Weblog

Mentale Schutzmantel

Een van de meest tedere voorstellingen uit de christelijke traditie vind ik de Schutzmantelmadonna. Het betreft een beeld van Maria die haar schützende (beschermende) mantel rondom alle mensen slaat die hun toevlucht bij haar zoeken: monniken, nonnen en kardinalen, maar ook boeren en bedelaars, kamermeisjes en hooggeplaatste adellijke figuren. In de middelste afbeelding hierboven zijn al Maria’s beschermelingen naakt, wat hun wezenlijke gelijkheid benadrukt: voor de christelijke oermoeder doen rangen en standen, talenten en prestaties er niet toe.Zulke poëtische visioenen als de middeleeuwers hebben wij postmodernen helaas niet meer. Wij moeten het doen met abstracte idealen en documenten, bijvoorbeeld de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Toch geloof ik dat het beeld van de Schutzmantelmadonna nog steeds tot onze verbeelding kan spreken. Stel je eens voor dat je zélf een mentale Schutzmantel draagt, een heel wijde, die ruimte biedt aan alle mensen die je tegenkomt. Niemand is in jouw ogen meer louter vervelend, geheel oppervlakkig of door en door slecht. Nee, vanonder je mantel besef je hoezeer er in iedereen een naakt, kwetsbaar mensje schuilt, precies zoals jijzelf, en hoezeer we elkaars schützende liefde en mildheid nodig hebben.

De utilitaristische filosoof Jeremy Bentham (1748 – 1832) nodigt ons uit nog een stap verder te gaan. Hij stelt namelijk voor om onze mentale Schutzmantel niet voor te behouden aan mensen alleen:

Misschien komt er een dag dat wordt erkend dat het aantal benen, de behaardheid van de huid of het uiteinde van het staartbeen geen reden mag zijn om andere gevoelige wezens te mishandelen. […] De vraag is niet: kunnen zij redeneren? of: kunnen zij praten? Maar: kunnen zij lijden? […] Er komt een dag dat de mensheid haar mantel zal uitslaan over alles wat ademt.

Sopraanstem

Natuurlijk, naturel, onopgesmukt – dat is het type schoonheid waar ik het meest van houd, zowel qua fysieke looks als qua zangstemmen. Popzangers met een wat geknepen, snerpend of overdreven kreunend stemgeluid vind ik moeilijk te verdragen; doe mij maar zangeressen zoals Joni Mitchel en Joan Baez die schijnbaar moeiteloos, met een stem die nauwelijks van hun spreekstem afwijkt, melancholische liefdesliedjes zingen.

Hoe kan ik dan zo dol zijn op klassieke zang, een vorm van stemgeluid die bepaald niet natuurlijk is? Neem de countertenor, een man die – in navolging van de vroegere castraat – de toonhoogte van een jongens- of vrouwenstem haalt, hoewel zijn spreekstem meestal een octaaf lager ligt en daarin niet afwijkt van die van andere mannen. Of de basstem, waarbij de natuurlijke diepte van een mannenstem extreem wordt uitvergroot.

Het was in mijn studententijd dat ik voor het eerst aan klassieke muziek, en dus ook aan klassieke zang, werd blootgesteld. Dat was erg wennen, en ik vond het niet onmiddellijk mooi. Ik geloof dat mijn liefde begon met de Franse countertenor Gérard Lesne, wiens ingetogen uitvoering van Scarlatti en Bach mijn toenmalige geliefde voor me op een cd’tje had gebrand. En met de Matthäus Passion door de Bach-vereniging, waarvan ik de generale repetitie in de intieme Geertekerk in Utrecht bij mocht wonen, en waar sopraan Dorothee Mields indruk maakte met haar hemelse gelaatsuitdrukking tijdens het zingen. Zo hoog als zij zingen kon, kon ik dat eigenlijk ook? vroeg ik me af. Als kind stond ik erom bekend dat ik zo hoog en hard kon krijsen, vooral als ik aan het eind van een drukke dag overprikkeld was, maar ook toen ik een keer vanaf de eerste verdieping van de Eiffeltoren de aandacht van mijn moeder en zus op de grond wist te trekken met mijn snerpende gil.

In een parkje in de buurt van mijn studentenkamer besloot ik op een druilerige avond – dan zou ik vast geen andere wandelaars tegenkomen – te testen hoe het tegenwoordig met mijn stem was gesteld. En zo-waar, piepend en krakend bereikte ik zelfs de hoge C. Ik wist dat het nergens naar klonk, maar ik kón het; die hoge hoogte had al die tijd verborgen gelegen in mijn borst.

En dat is waarom ik klassieke zang wél kan waarderen en niet vind dat het met mijn ideaal van ‘natuurlijk-heid’ botst: het is een uitvergroting van onze natuurlijke hoogte of laagte. In het vervolg oefende ik iedere avond in het park, en niet alleen bereikte ik de hoge noten met steeds meer gemak; ook was na iedere sessie mijn spreekstem een stukje hoger geworden. Ik ervoer mijn oefeningen als een duikactie: vanuit de diepte haalde ik mijn ‘ware stem’ naar de oppervlakte, die natuurlijk nog fragiel klonk en onvast, maar die toch iets over mezelf onthulde en me dichter bij mezelf bracht.

Ook voelde ik me lichter als ik zong, alsof de hoge frequentie van mijn uitgewasemde lucht de zwaartekracht neutraliseerde. Geen idee hoe dat werkt bij mannen die met een tenor- of basstem zingen, maar voor mij als sopraan riep het zingen onmiddellijke associaties met vliegen op, zoals ook paardrijden dat in mijn jeugd had gedaan: het ver boven de grond op een machtig wezen heen en weer wiegen. Net als Dorothee Mields hield ik ervan om te wiegen tijdens het zingen, en het maakte me niet uit hoe dat er voor anderen uit zou zien: zingen was iets van mij alleen, iets heel intiems, geen kunstvorm maar een vorm van meditatie.

Ook het luisteren naar professionele sopranen, degenen die zich hun ware stem volwaardig toegeëigend hebben, geeft me de illusie dat ze mij mijn eigen stem openbaren in haar ware gedaante, en een voorproefje bieden van hoe hoog ik daarmee vliegen kan.

De klauwen van de stad

Meestal begint de dag licht; als een verleidelijke minnaar spoort de stad me aan me in zijn straten te begeven. Gemoedelijke toeristen uit alle landen strelen me met de klanken van hun taal, Italiaans, Zweeds, bekakt of juist heel working class Brits, de frisse wind een zachte kus als ik uit de metro stap. Het uitzicht vanaf de hoge bruggen over de grachten is het romantische gezicht dat Amsterdam, mijn nieuwe minnaar, graag van zichzelf laat zien, in het begin althans.

Ja, af en toe ontstaan er wel conflictjes tussen ons, een brommer die plotseling naar de stoep uitwijkt om een auto te omzeilen maar daarbij mij bijna raakt, een brede weg die ik nauwelijks durf over te steken, twee banen auto’s, in het midden taxi’s en trams, een en al getoeter terwijl ik pas halverwege ben, sirenes van een ziekenwagen… – ik overleef ternauwernood en verwijt mijn minnaar met nog nabibberend lijf dat hij soms zo onvoorzichtig met me omgaat.

Galerieën, excentrieke winkeltjes, een paard van piepschuim, spitzen in de etalage, 62 euro het goedkoopste paar, wordt me verteld wanneer ik informeer. Het zijn de cadeautjes waarmee mijn stad me overlaadt om het weer goed te maken. Echt waar, zie hoe hij probeert me te paaien: een zingend meisje in een bakfiets, geurende rozen tegen de gevel van een eeuwenoud pand, een rekje gratis mee te nemen afgedankte boeken.

Gul is hij, mijn tas wordt steeds zwaarder en mijn geest enthousiaster: wat zal ik om de hoek aantreffen? Hoe zullen de hofjes zijn die mijn stad me – via de plattegrond waarmee hij me leidt als met wenkende hand – heeft beloofd? Zal ik nog meer bijzondere galerieën vinden, een hedendaagse kunstenaar wiens werk me écht raakt? Ik watertand van intellectuele geilheid terwijl de stad in z’n handen wrijft: nu heb ik haar te pakken, ze is de mijne, helemaal!

En als een gulzig beest slaat hij, twee galerieën later, toe, zijn greep die van een wurgslang, nee, een octopus met duizend kronkelende armen. Duizendvoudig is het wat ik voel; via duizend openingen in mijn lichaam word ik opgevuld, ja, volgestouwd – het is ruw, het is verkrachting, het is de stad die zich als een bezitterige minnaar om me heen vouwt en me verplet met een oneindigheid aan kleur, beweging, schel geluid, sirenes, knipperlichten, bijna-botsingen, een knal.

Voorbijgaande lijven die langs me schuren, een schouder, een schouder, een trambel, een brommer, mijn zacht lichaam vermorzeld door luidruchtig grommende motoren overal, felgele uithangborden, penetrante shoarmadampen, geratel over rails, een gillend kind, een zwerver die iets van me wil, zigzaggende fietsen en brommers en auto’s, een onophoudelijke stroom die alle ogen en oren en lippen van mijn lichaam openrijt, ze bestormt als een leger soldaten, zwaarden met spiezende punten voor zich uit >>>>>>>>>>

En mijn blote huid wordt bewerkt tot een netwerk van bloedrode sneeën en rafels, in onzichtbare stromen sijpelt mijn leven erdoorheen. Mijn innerlijke batterij raakt leeg, het alarmlampje begint te knipperen… toe, geef me iets om vast te houden, me aan vast te houden… ontruk me aan de klauwen van mijn minnaar – hij verslindt me!

Thuis ontwaak ik – thuis, dat is de kleine kamer die ik in betere tijden gekscherend mijn ‘kloostercel’ noem. Hoe ik het heb bereikt herinner ik me niet, zoals een vrouw haar barenspijnen – bloed! messteek! bloedend leven door een snee! – vergeet; voor iets ondraaglijks bestaat geen referentiekader, dus nadien verglijdt het.

In de verte snurkt mijn minnaar grommend na, rookt hij bevredigd zijn sigaret van uitlaatgassen via auto’s voor mijn raam, steeds luider ronkend komen ze nader <<<>>> steeds zachter ronken ze de verte in.

Mascara, menstruatie en mystiek

Als zestienjarige ontdekte ik de indringende portretfotografie van Rineke Dijkstra tijdens een overzichts- tentoonstelling in het Stedelijk Museum. Eindeloos vergaapte ik me aan haar kwetsbare puberjongens en -meisjes in badpak, de kersverse, nog nabloedende moeders met verfrommelde menshoopjes in hun armen en de geleidelijk verhardende blik in de ogen van opgroeiende Franse en Israëlische soldaten, die Dijkstra heeft vastgelegd met tussenpozen van enkele maanden of jaren.

In haar foto’s van tieners, worstelend om hun kwetsbaarheid te verhullen en een pseudo-volwassen dosis sexappeal of stoerheid aan de dag te leggen, herkende ik mijn klasgenoten, waaronder de jongen die me graag voor schut zette om de klas aan het lachen te maken, en de vroegrijpe meiden die samenzweerderig rondhingen bij de toiletten met etuitjes vol lippenstift, foundation en mascara. Ook zag ik mijn eigen onvermogen me een houding te geven, mijn afschuw van de blik van anderen en mijn angst voor camera’s weerspiegeld in sommige van Dijkstra’s modellen. Ze durven eigenlijk niet op de foto te gaan, stralen ze uit, maar blijkbaar heeft de fotografe hen zover gekregen om tóch mee te werken, zodat ze hun ongemakkelijke, prille schoonheid bloot kon leggen en verheffen tot archetypische proporties.

Een van haar bekendste portretten, een slungelig Pools pubermeisje in een groen badpak op het strand, doet met haar ingetogen pose en golvende haren in de verte aan de sierlijke Venus van Botticelli denken. De jonge Poolse heeft tot aan haar heupen door het zeewater gewaad, zodat haar badpak bij de schaamstreek vochtig is. Ze heeft de leeftijd van beginnende menstruatie, en er wordt wel beweerd dat Dijkstra’s portret verwijst naar de vrouwelijke vruchtbaarheid – ook daarin zou een overeenkomst tussen het pubermeisje en Venus bestaan, in de klassieke Oudheid het symbool van lust en vruchtbaarheid.

Gisteren bezocht ik, meer dan tien jaar na mijn eerste kennismaking, opnieuw een tentoonstelling van Rineke Dijkstra in het Stedelijk Museum, dit keer van bescheiden omvang. Behalve zo’n twintig grote foto’s wordt er een vijftal video’s getoond, die alle een aspect van jong-zijn en volwassen-worden belichten. Het meest sympathiek vond ik twee video’s waarin Britse basisscholieren, gekleed in een keurig schooluniform, zich wijden aan hun opdracht om Picasso’s Weeping Woman in de Tate Modern te analyseren. Volkomen ongegeneerd opperen de kinderen om beurten redenen waarom de vrouw zo verdrietig zou zijn. Is er een dierbare of een huisdier gestorven, wil haar beste vriend niet meer met haar omgaan, is ze eenzaam, vindt ze het leven gewoon niet meer leuk? Of huilt ze misschien wel uit blijdschap? Er lijkt geen sprake te zijn van onderling oordelen tussen deze scholieren; oprecht gaat hun aandacht naar het gezamenlijke studieobject uit, Picasso’s hoekige, excentrieke schilderij.

De volgende opdracht bestaat erin de Picasso na te tekenen. Dijkstra registreert daarbij de concentratie van een mollig, roodharig meisje, wier blik zonder ophouden tussen het schilderij en de lijnen in haar schriftje heen en weer beweegt. Ze is zich er niet van bewust zélf het middelpunt van een kunstwerk te vormen, en precies die kinderlijke onbevangenheid roept sympathie bij de kijker op. Het meisje en haar klasgenoten laten een glimp zien van de mens als onderzoeker en als kameraad, nieuwsgierig en integer.

Een groot contrast daarmee vormen de opnames in een discotheek in Zaandam en Liverpool in de jaren ’90. Die tonen het rijk van veertien-, vijftien- en -zestienjarigen, waarin niet langer de eigen nieuwsgierige blik, maar de dreigende blik van de ander regeert. Onderworpen aan een tirannieke aanpassingsdwang wringen de gefilmde jongeren zich in allerlei bochten om bij hun leeftijdgenoten in de smaak te vallen, om stoer of sexy gevonden te worden.

Een schriele, bijna meisjesachtig verfijnde jongen staat met verbeten blik, vurige wangen en verkrampte kaken te ‘hakken en zagen’, zijn ellebogen en vuisten beukend in de lucht. Een stevig gabbermeisje met kaalgeschoren slapen verschrikt me door de sadistische hardheid in haar gezicht en doet me, ondanks haar jeugdige leeftijd, een beetje aan een nazikampbeul denken. Tevens roept ze herinneringen aan de Lonsdale-jongeren uit mijn eigen middelbare schooltijd in me op, de agressie waarmee zij op volwassenen, losers, nerds en allochtonen scholden.

Er verschijnen uitzonderlijk sletterig geklede meisjes in beeld, soms met onschuldige kindergezichtjes nog, die hun blote heupen en buik zo verleidelijk mogelijk laten schudden en draaien, ondertussen lurkend aan een sigaret. Onder hen bevindt zich een popachtig kindvrouwtje met donkerbruin haar, hooguit vijftien schat ik haar, wier donkere ogen – ondanks haar zelfbewuste oogopslag – een grondeloze onzekerheid verraden.

Ook krijgen we een slungelige knul in een te wijde blouse en zijn wulpse vriendinnetje te zien, verwikkeld in een innige omstrengeling. Onhandig laat zij haar armen over zijn borst en schouders glijden, terwijl hij haar heupen betast, het blanke vetrolletje dat onder haar naveltruitje uitblubbert. Hun zoenen ziet er behoorlijk oncomfortabel uit, heeft iets van happen of smakken weg, en door de kronkelige bewegingen die ze erbij maken verliest voortdurend één van hen z’n evenwicht, en moet dan een wankel stapje opzij doen om niet om te vallen. Hier lijkt niet zozeer sprake te zijn van lust, maar van de drang iets uit te proberen, ergens bij te horen, een ingewijde in de wereld der volwassenen te zijn.

Te midden van de onbevangen schoolkinderen en experimenterende tieners nemen Dijkstra’s portretten in de Berlijnse Tiergarten een bijzondere plaats in. De foto’s ademen een dromerige sfeer, en laten een fragiel – bijna mystiek – moment van ontwaken zien. De jongen en de twee meisjes drukken met hun houding en gezicht een toestand van verhevigde alertheid uit, overweldigd als ze zijn door iets buiten het kader van de foto, een wild dier misschien, een olifant of leeuw of tijger – dat is niet zo belangrijk. Het gaat erom hoe ze daar staan, alléén, als aan de grond genageld, en zichtbaar maken wat het betekent op jezelf teruggeworpen te zijn; om zélf, hoe wankel ook, de wereld tegemoet te treden. De door het bladerdek gefilterde zon werpt kringen van licht rondom hen op de grond, die bijdragen aan de magie van het gesuggereerde ogenblik.

Eenzelfde magische alertheid zie je in de foto’s van zojuist bevallen vrouwen, die ook op de tentoonstelling vertegenwoordigd zijn. Hun naakte lichamen drukken een onoverwinnelijke levenskracht uit, waardoor ook de vrouwen zèlf verrast en overweldigd zijn, getuige hun verdwaasde blikken. Baren ligt in de sfeer van bloed en geweld; het gaat gepaard met een dreiging die groter is dan de puberale angst niet populair te zijn of buitengesloten te worden. Deze vrouwen hebben zojuist de dood in de ogen gezien; ze hebben immers – met gevaar voor eigen leven – de doorgang naar het leven mogelijk gemaakt voor een nieuw, nog onbekend menselijk wezen. Hun gezichtsuitdrukking is daarom oneindig veel dieper en veelzeggender dan de holle blikken van de angstige, verleidelijk opgedofte jonge meisjes. Leven is melk, is gedragen worden en in je armen klemmen – stoer of sexy willen zijn ligt dan ver voorbij je horizon, in een nog onvoorstelbare toekomst of een op dit moment irrelevant, niet meer herinnerbaar verleden.

Het is interessant dat de moederportretten een plaats innemen op een tentoonstelling die grotendeels aan de identiteitsstrijd van opgroeiende jongeren is gewijd. Op die manier krijgen we verschillende cruciale, transformerende fasen in een mensenleven te zien, verschillende vormen van schoonheid en strijd – en geen mens die aan ook maar één van deze vormen kan ontkomen, omdat we allemaal groepsdieren zijn, aan de blik van de ander onderworpen, en borelingen bovendien, die bebloed uit de vagina van onze moeders tevoorschijn zijn gekomen, hartstochtelijk happend naar lucht, worstelend om te overleven.

T/m 6 augustus 2017 is er in het Stedelijk Museum Amsterdam een tentoonstelling met foto’s en video’s van Rineke Dijkstra. Klik hier voor meer informatie.

Ode aan de jurk

Dit is een ode aan de dansjurk, de soepel vallende zomerjurk, de wervelende stof van kleine meisjes die eindeloos rondjes draaien met gespreide armen en wapperend haar. Een jurk waar blote voeten onder passen, die wijd genoeg is om niet te verklappen of er een onderbroek of beha onder gedragen wordt of helemaal niets. Een jurk voor op warme namiddagen aan het strand, de onderste rand door het zeewater bevochtigd, een zoele bries die de katoenen materie op doet bollen en de benen en buik van de draagster verkoelend betast, streelt, verleidt. Een jurk als een krans van bloemblaadjes, het dansende meisje in het midden de stamper, of een engel die weg wil vliegen en haar vleugels spreidt.

Een jurk voor op feest- en verjaardagen, zij te midden van haar knuffels en andere geschenken, de benen in kleermakerszit of omwijd, oneindig comfortabel, de vrolijke stof als een dekentje over haar heen. Een jurk die aan elfen en feeën doet denken, aan jonkvrouwen, prinsessen, priesteressen en vinnen en staarten, ze zou ermee weg willen zwemmen of een vroeger tijdperk binnen schrijden, de middeleeuwen, de oertijd, toen mensen nog aan magie deden en in contact stonden met de natuur.

Een manier om nudist te zijn en toch gekleed te gaan, het lichaam blootgesteld aan de wind maar bedekt tegen glurende ogen. Kleding die je niet áán hebt, maar om je héén. Die je niet draagt, maar waar je intiem, teder, meisjesachtig door wordt aangeraakt. Zoals de schouders van vrouwen met lange haren subtiel door een waasje blond, rood, bruin of zwart gekieteld en geliefkoosd worden.

Opmerkelijke pose

Amsterdam Centraal roept een gecompliceerde mengeling van gevoelens in me op: verdwaasdheid vanwege de overdosis aan indrukken, verrukking over de volslagen uiteenlopende mensenlevens die er samenko-men, een heel lichte angst – die behoorlijk onnodig is, omdat verkeersongelukken vele malen vaker voorko-men – dat er iets zal ontploffen of iemand zal gaan schieten. Zulk onbehagen verhindert me niet om gulzig in etalages te staren en etensgeuren in te ademen, te glimlachen om iemand die zingt of pianospeelt of een kindje dat danst.

Gisteren was er iets anders wat mijn aandacht trok, een groepje Afrikaanse vrouwen in felgekleurde gewaden in het midden van de hal waar alle perrons – via trappen en roltrappen – op uitkomen. Bij een pilaar hadden ze kleedjes uitgespreid, waar ze omheen stonden alsof er iets te gebeuren stond, alsof ze samen ergens op wachtten. Ik liep verder, maar bleef nieuwsgierig over m’n schouder naar ze gluren. Plotseling leek één van hen een startsein te geven, hield de handen aan de oren, en meteen volgden de anderen. Na een reeks gebaren zakten de vrouwen door de knieën en raakten met hun voorhoofd de grond, een ongemakkelijke pose waarin ze een poosje volhardden.

Bijna wilde ik teruglopen, verwonderd over zoveel vrijmoedigheid en spiritualiteit in zo’n anonieme, bedrij-vige stationshal, en dat in een land waar moslims en hun geloofspraktijken meer en meer gewantrouwd worden. Misschien waren deze vrouwen daar niet van op de hoogte, kwamen ze zojuist van Schiphol – getuige de grote, eveneens felgekleurde tassen die hun gebedskleedjes omringden. Daar kwamen ze alweer overeind – en de gêne overwon in mij, zodat ik niet durfde te blijven staren, maar een resoluut tempo aannam en het station uitbeende, op weg naar de lezing waarvoor ik naar Amsterdam gekomen was.

Een week daarvoor, in een museum in Den Haag, had een oudere man mij met eenzelfde mengeling van schroom en fascinatie gadegeslagen terwijl ik hartstochtelijk aantekeningen zat (/lag) te maken op een bankje tussen de schilderijen. Ik herinner me hoe hij me plotseling, toen we samen voor het zelfportret van Alice Neel stonden, enkele zalen verderop, voorzichtig aansprak en een foto op het schermpje van zijn camera liet zien: ik, opgekruld op een bankje, verdiept in mijn schrijfsels. Een opmerkelijke pose had hij het gevonden, zei de man – hij was zelf kunstenaar. Zoveel concentratie, dat herkende hij wel, dat vond hij te mooi om niet op foto vast te leggen – hoewel hij het ook een beetje brutaal van zichzelf vond. Hij beloofde me de foto op te sturen, wat hij vanochtend deed:

Is schrijven ook een vorm van bidden?

Dit is mijn vlees

De hedendaagse blik op het naakte vrouwenlichaam is een snijdende blik. Een blik vol veroordeling van vlees dat er niet zou mogen zijn. ‘Zij is best mooi, maar jammer van die kilootjes teveel aan haar heupen, billen, dijen, bovenarmen, buik of kin.’ Alsof welvingen niet zouden mogen bestaan, behalve op strikt voorgeschreven plekken, waar ze zelfs vereist zijn. Laat mijn vlees vrij zijn, laat het trillend dansen en bewonderenswaardig zijn in ogen die niet snijden maar strelen.

Dit is nu eenmaal de levensstijl van ons welvarenden, daar horen bepaalde genietingen bij; we eten zodra onze maag erom vraagt, en als we ervoor kiezen, besteden we veel tijd aan geestelijke inspanningen, aan geconcentreerd stil zitten. Daar hoort dit lichaam bij – waarom niet? Waarom zou het honger of fysieke discipline uit moeten stralen, als dat in wezen niet past bij wat ik het belangrijkste vind – lezen, schrijven, denken, leren? Waarom m’n tijd, aandacht en liefde verspillen aan het willen voldoen aan normen die me opgedrongen zijn?

Dit is mijn vlees.
Dit is jouw vlees.
Zo zijn we, zo zijn we geboren en zo zijn we geworden, zo leven we, dit is het vlees dat we zijn. Hoe durf je zoiets zachts en warms en kostbaars… hoe durf je zoveel kinderlijke spontaniteit te wantrouwen en straffen, op te meten, uit te leveren? Hoe durf je vreemd te gaan met een lichaamsvorm die de jouwe niet is, ontrouw te zijn aan je eigen en die van alle gewone, zachte, weke, alledaagse medemensen? Hoe durf je haar te zeggen dat ze zoals die ander moet zijn? En zelfs dan vind je haar waarschijnlijk nog niet goed genoeg.

Leve de weekheid, het wondere heen en weer schudden als je beweegt, het zachte dansen en deinen, het lijfelijke weten van gezondheid en welbehagen. Leve het oncontroleerbare, sterke, onafhankelijke vlees dat er onomstotelijk is, zomaar, in volle glorie, een lofzang, een reidans, een bewijs van vruchtbaarheid, een ode aan het leven.

Leve de heuvels van mijn lijf, de toppen en dalen, de inkepingen, beekjes en stromen, de kloven en holtes en haren, het bobbelige rond m’n tepels, het harde van m’n nagels, de vrolijke borstjes, de romige buik, als een maan waar de rest van mij uit tevoorschijn steekt, omheen draait, moederlijk gekoesterd en gedragen.

Leve de kameleon die mijn lichaam is, de koe die in mijn hangende borsten schuilt, het trekpaard in mijn zwoegende stappen, het lammetje als ik vreugdesprongen maak, de onbekommerde hond als ik vanbinnen kwispel, het pasgeboren poesje in mijn dichtgeknepen ogen als de wekker gaat, het schichtige hert, de stoere hengst, de broze vlinder en de geile kater die samen mijn eindeloos lichaam bevolken.

Dit ben ik, dit sidderende vlees, dat onder de aanrakingen van de wereld beeft, dit klankbord voor geuren, kleuren, klanken, stoffen, lucht, licht, bodem, stekels, druppels, adem. Bevrijd mijn lichaam, bevrijd het paard en het zwijn en de poes en de aap en de zwaan van mijn lijf. Laat ze fier schrijden, wijds wieken, gemoedelijk week en hitsig loerend zijn, met grijpende vingers, weeïg vlees, een weeïg hart. Een grijpend hart. Ja, vrij. Een vrijlijf. Een vrij lijf.

Moge het ook in onze rode periodes zo zijn.

Amen.

Vrouwelijke seksualiteit

In twee opzichten is de Zweedse fotografe Lina Scheynius helemaal van deze tijd. Allereerst omdat ze selfies maakt, vooral van individuele lichaamsdelen: haar handen, armen, benen, billen en geslacht. En ten tweede omdat haar fotografie past binnen de hedendaagse zoektocht naar een beeldtaal voor de vrouwelijke erotiek. Eeuwenlang zijn vrouwen weliswaar naakt en in aantrekkelijke poses afgebeeld, maar daarmee werd vooral beoogd de mannelijke kijker te behagen. Veel hedendaagse vrouwelijke kunstenaars zoeken daarentegen naar een manier om de innerlijk beleefde seksuele gevoelens van vrouwen aanschouwelijk te maken, om vrouwen te sterken in het besef dat die gevoelens legitiem zijn, mooi zijn, en het onderzoeken waard. Omdat de vrouwelijke seksualiteit eeuwenlang genegeerd is, terwijl de (meer zichtbare) seksualiteit van de man centraal werd gesteld, leeft iets van de hieronder verwoorde ontkenning binnen onze cultuur nog steeds voort:

We are not told of the existence of the clitoris. The existence of the clitoris is denied to us. We feel but we have no name for what is feeling in us. We say nothing of this feeling. The denial of this feeling is not called a lie. We are told that this feeling in us is excessive. We are told that excessive feeling is a sign of illness. We bury even the memories of this feeling. We give it no name. We keep it secret from ourselves. We do not know we keep secrets. We forget how much we deny. We say we despise learning. We say we despise knowledge. We could not tell you what it would be: to touch truth, to cut away lies.

Susan Griffin, de auteur van bovenstaande passage, stelt dat ‘constantly telling lies in one way or another undermines a life and a soul’. Omdat zovele generaties vrouwen een zo vitaal deel van hun bestaan hebben onderdrukt, ontkend en genegeerd, zijn creativiteit en waarheidszin in het vrouwelijke deel van de mens- heid minder sterk tot ontwikkeling gekomen dan in het mannelijke. Griffin benadrukt dat de eenzijdigheid die daardoor in de westerse cultuur is ontstaan, door nieuwe generaties vrouwen moet worden gecom- penseerd. Veel hedendaagse feministen, zoals Sunny Bergman in haar documentaire Sletvrees, proberen voor vrouwen dezelfde vrijheden te bevechten die ook voor mannen gelden, bijvoorbeeld om ongeremd seksuele contacten aan te gaan zonder het label slet te hoeven vrezen.

Andere feministen wijzen er echter op dat vrouwelijke seksualiteit dan geheel in termen van mannelijke seksualiteit wordt begrepen. Maar zijn er geen verschillen tussen het mannelijke en het vrouwelijke seksuele beleven? Is het niet zo dat seksualiteit voor vrouwen minder in de sfeer van het presteren ligt? Zijn termen als teerheid, ontvankelijkheid, mystieke geladenheid, zich openen, overvloeien en vruchtbaarheid niet geschikter?

De foto’s van Lina Scheynius tonen een lichamelijke, van erotiek doortrokken vrouwelijke wijze van in-de-wereld-zijn, van verwantschap met de natuur en zorg voor het kwetsbare naakte lichaam. Een erotische taal vol suggestie en bijna-aanraking. Vloeien als water, bloeien als bloemen. Een siddering van licht.

De ontdekking van kunst

Een aanloop naar mijn liefde voor kunst vormde mijn liefde voor elfen. Die magische wezens kende ik uit de boeken en verfilmingen van The Lord of the Rings, waarin ze verpersoonlijkingen zijn van het spirituele, beschouwende leven. In diezelfde periode ontdekte ik de aquarellen van de Amerikaanse kunstenares Amy Brown, waar traditionele elfjes met wapperende jurken en felgekleurde vleugels behalve spiritualiteit ook een vleugje erotiek belichamen. Spiritualiteit en erotiek waren allebei domeinen waar ik als tiener bepaald niet in thuis was, maar die me bijzonder fascineerden, die verre horizonten vormden waarover ik kon dromen en speculeren. In de kunst van John William Waterhouse en Dante Gabriel Rossetti, vertegenwoor- digers van de Engelse prerafaëlieten, trokken diezelfde elementen me aan. Na een uitgebreide tentoonstel- ling van Rossetti in het Van Gogh Museum bestempelde ik mezelf als kunstliefhebster en nam ik me voor zoveel mogelijk kunstenaars te gaan zoeken die aan mijn gevoelens van verlangen en mysterie appelleerden.

Samen wisten mijn kunstminnende zus en ik onze ouders ertoe te bewegen met ons op Romereis te gaan. Onderweg in de auto bestudeerde ik mijn gloednieuwe overzichtsboek van de westerse kunstgeschiedenis, waarin ik kon zien dat de mooiste schilderijen van Sandro Botticelli in de Galleria degli Uffizi in Florence te bezichtigen waren. Toen ik daarom op de borden boven de snelweg ‘Florence’ zag staan, begon ik zo opgewonden te roepen en smeken dat mijn ouders toegaven en de afslag namen naar Florence, waar we enkele uren hadden om Botticelli’s Geboorte van Venus, Titiaans Venus van Urbino en Leonardo da Vinci’s Annunciatie te bewonderen. In die uren vonden mijn eerste echte confrontaties met Kunst plaats. Ik was me daar volkomen van bewust, en van enthousiasme, gelukzaligheid en spanning barstte ik bijna uit elkaar. Rondom me hingen honderden doeken uit verre tijden, waarin mythologie en magie aan de orde van de dag waren en beeldschone mannen en vrouwen de wereld leken te bevolken. Ik dronk de gouden haren van Botticelli’s rijzige, ingetogen Venus in, evenals de romig blanke rondingen van de Venus van Titiaan, de combinatie van haar zacht verlichte lichaam met het diepe rood van haar lippen en de rozen in haar hand. Van alle harmonie die ik vermoedde in de wereld van de Renaissance raakte ik volkomen in vervoering, van de aureolen rondom de hoofden en de plechtige gebaren waarmee engelen hun zegen gaven aan ernstige, ‘onbevlekte’ Madonna’s.

Eenmaal thuis begon ik fanatiek kunstboeken te verzamelen, vooral in de goedkope uitgaven van Taschen. Botticelli, Michelangelo, Vermeer, Matisse, Klimt, Schiele en de impressionisten vertelden me met hun kleurige doeken iets over het leven wat op school of in de saaie Nederlandstalige boeken die ik voor mijn literatuurlijst moest lezen zelden aan de orde kwam. Van belofte verhaalden ze, van bedoeling, vervoering, vervreemding en verlangen. Meerdere keren reisde ik in mijn eentje naar het Mauritshuis om het Meisje met de parel van Vermeer in de ogen te kunnen kijken. Haar puurheid van blik, daar wilde ik dichtbij zijn, daar wilde ik in opgenomen worden. Zo parelachtig verstild moest het leven zijn en tegelijk zo innig. Ik dwaalde middagen lang door Delft, de woonplaats van Vermeer, en leerde de sobere schoonheid van oud-Hollandse huizen en kerken te waarderen. In het Veluwse Kröller-Müller Museum oefende Van Gogh me erin mijn emoties in de natuur te herkennen, en in het indrukwekkende park rondom het museum probeerde ik mijn nieuwe blik onmiddellijk uit, zag ik de woeligheid van mijn innerlijk weerspiegeld in het kronkelen van bomen, het glooien van het landschap en het wuiven van het gras. Giacometti leerde me de eenzaamheid van het mens-zijn te onderkennen, het rijzige de-lucht-in-steken als een pilaar en het altijd op-jezelf-teruggeworpen-zijn, wie dat ‘zelf’ ook moge zijn, hoe ijl en substantieloos ook. Grote levensgevoelens zag ik weerspiegeld in kunst, nog vóórdat ik ze onder woorden kon brengen, nog voordat ik ze bij mezelf had onderzocht. Graag staarde ik een halfuur of langer naar eenzelfde beeldhouwwerk of schilderij, in de hoop het mysterie dat de kunstenaar daarin gelegd had te ontrafelen en voor mezelf iets duidelijker te worden, iets welomlijnder.

Bijna was ik kunstgeschiedenis gaan studeren, maar op het laatste moment werd het filosofie, omdat ik de vermoedens die kunst in me oproept met woorden aan wil raken; ik ben een verbaal ingesteld iemand. Bovendien kan de technische kant van kunst – hoe het gemaakt is en onder welke politieke en economische omstandigheden – me weinig schelen. Maar nog altijd laat kunst me zien dat de werkelijkheid mysterieuzer is dan mijn gedachten kunnen bevatten; kunst blijft een motor die mijn levensbeschouwelijke zoektocht aanvuurt, gaande houdt. Kunst betovert en verleidt me, wijst me gevoelens en wijzen van mens-zijn die ik nader wil verkennen. Het laat me zien hoe onpeilbaar diep mensen zijn, hoe gulzig maar toch ook onschul- dig, hoe waardig maar soms ook afstotelijk, hoe sterk en kwetsbaar tegelijk. Op dit moment houd ik vooral van Rembrandt en Goya; hun portretten laten échte mensen zien, geïsoleerd tegen een ongedefinieerde, tijdloze achtergrond. In hoeverre heeft het leven deze menselijke wezens aangetast? Welk weten spreekt er uit hun ogen? Hoeveel liefde drukt hun houding uit, hoeveel berusting, overgave, angst? Is er binnenin hen iets onaangetast gebleven, ondanks alles, en waaraan zie je dat?

We are no criminals!

———-——— Flarden uit de gevangenis —————-—

De twee Indiase jongens mogen elke week op een vast moment contact opnemen met hun vader en moeder. Ik zeg hen dat ‘my parents would freak out’ als ze zouden weten dat ik voor onbepaalde tijd in een of ander buitenland in de gevangenis zou zitten. De jongens knikken en staren somber voor zich uit. De jongste is eenentwintig.

‘We are no criminals!’ schreeuwt een Nigeriaanse man met een felle blik in zijn ogen. ‘No criminals! We are no criminals!’ Hij herhaalt het gedurende de hele avond wel honderd keer, als een mantra.

Een zwarte jongen met een verfijnd gezicht staart voor zich uit, alsof hij niet helemaal aanwezig is, en glimlacht dan. Tijdens het praten schakelt hij met gemak van vloeiend Engels op vloeiend Frans op vloeiend Nederlands over. Hij spreekt ook Portugees, beweert hij. ‘Jij bent een geleerde jongen!’ roep ik bewonderend uit. Gek genoeg blijkt hij niet te kunnen schrijven of lezen.

Een groepje Iraanse jongemannen reageert enthousiast als ik de grootste moderne schrijver uit hun land, Sadegh Hedayat, blijk te kennen. Ze hebben zijn beroemdste boek, De blinde uil, gelezen in een clandes- tiene uitgave die aan de universiteit van Teheran circuleerde. Op het bezit van het boek staat onder het huidige islamitische regime in Iran een strenge straf.

Hoewel de mannen alle vijf beweren tot het christendom te zijn bekeerd en daarom gevaar te lopen, lijken ze in mijn ogen meer op vrijgevochten avonturiers dan op vrome aanhangers van welk geloof dan ook. Als religieuze bekeerling maak je bij een asielaanvraag nu eenmaal meer kans dan als hoogopgeleide, seculiere jongeman die ervan droomt in een vrij land te leven.

‘Voor een gevangenis ligt de levensstandaard hier best hoog’, zegt een bedachtzame man van achterin de dertig, die erop doelt dat hij voldoende te eten krijgt, een schone cel met eigen toilet bewoont en zo nu en dan zijn advocaat en een medewerker van Vluchtelingenwerk te spreken krijgt. ‘Maar wij horen niet in de gevangenis. Dat wij hier zitten is een probleem van jullie land. Een groot probleem.’ Hij fronst de hele tijd. ‘Jullie doden ons zachtjes, jullie doden ons met veren.’