Zonder zwembroek

Zijn puberteit is nog niet aangebroken, maar een kleine jongen is hij toch ook niet meer. Daarom is het des te opvallender dat hij naakt over het strand dartelt, volkomen ongegeneerd. Hij is samen met zijn vader, die wel een zwembroek draagt, aan het badmintonnen; er staat weinig wind. Vanuit de strandtent waar ik zit, zie ik hem indrukwekkende sprongen en duikvluchten maken, als een wild dier dat zijn prooi belaagt.

Na afloop van het spel draalt hij verveeld rond zijn familieleden, van wie enkele zojuist uit zee gekomen zijn en zich staan af te drogen. Nonchalant neemt hij allerlei charmante poses aan, met afwisselend zijn linker- en rechterbeen als standbeen en het andere ontspannen opzij, waarbij mijn blik gekluisterd wordt door de wisselende hoogte van zijn heupen en de strekking en ronding van zijn zij. Aan eten kom ik nauwelijks toe; liever gluur ik door mijn – speciaal voor dat doel opgezette – bril naar de Adonis-achtige jongeling achter het glas, tegen een achtergrond van zilvergrijze avondlucht met een zachtroze gloed.

Is het ‘fout’ om me zo te verlustigen aan de charmes van een nog onrijpe jongen, die zich van geen kwaad bewust is? Ik moet aan Tadzio uit Visconti’s film Dood in Venetië denken, een engelachtige knaap in gestreept badpak van wie hoofdpersoon Aschenbach volkomen bezeten raakt, en die hij geen minuut van de dag uit het oog verliest. Helaas – of gelukkig – begint ‘mijn Tadzio’ al snel zijn kleren aan te trekken, zodat zijn mythische schoonheid door een slobberig T-shirt en een korte broek aan het zicht onttrokken wordt. Ik zet mijn bril af en ga verder met eten.

Nooit meer vlees

Als ik een fruitvliegje of een mug doodsla, heb ik altijd de neiging om mijn excuses te maken, soms hardop, maar meestal in gedachten. Ik heb gezien hoe het diertje zijn best deed om aan mijn vervaarlijke handen te ontkomen, hoe het hysterisch door de ruimte zigzagde, en interpreteer dat als een uiting van paniek. Het heeft me altijd verbaasd hoe mensen naar stukjes dood vlees op hun bord kunnen verlangen, hoe ze zonder wroeging of afkeer hun tanden in dierenlijkjes kunnen zetten, meestal van wezens die hun korte bestaan onder concentratiekampachtige omstandigheden hebben doorgebracht. Sinds mijn zesde, toen ik ontdekte dat vlees van dode dieren afkomstig is, ben ik vegetariër.

Paradoxaal genoeg ben ik altijd leren schoenen en tassen blijven dragen – ik troostte me met de gedachte dat dieren meestal niet speciaal voor dat doel worden geslacht, maar dat huiden bijproducten zijn van de vleesindustrie. Een in een tas of schoen verwerkte dierenhuid is bovendien gedroogd, en lijkt in niets meer op het zachte, voelende oppervlak dat het eens is geweest. Het vlees op ons bord daarentegen is vers, en heeft nog maar enkele dagen of weken geleden – als het tenminste niet ingevroren is geweest – tot een knorrend, loeiend of kakelend organisme behoord, dat naar voedsel, geslachtsgemeenschap en bewegings- vrijheid verlangde. Zo’n organisme behandelen alsof het slechts een ding is, vind ik gewelddadig en wreed.

Maar is geweld niet inherent aan het bestaan? De vitalistische filosoof Nietzsche suggereert dat ‘het leven in essentie, namelijk in zijn grondfuncties, krenkend, verachtend, uitbuitend, vernietigend huishoudt en zonder dit karakter helemaal niet denkbaar is.’ Zelf ben ik altijd een voorstander van volstrekt pacifisme geweest. Ik veroordeelde niet alleen de vleesindustrie, maar ook het leger en het bestaan van landsgrenzen, die immers alleen door machtsuitoefening en dreiging in stand kunnen worden gehouden. Wie zijn wij om onze rijkdommen in West-Europa op te potten en uit de handen van het arme merendeel van de wereld- bevolking te willen houden? Vegetarisme alleen is niet voldoende, meende ik, maar hoe je helemaal ‘zuiver’ en ‘eerlijk’ door het leven kon gaan, zonder van enige vorm van uitbuiting te profiteren, dat wist ik niet.

Recent ben ik echter steeds meer met de nietzscheaanse gedachte gaan spelen dat het leven per definitie een geweldsdimensie kent. Wat leeft, wil blíjven leven en is daarom bereid zichzelf te verdedigen. Het wil ook sterker worden, zich uitbreiden en ruimte veroveren, want geen levend wezen voelt zich tevreden achter de zichtbare tralies van een kooi of de onzichtbare tralies van angst en vernedering. Inherent aan de waardigheid van mens en dier is het trotse verweer tegen aanvallen, en het verlangen naar gezondheid en vitaliteit. Misschien moest ik eens een periode ophouden met bidden voor het eten, en mijn voedsel niet langer als een geschenk beschouwen, maar als iets waar ik recht op heb, al is er milieuvervuiling aan te pas gekomen en lijden mensen elders ter wereld gebrek. Ikzelf besta nu eenmaal hier en consumeer wat binnen mijn bereik ligt – dat is volstrekt normaal en legitiem.

Al redenerend kwam ik tot de conclusie dat vlees eten misschien goed voor me zou zijn. Het bevat allerlei stoffen waarvan je als vegetariër al snel tekorten opbouwt, zoals ijzer en vitamine b12. Maar bovenal zou het me wellicht kunnen genezen van mijn hardnekkige (naïeve?) pacifistische idealen, die het leven er immers niet gemakkelijker op maken. Dus begon ik steeds vaker rond te drentelen op de vleesafdelingen van supermarkten, waar ik de glanzende roze hompjes in plastic verpakkingen met een mengeling van walging en fascinatie bekeek. Uiteindelijk besloot ik met een kant-en-klaarmaaltijd te beginnen, zodat het vlees reeds verwerkt was en er niet zo angstaanjagend ‘vlezig’ meer uitzag. Gisteren zette ik de stap en kocht bij een biologische winkel spaghetti bolognese met zestien procent rundergehakt. Ik zorgde ervoor dat ik scheurde van de honger, zodat de lust de weerzin overwon, en watertandend begon ik met eten.

Maar dat het zó moeilijk zou zijn, had ik onmogelijk kunnen voorzien. Mijn bord moest leeg, besloot ik van tevoren – je gooit toch immers geen dood dier in de vuilnisbak? (Ik herinner me dat ik als kind de overgebleven stukjes vlees op het bord van mijn ouders in de tuin wilde begraven, op de plek waar ook mijn overleden konijn een grafje had.) Het gehakt was behoorlijk sterk gekruid, maar de vleessmaak proefde ik er dwars doorheen. Die was weeïg en vet, en ik kon niet ophouden met denken: dus zo smaakt de dood. Drie kwartier lang drong het iedere seconde tot me door dat ik een dier tussen mijn kiezen aan het vermalen was, een medeschepsel. Stel je als vleeseter eens voor dat je op een dag verplicht een portie mensenvlees moest eten. Zou je dan niet het gevoel hebben iets heiligs te schenden? Zou je het ook maar een moment lekker kunnen vinden? Mij lukte dat althans niet met het stukje rund op mijn bord. Ik ken koeien te goed, hoe ze bewegen en loeien en uit hun lodderige ogen kijken. Uiteindelijk was hij op en dobberde hij rond in mijn maag. Maar beter dan ooit tevoren wist ik nu waarom ik vegetariër geworden was.

En vegetariër blijf ik. Mijn recent ontwikkelde acceptatie van de geweldsdimensie van het bestaan verdwijnt daarmee niet; net als Nietzsche geloof ik dat alle vormen van leven doortrokken zijn van een zekere ‘wil tot macht’. Maar juist omdat ik zelf sterk wil zijn, gun ik ook een dier zijn bewegingsvrijheid en een levensloop die niet vóór het aanbreken van de ouderdom wordt afgekapt. Dus blijf ik me behelpen met ijzerpilletjes en een zo gebalanceerd mogelijk vegetarisch dieet. Ik ben niet van mening dat andere mensen dat ook zouden moeten doen. Op de vraag of vlees eten goed of verkeerd is, heb ik geen definitief antwoord. Kwam mijn walging van gisteravond niet voornamelijk voort uit het feit dat ik sinds mijn jeugd vegetariër ben geweest? Of was het een adequate, door en door morele reactie, die aldus een universele strekking heeft? Ik kan het niet zeggen, en weet alleen dat dit mijn laatste portie was.

Een vergeten drift

Plato wordt meestal aangewezen als de grondlegger van het dualisme, degene die een wig dreef tussen verstand en (materie of) gevoel. Toch kent Plato de menselijke ziel geen twee, maar drie aspecten toe: het redelijke (logos), het driftige (thymos) en het begerende (eros). Wijs noemt hij degene die ‘de drie delen weet te doen harmoniëren’, zodat hij ‘uit een veelheid volledig één wordt’. Tegenwoordig vatten wij het driftige en het begerende meestal samen onder de noemer ‘gevoel’. Als gevoel en verstand met elkaar in balans zijn, heb je als mens innerlijke eenheid bereikt, zeggen we dan. Maar doen we zo niet de specifieke betekenis van thymos tekort, dat begrip waarvan in moderne talen geen volwaardig equivalent bestaat?

Plato constateert dat de begeerte ‘het grootste deel van de ziel vormt en van nature onverzadigbaar-inhalig is’. Hoewel eros een krachtige motor is die het levensproces gaande houdt, moeten aan zijn mateloosheid grenzen worden gesteld. Logos is daartoe het meest geschikt, aangezien de rede ons in staat stelt in te zien wat van waarde is, en hoe we onze inspanningen het best over verschillende doeleinden kunnen verdelen. Maar zonder de daadkracht van thymos staat het verstand machteloos. ‘Aan het driftige komt de rol toe van onderhorige en bondgenoot van het redelijke,’ aldus Plato. In het beste geval handhaaft thymos, ‘door alle smarten en genoegens heen, de uitspraken van de rede.’

Vanaf de vroegste teksten waarin thymos een rol speelt, bijvoorbeeld de Ilias van Homerus, wordt hij met woede in verband gebracht. Thymos is als het ware de stem van onze assertiviteit, die zich roert wanneer onze grenzen overschreden worden of iemand ons – of onze naasten – onrecht doet. Maar thymos kan ook blinde, ongerichte razernij zijn, zoals de hyperbolische woede van Achilles, die uiteindelijk meer kwaads teweegbrengt dan goeds. Volgens de hedendaagse Duitse filosoof Peter Sloterdijk broeit er een teveel aan thymos onder jongeren in de islamitische wereld, een overdaad aan rancune die zich in het wilde weg ontlaadt. Thymos kan tot grootse dingen aanzetten, maar het is van belang dat deze diepmenselijke kracht zorgvuldig wordt gecultiveerd en met de redelijkheid in overeenstemming wordt gebracht.

Wie bij de juiste gelegenheid woede ervaart en die op vruchtbare wijze weet om te zetten in daden, stelt zich teweer tegen de onterechte aanspraken van anderen en de mateloosheid van zijn eigen begeerten. Terwijl woede die wordt opgekropt tot geweldsuitbarstingen (of, indien geïnternaliseerd, tot zelfhaat) kan leiden, verdedigt een gezonde thymos de eigen waardigheid en die van een – meer of minder wijde – kring van naasten. In de oudheid leidde thymos geregeld tot daden van eerwraak, een fenomeen waarvoor we tegenwoordig weinig begrip meer kunnen opbrengen. Toch geloof ik niet dat het concept van thymos daarmee overbodig is geworden: het vermogen om grenzen te stellen en ‘rechtvaardige woede’ te voelen, is in alle tijden van belang. Volgens Sloterdijk

moeten we ons richten op de humane en vreedzame elementen in onze thymotische voorraden. Geen wraak en vergelding meer, geen ressentiment en verontwaardiging, maar trots, eigenwaarde, geldingsdrang en kracht. De aan erotiek verslaafde westerse cultuur zou laatstgenoemde deugden beter moeten ontwikkelen, de aan geweld verslaafde oosterse cultuur zou wel met wat minder kunnen. De westerse cultuur moet thymotiseren, de oosterse erotiseren. (Niet liefde regeert, maar woede, Antoine Verbij, 23 juni 2007)

In conservatieve kringen, waar men terugverlangt naar traditionele rolpatronen, wordt thymos steevast met mannelijkheid in verband gebracht. Zo betoogt Harvey Mansfield dat thymos ondergesneeuwd is geraakt onder invloed van de feminisering van onze samenleving, waarin we vrouwelijke waarden zoals zorg en respect voor de kwetsbare ander centraal hebben gesteld. Persoonlijk betwijfel ik of thymos een exclusief mannelijke eigenschap is, hoewel mannen over het algemeen inderdaad meer thymotisch gedrag vertonen. Misschien is het vruchtbaarder om er – in navolging van Plato – bij stil te staan dat iédere ziel haar afzonderlijke delen met elkaar in harmonie moet zien te brengen. Of je man of vrouw bent doet er dan niet toe. Iedereen heeft immers begeerten die erkenning verdienen, maar ook in goede banen moeten worden geleid, evenals het vermogen om kwaad te worden, dat tot de juiste proporties moet worden teruggebracht, zodat excessen en geweld worden voorkomen, maar grenzen worden gehandhaafd en – indien nodig – verdedigd.

Thymos heeft overigens niet alleen met de verdediging van grenzen te maken, maar ook met het verleggen daarvan. Uit trots en geldingsdrang, eigenschappen die typisch thymotisch zijn, kan het verlangen ontstaan om prestaties te leveren en een bijzondere positie in de samenleving te verwerven. Natuurlijk ligt hier het gevaar op de loer dat thymos in arrogantie en egoïsme ontaardt. Daarom blijft de zorgvuldige communi- catie tussen thymos en logos essentieel: wat is een nobel doel om je voor in te zetten, waarmee je de wereld dient en anderen niet benadeelt?

Tegenwoordig kennen we geen ‘thymos’ meer, maar spreken we van zelfvertrouwen, of een gebrek daaraan, dat geregeld ontstaat wegens onze overdadige neiging tot zelfreflectie en -kritiek. Thymos is echter dieper geworteld dan al onze mislukkingen en prestaties; het is een vorm van zelfrespect die onvoorwaardelijk is. Evenals eros vormt thymos een krachtbron die je in jezelf aan kunt boren, en die dan een vuurgloed over je leven legt. Niet voor niets stelden de oude Grieken eros en thymos vaak als gevleugelde paarden voor, die samen het rijtuig van de ziel in beweging en, mits met beleid door de rede gemend, naar grote hoogten kunnen brengen.

Angst voor rimpels

Veel jonge mensen, vooral studenten, hebben het gevoel dat het nog alle kanten op kan met hun leven. Ze krijgen de tijd om een eigen smaak te ontwikkelen, verschillende geliefden uit te proberen, in uiteenlopende contexten vrienden te maken, tijdelijke bijbaantjes te hebben en van studie te switchen. Sommigen kiezen ervoor om tussendoor op wereldreis te gaan. Vooral de ‘twijfelkonten’ kunnen zo jarenlang alle mogelijk- heden openhouden; er is niemand die hen dat verbiedt. Integendeel, ze vormen juist een volmaakte belichaming van het beeld van vrijheid dat we er in onze samenleving op na houden. Filosoof Cornelis Verhoeven suggereert dat ook het westerse schoonheidsideaal (een jonge uitstraling en een gladde huid) voortkomt uit onze voorkeur voor het leven als belofte, als nog oningevulde mogelijkheid. De jeugd vertegenwoordigt die belofte, en daarom willen mensen zo lang mogelijk jong lijken, zelfs als ze het niet meer zijn.

De ouderdom boezemt daarentegen angst in, want de jeugdige gladheid van het onbeschreven blad is vervangen door een gezicht vol ingevulde lijnen. Ouder worden is stollen, ‘meer onwrikbare vorm dan soepele mogelijkheid’ zijn. Bovendien kent dat wordingsproces in sterke mate een passief aspect. ‘Wij zijn wat wij gedaan hebben, wat met ons gebeurd is, wat gebeurd is met wat wij gedaan hebben en wat wij gedaan hebben met wat er met ons gebeurd is,’ schrijft Verhoeven. Natuurlijk maken we zélf bepaalde keuzes in ons leven, maar we zijn niet verantwoordelijk voor de dingen die op ons pad kwamen, die ons werden aangereikt of ons juist werden ontnomen, de beproevingen die we moesten doorstaan, en de onwillekeurige reacties waaraan we op sommige momenten ten prooi vielen. Rimpels vormen volgens Verhoeven een visuele weerslag van deze wisselwerking tussen activiteit en passiviteit in ieder leven:

In de horizontale en verticale rimpels op het gezicht van een rijpe mens kruisen als het ware de actieve en passieve bestanddelen van het bestaan zich, verwondering en frons, openheid voor wat er gebeurt en een poging om het te verwerken en tot eigen bezit te maken.

Het resultaat is een lijnenpatroon ‘waaraan geen plan ten grondslag ligt’ en dat niemand heeft kunnen voorzien. Verhoeven vergelijkt het met een organisch gegroeide oude stad, ‘die altijd interessanter is dan een bedacht aangelegde nieuwbouwwijk.’ De kwaal van onze tijd is echter dat we geen vreemde invloeden meer in ons leven dulden, maar het liefst alles zelf willen ontwerpen. Krijgt de grilligheid van het lot tóch de overhand, bijvoorbeeld in de manier waarop ons gezicht aan ons verschijnt in de spiegel, dan gaan we dat met allerhande schoonheidsproducten en anti-age smeermiddelen te lijf. In feite is hier sprake van een strijd tegen het verleden, aldus Verhoeven, en hebben we onszelf aan de heersende mode onderworpen, die eeuwige jeugd en oningevulde vrijheid voorschrijft. Maar

wij kunnen onszelf nauwelijks zwaarder verminken dan door ons verleden radicaal te verloochenen. Het verleden bepaalt onze eigenheid en de vorm waarin wij bestaan. Wij worden gevormd door wat wij achter ons laten, door de langzaam verstenende gevolgen van een eenmaal gedane keus waarop wij niet terug kunnen komen zonder de pijn van een nieuwe geboorte. Dat groeiend rif wordt tot een huis waarin wij als een slak wonen en waarvan wij ons niet los kunnen maken.

Naarmate wij gestolder worden en een groter, zwaarder slakkenhuis meedragen, wint ons leven aan samenhang en herkenbaarheid. De schoonheid van oudere mensen is niet algemeen en onpersoonlijk zoals die van jeugdige poppengezichtjes of knopjes in de lente. Veeleer is het de schoonheid van een individueel, doorwrocht verhaal of van doorleefde, bontgekleurde herfstbladeren.

Bron: Cornelis Verhoeven, Een verleden als bezit, 1977.

Aan het infuus

Voor de Chinezen schijnt ‘chi’ het woord te zijn waarmee ze naar levensenergie verwijzen. Het is de mate waarin je lichaam zich behaaglijk voelt in de wereld en zin heeft om te dansen, op pad te gaan, gewoon als doel op zich, omdat het fijn is om te dansen en bewegen, kijken en ademen en lachen. Voor mij zijn er drie dingen bij uitstek die me nieuwe chi verschaffen, alsof ik een vampier ben die met volle teugen vers, warm bloed opzuigt en dat tintelend door zich heen voelt stromen.

Eén van die dingen is schrijven, wat weliswaar een cognitieve bezigheid is, maar toch ook een heel vitalise- rende. Je dwingt jezelf daarbij om naar jezelf te luisteren en dat heel persoonlijke, bijna onhoorbare leven in je binnenste opnieuw aan het woord te laten, de hoofdrol te geven. Zodat je weer leeft vanuit je eigen perspectief, en niet vanuit een perspectief dat je opgedrongen is, dat je overgenomen hebt van anderen, maar dat voor jouzelf onvoldoende waarheid bevat en geen recht doet aan de weg die je zintuigen en emoties willen gaan.

Ook krijg ik – méér nog dan van schrijven – een shot levensenergie van Oost-Europese zigeunermuziek, jiddische melodieën en fado-achtige klanken. Alsof het jubelen en jammeren van violen en doorleefde vrouwenstemmen een directe oproep van de aarde zijn, dezelfde stem die dieren aanmoedigt om uit hun holletjes te kruipen of juist nesten te bouwen, op strooptocht te gaan, hun vleugels uit te slaan, een parings- dans te doen of te vechten tegen de dreigende dood. Het is muziek die een wijsheid in mijn lichaam aan- wakkert die ik, eenzijdig intellectueel wezen, lange tijd genegeerd had, en ineens blijken mijn voeten en heupen, schouders en armen volmaakt te weten hoe ze moeten dansen, gehoorzamend aan een primitief gebod. Het is muziek die een instinctieve dimensie aanboort in de mens die vergeten was een dier te zijn, een laag van emoties in wie dacht alleen uit denken te bestaan.

Maar het levensmedicijn bij uitstek is verliefdheid, een infuus van pure, onvermengde chi, waarbij de geliefde medemens bewijst hoe mooi het leven zijn kan en hoe goed het kan lukken. De stem en ogen en handen van diegene zijn injectienaalden, vanwaaruit een overdosis levensenergie genadeloos je lichaam binnenstroomt en je ruw wakker schudt, zo wakker dat je nachten slapeloos worden of vol hartstochtelijke dromen.

Voorbeelden van muziek die rijk is aan chi:

  • Hinech Yafa (‘Wat ben je mooi’), gebaseerd op het Hooglied:
    Ik stond op om mijn Liefste open te doen,
    en mijn handen dropen van vloeiende mirre
    over de handgreep van de grendel.
    Ik deed mijn Liefste open,
    maar mijn Liefste was weg, Hij was weggegaan.
    Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet,
    Ik riep Hem, maar Hij antwoordde niet.
    De wachters, die in de stad ronde deden, vonden mij.
    Ik zei: Hebt u Hem gezien Die ik innig liefheb?
    Nauwelijks was ik hen voorbijgegaan
    of ik vond Hem Die ik innig liefheb.
    Ik greep Hem vast, liet Hem niet meer los,
    tot ik Hem gebracht had in het huis van mijn moeder,
    in de binnenkamer van haar die mij heeft gebaard.
  • Alle nummers van de Barcelona Gipsy Balkan Orchestra
  • Het opzwepende dansnummer Taraneasca uit Moldavië:

Picasso’s vrouwen

Hoezeer Picasso de vrouwen die hij portretteerde ook vervormde, het blijft goed mogelijk om in tientallen schilderijen de sensuele Marie-Thérèse Walter, de zwaarmoedige Dora Maar en de onafhankelijke Françoise Gilot te herkennen. Met elk van hen onderhield de kunstenaar gedurende meerdere jaren een liefdesrelatie, en met Marie-Thérèse en Françoise kreeg hij zelfs drie kinderen. Algemeen wordt aange- nomen dat iedere geliefde Picasso tot een bepaalde schilderstijl inspireerde, en binnen zijn oeuvre model heeft gestaan voor een archetypische wijze van vrouw- en mens-zijn. Hieronder komen Marie-Thérèse, Dora en Françoise achtereenvolgens aan bod.

Marie-Thérèse, die de kunstenaar leerde kennen toen hij 45 en zij nog minderjarig was, stond aan het begin van een periode vol sensuele vormen. Ze symboliseerde voor Picasso een ongecompliceerde seksualiteit en een haast naïef lijfelijk welbehagen. Vaak verbeeldde hij Marie-Thérèse slapend, met tussen haar armen twee appelachtig ronde borsten, een volumineuze ronde buik en billen als van een vruchtbaarheidsgodin. De schilderijen waarin niet Marie-Thérèse’s golvende lichaam maar haar gezicht centraal staat, zijn teder en sereen: blijkbaar vertegenwoordigde dit zinnelijke meisje voor Picasso niet zozeer het traditionele archetype van de hoer, maar zag hij in haar juist iets engelachtigs.

Terwijl zijn relatie met Marie-Thérèse voor het oog van de wereld verborgen bleef, begon Picasso gelijktijdig en in alle openheid een affaire met de surrealistische kunstenares Dora Maar. Dora was mondig, vele jaren ouder dan Marie-Thérèse en volgde met toenemende zorgen de toestand in het Europa van de jaren ’30. Uit de vele schilderijen die Picasso van Dora maakte, spreken geen ongecompliceerde lust en tederheid, maar veeleer de mengeling van bewondering, fascinatie en zelfs vrees die hij voor zijn geliefde koesterde.

Dora kon er bijzonder slecht mee omgaan dat zij niet Picasso’s enige vriendin was. Niet alleen bleef hij Marie-Thérèse en hun gezamenlijke dochter Maya bezoeken en onderhouden, maar tevens dook er na verloop van tijd een derde – opnieuw veel jongere – vrouw in zijn leven op, Françoise, met wie Dora niet meende te kunnen concurreren. Te midden van de gespannen oorlogssfeer in de wereld en de liefdesdrama’s in haar eigen leven verviel ze tenslotte in een psychotische toestand, waarvoor ze met – beschadigende – elektroshocks behandeld werd. Daarna schijnt ze nooit meer dezelfde te zijn geweest.

In zijn soms groteske portretten van Dora benadrukte Picasso haar grote, ernstige ogen, forse kin en wijde neusvleugels. Opvallend is bovendien het gebruik van hoekige vormen en vervaarlijk scherpe punten. In de periode waarin Picasso aan zijn beroemde oorlogsschilderij Guernica werkte, stond Dora model voor de ontroostbare weeping women.

Picasso’s nieuwe geliefde, de 21-jarige Françoise, was net als Dora Maar zelf kunstenares. Uit de autobio- grafische geschriften die ze heeft nagelaten, komt een zelfbewuste, filosofisch ingestelde vrouw naar voren. Françoise liet zich niet kleineren door de tamelijk zelfingenomen Picasso, en slaagde erin haar zelfbeeld niet tezeer afhankelijk te maken van zijn vleiende bewondering. Picasso’s schilderijen en portretten van haar ademen dan ook vreugde en harmonie. Françoise heeft tien jaar met Picasso samengeleefd.

 

Blauw en rood

That this blue exists makes my life a remarkable one, just to have seen it.
To have seen such beautiful things.
To find oneself placed in their midst.

Momenteel lees ik het experimentele literaire essay Bluets van Maggie Nelson, een Amerikaanse die een hypothese uitspreekt die ik al jarenlang koester: dat de grijsblauwe kleur van mijn ogen de bron is van mijn intuïtieve voorkeur voor een breed palet aan tinten blauw, van ultramarijn (de kleur van lapis lazuli) tot blauwgrijs (zoals de zee). Bovendien heeft blauw in mijn ogen iets verhevens; het is de kleur van de lucht, van het hogere, het hemelse. Het is de kleur waarin schilders uit de middeleeuwen en de renaissance het gewaad van Maria weergaven, een verwijzing naar haar reine, verinnerlijkte staat. Het is de kleur van innigheid en concentratie, van de winter en je binnenskamers terugtrekken, alleen. Het is geen sensuele kleur, maar wel een die een beroep doet op het verlangen naar het verre, verborgene en beeldschone. Heinrich von Ofterdingen, een personage van de romantische auteur Novalis, heeft visioenen van een hemelsblauwe bloem en besluit zijn leven te wijden aan het vinden daarvan in de werkelijkheid.

Minder romantisch en eenzaam is rood, de alarmkleur die vloeit bij vruchtbare vrouwen, ruwe penetratie, geboorte, verwondingen en moord. Bloed komt tevoorschijn waar ons organisme zich opent en verkeert in verstrengeling met de buitenwereld. Bloed geeft de huid haar roze gloed en stroomt sneller als we zwoegen of opgewonden zijn, lijfelijk-aards existerend als beesten, zwetend, rauw. Terwijl blauw omhoog zweeft, trekt rood naar beneden; blauw is ijl en ontastbaar als wolken; rood bonkt en is warm, levend. Blauw is ver weg, rood is nabij; blauw is zangerig-zacht, rood luid en schreeuwend. Blauwheid kan ontsnapping zijn, terwijl roodheid ons kluistert aan het heden van een vrijpartij, kraambed of sterfbed. Blauw is Bach, rood is Stravinsky in Le sacre du printemps.