewortelde mythe, een hardnekkig restje geloof in de duivel en zwarte magie.

Hoe bezoek je een museum?

Mijn eerste voorbeelden op museumbezoekgebied waren mijn ouders. Ze namen ons mee naar het Rijks, het Kröller-Müller en het Van Gogh, om hun twee dochters ‘wat cultuur mee te geven’. Moeder beschouwde het museumbezoek vooral als een gezellig dagje uit; ze trok haar mooiste kleren aan, nam ons – zodra we tekenen van verveling begonnen te vertonen – mee naar het museumcafé, waar zij goede cappuccino en wij warme chocolademelk met slagroom dronken, en liet ons een paar mooie ansichtkaarten uitzoeken in het winkeltje, terwijl ze zelf langdurig stond te drentelen bij de artistiekerige ringen en vazen. Uiteindelijk kocht ze er geen; museumwinkeltjes zijn belachelijk duur.

Vader deed op zijn beurt zijn uiterste best om de artistiek analfabete jongste dochter te vermaken door bij ieder schilderij te vragen: ‘Wat zie je? Wat doet die meneer daar? Is dat meisje verdrietig, of denkt ze na? Welk schilderij in deze zaal vind jij het mooist?’ Maar zodra ik met mijn moeder richting café en winkeltje verdween, schoot hij in zijn eigen karakteristieke museumbezoekmodus, die van de toerist die alles wil hebben gezien, vooral de highlights die hij kent van gidsjes en posters, en daar plichtmatig langs sloft, nauwgezet alle toelichtingsbordjes lezend. Na afloop maakte hij een voldane indruk, alsof hij zojuist een flink staaltje werk geleverd had.

Dat arbeidsethos heb ik van mijn vader overgenomen. Ook ik kan geen museum bezoeken zonder het gevoel dat ik mijn best moet doen en me tot het uiterste moet inspannen; wie weet kom ik hier immers maar één keer in mijn leven. Die ervaring had ik voor het eerst toen mijn moeder me een kunstboek over de renaissance cadeau had gedaan, en we enkele weken later – onderweg naar onze vakantiebestemming – een uurtje Florence aandeden. Ik wist onmiddellijk dat we in de Galleria degli Uffizi moesten wezen, waar De geboorte van Venus en de Primavera van Botticelli op ons wachtten, evenals de mysterieuze Annun-ciatie van Leonardo en de sensuele Venus van Urbino van Titiaan. Voor het eerst betrad ik een museum met een gevoel van eerbied en verwachting, en mijn zus en ik raasden speurend door de zalen, een beetje zoals we jaren tevoren op paasmorgen gekleurde chocolade-eieren hadden gezocht.

‘Hier!’ krijste ik plotseling mijn luide gil, die bewakers en medebezoekers verschrikt deed opkijken, want daar hing ze: Venus met haar gouden haar, serene blik en rondom haar die verrukkelijk frisse, zachte kleuren van lucht en water, die ik probeerde in te drinken alsof mijn huid was bedekt met honderd ogen, alsof mijn ogen zuignapjes waren. Niet langer dan tien minuten gunde ik mezelf, en nog eens tien voor de Primavera, en toen vijf per Madonna met kind, die eveneens de Botticelli-zaal bevolkten.

Voor de Titiaan stond ik onverwacht het allerlangst: het was voor het eerst dat ik mezelf toestond om zo lang, zo zonder enige gêne, naar een zo mooie naakte vrouw te kijken: dit was niet banaal, dit was kunst, dit mocht. Dit móest zelfs, ik moest op me in laten werken hoe mooi ze was, want ik was op weg te leren wat schoonheid was, en dit schilderij was een essentieel onderdeel van mijn zoektocht, voelde ik. Na afloop, met een mapje vol ansichtkaarten en de beelden nog nasidderend op mijn netvlies, was er die grote voldaan-heid: ‘Het is gelukt. Ik ben geslaagd.’ Alsof mijn artistieke maag tot de rand toe was gevuld en nu de ver-werkingsarbeid kon beginnen, zodat al die onbevattelijke schoonheid definitief tot een deel van mijn werkelijkheid zou worden.

Jaren later las ik dit citaat van Etty Hillesum, die in de natuur een soortgelijke hebberigheid ervaarde die mij in een museum altijd overvalt: ‘Wanneer ik een bloem mooi vond, dan had ik die het liefst aan het hart gedrukt of opgegeten. Met een heel stuk natuurschoon ging dit moeilijker, maar het gevoel was hetzelfde. […] Dan vond ik het zo mooi dat ik er pijn van kreeg in m’n hart. Dan leed ik onder de schoonheid en wist niet waar ik ermee naartoe moest.’

Lijden onder schoonheid deed ik voor het eerst toen er in Düsseldorf een overzichtstentoonstelling van Henri Matisse was georganiseerd, de schilder die me had laten ontdekken hoe je zelf met kunstenaarsogen naar de wereld kunt kijken en ook je eigen kamer tot kunstwerk kunt maken, met gewaagde kleurcombina-ties en patronen. We gingen er met het gezin heen in de laatste week van de expositie, en ik realiseerde me heel sterk dat ik nooit opnieuw zoveel werken van Matisse bijeen zou zien. Ook wist ik dat ik, om ultiem te kunnen genieten, de nacht van tevoren goed moest hebben geslapen, dus dook ik al om negen uur mijn bed in. Tevergeefs – om vijf uur ’s morgens lag ik nóg te woelen, en daarvan moest ik zo wanhopig huilen dat mijn moeder wakker werd en een tijdlang op de rand van mijn bed kwam zitten, en we overlegden of het museumbezoek wel door moest gaan, daar het mij zoveel verdriet en stress bezorgde. We gingen toch. Ik verging van de spanning onderweg in de auto, in de rij bij het museum. En zodra ik de eerste zaal betrad, drong níets van de kleurige doeken tot me door, juist omdat ik zó graag wilde, en alles in me schreeuwde: ‘Kijk. Neem. Eet. Drink. Eigen je toe. Wees aanwezig.’ Het lukte niet; weer moest ik huilen, en toen gaf ik op: dan maar geen Matisse. Ik zou de tentoonstellingscatalogus wel kopen, en thuis genieten.

Gek genoeg werd ik, toen ik de catalogus eenmaal bezat en mezelf van de druk tot genieten had ontslagen, ineens wél in de schilderijen gezogen: hun blauw, roze en feestelijk rood werkten op me in zoals ik nog nooit eerder bij kleuren had ervaren. Vermoedelijk had ook mijn uitputting daarmee te maken, zoals tijdens de recente Hockney-expositie in het Van Gogh Museum felle kleuren – die me in eerste instantie afstootten – na urenlang drentelen wél tot me spraken: alle weerstand viel weg vanwege mijn vermoeidheid, die me volstrekt weerloos maakte: een onbeschreven blad werd ik, een leeg doek op een schildersezel dat Matisse en Hockney naar believen vol konden kliederen en bespatten. Concentratie was ver te zoeken: er kwamen geen interessante filosofische interpretaties of dwarsverbanden met andere werken uit de kunstgeschie-denis in me op, en toch was mijn bezoek geslaagd: ik had gulzig gedronken, de werken waren een beetje deel van mij geworden, hun kleuren althans.

Deze tekst is in verkorte vorm gepubliceerd in het augustusnummer van kunsttijdschrift Palet.

Een trillend kikkerhart


Het bospad was bezaaid met miniatuurkikkertjes, en ik wist bijna zeker dat ik er tijdens het lopen enkele moest hebben vertrapt. ‘Genadeloos’ was een woord dat in me opkwam, en als ik dan toch zo genadeloos bezig was, kon ik toch net zo goed een paar van die kleintjes meenemen naar huis? Voordat een andere wandelaar ze zou vermorzelen onder zijn schoenen, of een reiger ze op zou prikken met zijn snavel.

Al mijmerend kwam ik tot de overtuiging dat het niet zozeer genadeloos was, maar dat ik juist een goede daad verrichtte, zoals ik daar door het bos wandelde met die vier kikkertjes in het waterflesje in mijn hand. De beestjes krioelden hysterisch in het rond, maakten woeste zwembewegingen, duikelden over elkaar en konden ineens minutenlang bewegingloos in het water blijven drijven of naar de bodem zinken, waarbij ik me afvroeg of ze aan een hartaanval bezweken waren. Totdat ze plotseling weer gretig boven kwamen peddelen, en ik gerustgesteld was.

Thuis stopte ik het viertal in een pan met glazen deksel, een klein laagje water op de bodem. ‘Ik moet een aquarium kopen, of tenminste een emmer’, dacht ik, terwijl ik op de fiets sprong en naar de dichtstbijzijnde dierenwinkel snelde. Toen ik thuiskwam met een grote doorschijnende plastic bak, zaten er nog maar drie kikkertjes in de pan. ‘Zouden ze de vierde opgegeten hebben?’ Pas enkele uren later hopte nummer vier te voorschijn, ergens vanuit een hoekje in de kamer. Hij moet zich door het kleine tuitje om af te gieten heen hebben gemanoeuvreerd.

In de dagen die volgden hing ik voortdurend met mijn hoofd boven de plastic bak, die ik rijk had gevuld met stenen, takken, gedroogde bladeren, stukjes komkommer, blaadjes sla, vissenvoer en een scheutje slootwater vol kroos. De diertjes leken niets te eten en verschansden zich bewegingloos onder de blaadjes. Hooguit strekte elke halve minuut één van hen een ledemaat; zich voortbewegen duurde zo een eeuwigheid. Misschien waren ze verstijfd van angst, maar zo interpreteerde ik het niet: omdat ik zelf volkomen betoverd was door de lieflijke kleinheid van mijn nieuwe kameraadjes, kon ik me nauwelijks voorstellen dat zij niet even enthousiast waren als ik over hun gevangenschap in het miniatuuroerwoud dat ik voor ze had gescha-pen. Ja, ik kon me verkneukelen over de vele schuilplekjes, drijvende eilandjes en paadjes die ze konden kiezen en bewandelen, en doorliep die gretig met mijn ogen, alsof ik een avontuurlijke boswandeling maakte.

Vrienden konden ieder dagdeel rekenen op een filmpje waarin je mijn kikkertjes, die ik soms wreed verjaagde uit hun schuilplaats tussen de gedroogde bladeren, paniekerig rond zag spetteren achter de wanden van de bak. Als ik gekookt had, nuttigde ik mijn maaltijd met uitzicht op het kikkeruniversum. ‘We zitten sla te eten’, antwoordde ik toen mijn geliefde vanaf zijn vakantielocatie vroeg waar ik op dat moment mee bezig was. Een foto van mijn bord vol sla tegen de achtergrond van het aquarium, waarin eveneens de nodige slablaadjes ronddreven, sommige met een kikker erop, fungeerde als bewijs.

Na enkele dagen begon de absurditeit van mijn nieuwe hobby zich aan me op te dringen. Waarom moest ik zo nodig elk halfuur een paar minuten in die bak turen, terwijl daar nauwelijks iets bewoog? En waarom die honderden foto’s in mijn telefoon, van een kikker bovenop een uitstekende tak, een kikker die zwemt, een kikker die een vergeefse ontsnappingspoging doet door de wanden van de bak te beklimmen, zijn vingertjes en teentjes tegen het plastic geplakt? Waarom was ik zo verliefd op die onooglijke mormeltjes, een soort vissen met pootjes of insecten met zwemvliezen, die toch niet bepaald knuffelbaar waren?

Ik geloof dat ik iets menselijks ontwaarde in hun lichaamsbouw. Hun kikkervingertjes en teentjes waren zo verfijnd en lang dat ze behoorlijk op mensenvingers en -tenen leken. Met die vingertjes konden ze echt iets vasthouden, een takje bijvoorbeeld, zoals verder in het hele dierenrijk alleen mensen en apen dat kunnen. O ja, en eekhoorns. Ook hun beentjes waren lang en dun en hadden echte knietjes, zodat ze van die typische kikkersprongen konden maken, maar ook ergens tegenop konden staan, rechtop, waarbij ze me aan rechtop lopende mensen deden denken. Het was, kortom, alsof ik vier miniatuurmensjes in huis had gehaald met een bochel, een buitenproportioneel fors hoofd en de lichaamsgrootte van een foetus van enkele weken. Zou het soms door mijn opspelende moedergevoelens komen, mijn onverwachte fascinatie voor deze mengeling van reptiel en foetus?

Of was het juist hun ónmenselijkheid die me boeide, hun onpeilbare, ver van mijn mensenbewustzijn verwijderde kikkerziel? Zoals alle kikkers hadden ook de mijne ronde, opzichtig aan de bovenkant van hun hoofd uitstulpende ogen, bruin met een grote zwarte pupil, waaruit niets op te maken viel, echt helemaal niets. Onleesbare zwartheid. Hun huidje voelde als een mengeling van nat rubber en plastic, glad maar ook hier en daar een beetje ruw. Ze wogen bijna niets, al veroorzaakte de val van hun kikkerlijf in het water een kleine rimpeling aan het wateroppervlak. Mijn kikkers waren onmogelijk om te lezen, en in eerste instantie vond ik het verleidelijk mijn eigen emoties op ze te projecteren. Totdat ik merkte dat ik daarmee echt álle kanten op kon gaan – soms waren ze levendig en blij, soms verwijtend en droevig. Soms meende ik honger uit hun trillend kloppende hartje af te kunnen lezen, soms een verlangen naar vrijheid uit hun grote starende ogen. Alles heb ik in hun ogen gelezen. Totdat ik het opgaf en stopte met projecteren.

En er alleen een onmenselijke stilte overbleef. Een trillend kikkerhart. Een glanzend kikkervel. Zonder enige boodschap. Een naakt leven. In die dagen had ik juist Clarice Lispectors mystieke roman De passie volgens G.H. gelezen, waarin de vrouwelijke hoofdpersoon oog in oog staat met de huiveringwekkende duisternis en anonimiteit van een kakkerlak. ‘De aanraking met dat ding zonder eigenschappen of ken-merken vond ik walgelijk, afstotend was het, dat levende ding dat naam noch smaak noch geur heeft.’ En verderop: ‘Het waken van de kakkerlak was leven dat leefde, mijn eigen waakzame leven dat leefde. […] En ik herkende in de kakkerlak de weeïgheid van de keer dat ik zwanger was geweest.’ Gaandeweg begint ze de stilte van de kakkerlak meer te waarderen. ‘Wat is deze stilte luxueus. Ze zit boordevol eeuwen. Het is een stilte van een kakkerlak die kijkt. […] Als je de moed hebt om je gevoelens los te laten, ontdek je het ruime leven van een extreem bezette stilte, de stilte die bestaat in de kakkerlak, de stilte die bestaat in de sterren.’

It’s just my body

Al dagenlang luister ik van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat naar Body van de Australische singer-song-writer Julia Jacklin. Het is een minimalistisch nummer met een trage beat, een eentonige melodie en een onderkoelde, onopgesmukte vrouwenstem. Ook de tekst is niet bijzonder spannend: Jacklin bezingt hoe haar vriendje werd betrapt op roken in het vliegtuig, waarna ze voor straf op een vervroegde vlucht terug naar huis werden gezet en hun gezamenlijke weekendje weg niet door kon gaan. Maar zodra Jacklin aan de bagageband de beslissende woorden ‘I’m gonna leave you / I’m not a good woman when you’re around’ heeft uitgesproken, verandert alles, en voor het eerst sinds lange tijd ervaart ze de sensualiteit van de we-reld weer in volle hevigheid:

That’s when the sound came in
I could finally see
I felt the changing of the seasons
All of my senses rushing back to me

Op muzikaal gebied hoor je van die verandering maar weinig: de eentonigheid van beat en melodie en de kalmte van Jacklins stem worden niet doorbroken. Maar plotseling begrijp je als luisteraar de aard van die onderkoeldheid beter: het is de kalme berusting van een vrouw die bewust voor zichzelf kiest (Watch me turn my own head / Eyes on the driver, hands in my lap / Heading to the city to get my body back), zich losrukt uit een situatie die haar beknelde en bereid is om zichzelf opnieuw uit te vinden, niet langer vluch-tend voor zichzelf, haar eigen verantwoordelijkheid en verlangens. Dat daarmee nu ook het volle gewicht van haar leven op haar eigen schouders komt te rusten, is wat het nummer die opmerkelijke traagheid geeft, een traagheid waarin – net als in de bezonken bas – vastbeslotenheid schuilt, de afwezigheid van twijfel.

Even vreest Jacklin nog dat haar ex de foto, die hij eens op een onbewaakt moment van haar naakte, drieëntwintigjarige lichaam heeft genomen, wraakzuchtig aan de wereld openbaar zal maken: ‘Do you still have that photograph? / Would you use it to hurt me?’ Maar onmiddellijk bezweert ze die angst met een nuchter en strijdvaardig mantra:

Well, I guess it’s just my life
And it’s just my body

Het is dit mantra wat Body voor mij zo’n inspirerend nummer maakt, want in die eenvoudige woorden schuilt een grootse waarheid: dit zijn míjn leven en míjn lichaam, wat er ook gebeurt. En omdat het niet alleen zwaar, maar ook vreugdevol en bevrijdend is om slechts jezelf toe te behoren, danst Jacklin in de laatste minuten van de clip een sensuele dans met zichzelf, met haar eigen lijf, onder begeleiding van datzelfde mantra:

I guess it’s just my life
And it’s just my body

Literair navelstaren

‘Ik houd niet van verhalen’, beweerde ik eens stellig tegenover een geliefde die daar juist wél dol op was. Hoewel ik literatuurwetenschap studeerde, was ik eigenlijk niet in vertelstructuren geïnteresseerd, in verzonnen personages en geconstrueerde plots. Het liefst las ik literaire werken waarin een mijmerende ik-figuur centraal staat die een originele, hoogstpersoonlijke visie op de wereld ontvouwt, zoals die van Carry van Bruggen of Isaac Bashevis Singer. Onder mijn lievelingsboeken bevonden zich bovendien veel dagboe-ken en briefwisselingen, zoals die van Etty Hillesum en Belle van Zuylen. Hoe doe je dat, leven? vroeg ik me af. Hoe interpreteer je de dingen die je overkomen? Hoe houd je oog voor de magie van het dagelijks leven, voor de waardigheid en onmetelijke gelaagdheid van de mensen om je heen? Het was voor mij niet zo nodig om meegesleept te worden door een ingenieus verhaal met spannende gebeurtenissen en verwikkelingen. Idealiter gebeurt er in een roman maar weinig, behalve dan in het brein van de hoofdpersoon.

Gisteren bezocht ik een publiek interview met de Mexicaanse filosoof en schrijfster Valeria Luiselli, in wier romans de gebeurtenissen ondergeschikt zijn aan de overpeinzingen die ze ontlokken aan de personages. Waarom gebruikt ze dan de romanvorm, zou je je af kunnen vragen, en zet ze die mijmeringen niet recht-streeks, zonder personages en gebeurtenissen, op papier? Omdat het verhaal als een soort katalysator fungeert: Luiselli laat zien hoe gedachten nooit in het luchtledige ontstaan, maar altijd opwellen vanuit geleefde situaties. Haar denken is diepgeworteld in de wereld van alledag, in het onrecht waarvan we getuige zijn, in de sensaties die ons eigen lichaam en onze interacties met medemensen in ons teweeg-brengen. Doorleefd denken, doorleefd filosoferen, dat is wat er gebeurt in mijn favoriete romans.

‘Ik kon roepen dat ik geen verhaal wilde, maar de waarheid was dat het verhaal mij niet leek te willen’, aldus de hoofdpersoon, een schrijfster, in Niña Weijers’ recent verschenen roman Kamers antikamers, waarin inderdaad geen chronologisch verhaal wordt verteld. Veeleer ben je als lezer getuige van afzonder-lijke impressies, levensflarden, verschillende versies van hetzelfde leven: met kind, zonder kind, homo-seksueel, heteroseksueel, et cetera – een soort collage. Zoals ook het echte leven vaak meer een grillige aaneenschakeling van momenten, fantasieën en onvoorziene wendingen is dan een logisch verhaal.

Het lijkt momenteel wel in opkomst te zijn: romans waarin schrijvers niet zozeer een kunstmatige wereld creëren om eventjes aan de échte wereld te ontsnappen, maar veeleer persoonlijke vragen en waarheden willen onderzoeken. Weijers reflecteert voortdurend op het feit dat ze schrijft, waardoor je als lezer door-drongen raakt van het feit dat haar fictie (zoals iedere vorm van fictie) een constructie is. ‘Het schrijfproces mag sporen nalaten in het eindproduct’, stelt ook Luiselli, die haar eigen leven als materiaal beschouwt waaruit ze – via een mysterieus alchemistisch proces – een kunstproduct brouwt, iets nieuws en artistieks. Daarin zijn de gebruikte elementen nog steeds als zodanig herkenbaar: haar hoofdpersonen lijken steevast op haarzelf, met hun sigaret en felrode jas, echtgenoot, dochtertje en stiefzoon. In de recensies van Kamers antikamers valt op hoezeer recensenten zoeken naar parallellen tussen Weijers’ eigen leven en dat van haar personages. ‘Dit is autofictie’, zeggen ze dan. ‘De huidige schrijversgeneratie is verslaafd aan navelstaren, durft geen groots, ingewikkeld perspectief meer te ontwikkelen, maar houdt het klein, vertrouwd, dichtbij. Ze nemen niet de moeite om zich in anderen te verplaatsen, maar schrijven vanuit zichzelf, althans, vanuit iemand die bijzonder op henzelf lijkt.’

Maar wat is daar mis mee? vraag ik me af. Waarom zou je dat afdoen als een vorm van narcisme, egoïsme, desinteresse in de buitenwereld? Is het niet interessant om juist het standpunt dat je als auteur het beste kent, je eigen, in te zetten? Om jezelf op het spel te zetten, de grenzen van je identiteit op te rekken en jezelf in allerlei situaties te plaatsen, om aldus dieper tot de werkelijkheid door te dringen? ‘Urgentie’, die term gebruikte Rutger Lemm toen hij de romans van Luiselli karakteriseerde. ‘Ik kan niet schrijven over dingen die in een ver verleden zijn gebeurd en waarmee mijn leven niet rechtstreeks in verband staat’, vertelde Lu-iselli. Die urgentie, die persoonlijke inzet spat van de pagina’s van haar romans, evenals van die van Niña Weijers, Bregje Hofstede, Lieke Marsman en Maggie Nelson, om maar enkele hedendaagse auteurs van zogenaamde ‘autofictie’ te benoemen.

‘Waarom wil je dat zo graag weten?’ reageerde Luiselli toen een meisje uit de zaal haar vroeg of zijzelf het personage met de sigaret en rode jas is, en of de gebeurtenissen in haar boeken letterlijk uit haar eigen le-ven afkomstig zijn. ‘In de afgelopen drie dagen is die vraag me al zo’n vijfentwintig keer gesteld, maar het lijkt me zo zinloos om haar te beantwoorden, zo volstrekt oninteressant.’ Volgens mij heeft Luiselli gelijk. Niet de – verzonnen of waargebeurde – feiten maken haar romans interessant, maar de overwegingen, het diep doorleefde perspectief van waaruit ze de contouren van de werkelijkheid aftast.