Weblog

Kloosterlingen

Met een zekere regelmaat dringt de gedachte aan het kloosterleven zich aan me op, als een aantrekkelijk – maar toch ook onbereikbaar – ideaal. De laatste keer was tijdens het beluisteren van een indrukwekkende opera van Francis Poulenc, Dialogues des Carmélites. Het verhaal gaat over zestien vrouwen, van piepjong tot stokoud, die ten tijde van de Franse Revolutie weigeren hun gemeenschappelijke gebedsleven op te geven. Daarom worden ze ervan verdacht aanhangers te zijn van het ancien régime, en veroordeeld tot de dood door onthoofding. De laatste tien minuten van de opera verklanken de laatste minuten uit het leven van de zestien zusters, hun klaaglijke, maar toch ook standvastige Salve Regina, dat langzaam wegsterft naarmate de vrouwen één voor één door een ijzingwekkende klap van de guillotine tot zwijgen worden gebracht:

Salve Regina, mater misericordiae;
Vita, dulcedo et spes nostra, salve. (3x)
Ad te clamamus, excules filii Evae.
Ad te suspiramus, gementes et flentes (2x)
in hac lacrimarum, lacrimarum valle.
Eia ergo, advocata nostra, illos tuos
misericordes oculos ad nos convente.
Et Jesum, benedictum fructum ventris tui,
nobis post hoc exsilium ostende.
O clemens, o pia,
O dulcis Virgo Maria. (2x)

Deo Patri sit gloria
et Filio qui a mortuis
surrexit ac Paraclito
in saeculorum saecula,
in saeculorum…

Wees gegroet, Koningin, genadige moeder;
Ons leven, onze hoop en toeverlaat, wees gegroet.
Tot u roepen wij, ontheemden van Eva.
Tot u smeken wij, zuchtend en wenend,
in dit aardse tranendal.
Daarom dan, onze pleitbezorgster,
sla op ons uw barmhartige ogen.
En toon ons, na deze ballingschap,
Jezus, de gezegende vrucht van uw schoot.
O genadige, o liefdevolle,
O zoete maagd Maria.

Ere zij God de Vader
en de Zoon, die uit de doden
is opgestaan, en de Trooster
in de eeuwen der eeuwen,
in de eeuwen…

De overgebleven vrouwen zingen dapper door, met steeds minder in getal zijn ze. Steeds serener klinkt hun zang, steeds ijler ook. Sterft met hen de traditie van het kloosterleven, die, hoewel ze in de negentiende en vroege twintigste eeuw nog een laatste opleving kent, in onze tijd een rariteit is geworden?

Nee, volgens mij bestaan er ook tegenwoordig nog talloze kloosterzusters en -broeders. Ik ken er zelfs een paar, spreek soms met ze af of mail met ze – met de broeders in beperkte mate, alsof er tralies tussen ons bestaan die ons ervan weerhouden het spirituele door het hartstochtelijke te laten vertroebelen. Maar ‘berichtjes als het jouwe en deze zijn zo klein dat ze door de tralie passen’, schreef een broeder laatst.

Ze vallen niet zo op, de kloosterlingen van de eenentwintigste eeuw, maar je kunt ze herkennen aan hun neiging tot ‘kluizenaren’ (een werkwoord dat een vriendin van mij gebruikt om haar periodes van bezinning en creativiteit aan te duiden), aan hun smaak ook, die soms opvallende overeenkomsten vertoont. Het was een broeder die me Dialogues des Carmélites adviseerde: ‘Ik wist dat je het mooi zou vinden; en inderdaad, dat einde van Poulenc is schoonheid en wreedheid inéén, ondraaglijk dus.’

Afgelopen week raadden twee zusters me, onafhankelijk van elkaar, de poëtische muziek van zangeres Eefje de Visser aan. In een liedje van haar, Er is, ontwaar ik een echo van de geest van de onschuldig vermoorde karmelietessen: ‘Niemand heeft een misdaad begaan. We zijn er niet aan onderdoor gegaan. Nee, we gaan door’, we leven – onopvallend – voort in alle hedendaagse minnaars van het ware, het schone en het goede.

Er is

We gaan door
Niemand heeft iets opgemerkt
En er viel niet veel op
Ik denk niet dat dat het opviel
Ik heb er niets van gemerkt
Ik ben vergeten hoe we gegaan zijn
Ik ben vergeten hoe het gegaan is
Ik wilde weten waar we waren
En
Ik wilde weten hoe het ons afging

Er is een zon vlakbij die boven ons langs gaat
Er is vlakbij een maan waaronder we door gaan

We gaan door
Niemand is hier dakloos hoor
Niemand heeft iets gedaan
Misdaan
Niemand heeft een misdaad begaan
We zijn er niet aan onderdoor gegaan
Nee
Ik wilde weten hoe het ons afging

Er is een zon vlakbij die boven ons langs gaat
Er is vlakbij een maan waaronder we door gaan

Wrange schoonheid

Ik ben op zoek naar een nieuwe, moeilijkere schoonheid dan de schoonheid die ik vind in de afgeronde motieven en aangename melodieën van Monteverdi en Bach, in de krachtpatserij van Michelangelo of de volmaakte verstilling van Vermeer, in de klinkende sonnetten van Shakespeare of de zoetsappigheid van de romantici. Ik zoek een schoonheid die de wrange kanten van het leven niet wegpoetst of polijst, maar ze in al hun pijnlijkheid integreert en tot klinken brengt – de onrust, het niet-weten van onder of boven, van minder of beter, een levensgevoel, kortom, waarin relativisme op de loer ligt, maar toch ook een onverwoestbaar besef van urgentie resteert, van waarde en belang, en van de kwetsbaarheid daarvan.

De schoonheid die ik zoek is duister als de schrijnende melodieën van de 16e-eeuwse Italiaanse componist Gesualdo, die zijn echtgenote en haar minnaar op heterdaad had betrapt en vermoord en de rest van zijn leven met een ondraaglijk schuldgevoel kampte. ‘Gesualdo begon motetten te componeren die heel anders klonken dan andere motetten uit de Renaissance. De bas kan zich verheffen boven de sopraan en bij elke toon kan de stemming zelf wankelen.’ (Eugen Drewermann) De schoonheid die ik zoek is broeierig en wild, als de blik in de ogen van de keurige heren en dames die de Spaanse hofschilder Francisco Goya in tijden van bijgeloof, kerkelijke indoctrinatie en oorlogsgeweld portretteerde. Woordkunstenaars zoals onze eigen Lucebert zoek ik, die zich niets aantrekken van grammatica en verstaanbaarheid voor ons daglichtverstand, maar de bestaande taal heruitvinden via dromerige associaties en opzwepende ritmes.

voortaan zal de hete ijzeren keel
der ontroerde beulen muzikaal opengaan

Beukende componisten zoek ik, Stravinsky met Le sacre du printemps, waarin het leven zich, ontdaan van alle franje, manifesteert als orgie en strijd. De lyrisch verlangende en schurende klanken van de Tsjechische Leoš Janáček, de missen en motetten van Frank Martin en Francis Poulenc, vol stemmen die vertwijfeld zoeken en tasten naar de aanwezigheid van… God. Maar wie is dat eigenlijk?

Een nieuwe natuur

Heidegger schreef het al in zijn beroemde essay Die Frage nach der Technik: de invloed die techniek over mensen uitoefent is minstens zo groot als de invloed die mensen – via technische instrumenten – uitoefen- en over de wereld. Wij zijn aan het digitale, technologische landschap van tegenwoordig overgeleverd op eenzelfde manier als we in alle eeuwen aan de grillen en mogelijkheden van de natuur overgeleverd zijn geweest. Voor wie tegenwoordig wordt geboren is het internet een even natuurlijke habitat als hutjes en boerderijen, bossen en akkers dat voor mensen in vroeger tijden waren. De natuur die een 21ste-eeuwse stedeling tegenkomt is grotendeels aangeplant, gepland dus, ontsproten aan zowel zaad en zon en water als aan menselijk ontwerp. Heeft het dan nog wel zin een onderscheid te maken tussen natuur en techniek, of – zoals bepaalde intellectuelen, die smartphones, computers en chipkaarten wantrouwen, halstarrig blijven doen – tussen niet-technologische (authentieke) en technologische (zielloze) vormen van cultuur?

In het oosten van Duitsland vind je tegenwoordig veel kunstenaars die industriële, door mensen gemaakte omgevingen benaderen met ogen zoals die van Caspar David Friedrich, de romantische landschapskunste- naar. Hoewel ze interieurs, fabrieken en steden schilderen, geen bergketens, zeeën en wouden, bevat hun blik eenzelfde ontzag voor de sublieme schoonheid van het (kunstmatige) landschap. Zoals een zeegezicht van Friedrich geen moreel oordeel velt over de golven en de wind, zo vormen de kunstwerken van de Neue Leipziger Schule geen politiek of ethisch commentaar. Ze nodigen er slechts toe uit je zintuigen te spitsen en je opgenomen te voelen in het grotere geheel waarbinnen je bestaat. Om te bezinnen ter plaatse van vermeende contrasten – tussen klassiek en modern, natuurlijk en digitaal, eenvoudig en high-tech – en te ondergaan hoe dat alles samen één wereld vormt, een spannend lijnenspel, een prikkelend kleurenpalet.

David Schnell – Een natuur van neonkleuren, pixels, planken

Matthias Weischer – Het interieur als kunstmatig landschap

Suzana Brborović – Architectuur die een eigen leven leidt

Tim Eitel – Alles is lijnen en vlakken, als een Mondriaanschilderij

Philipp Hennevogl – Het lijnenspel van kabels en stangen

Ongegeneerde studenten

Het is opmerkelijk dat we de aarde minder kwaad toebrachten in een tijdperk waarin we minder van haar hielden. ‘Een gevangenis van de ziel’, zo noemde de grote filosoof Plato (427 – 347 v. Chr.) het lichaam, en de wereld zag hij – net als de middeleeuwers na hem – als een ballingsoord vol schijn en duistere verleidin- gen. Tegenwoordig geloven de meesten van ons niet meer in een hiernamaals, zodat we ons met des te meer gulzigheid op ons eenmalige leventje in deze wereld storten. We houden van ons lijf, waarvoor we beter zorgen dan we ooit tevoren hebben gedaan – we eten gezond, beulen ons lichaam niet meer af maar doen aan sport, rusten voldoende uit, kunnen onze huizen goed verwarmen, dragen kwalitatief hoogwaardige kleding, hebben veilige seks en worden bij ziekte op efficiënte wijze opgelapt. Je zou haast verwachten dat we ook voor de aarde, onze gezamenlijke woning, beter zouden zorgen dan onze wereldvijandige voorgan- gers hebben gedaan.

Maar nee, het tegendeel is waar. Wij lijken ieder perspectief op een ‘hiernamaals’ voorbij de grenzen van ons eigen lichaam overboord te hebben gegooid. Buiten de gezondheid en genietingen van onszelf en onze naasten – die nog hooguit vijftig of zestig jaar te leven hebben – maken we ons nergens zorgen over, zo blijkt althans uit ons gedrag. De middeleeuwers kastijdden hun lichaam of onderwierpen zichzelf – als monnik of non – vrijwillig aan een regime van armoede, schamele kleding en karig voedsel, waarbij ze de aarde, dat duivelse oord, zoveel mogelijk links lieten liggen – en haar dus nauwelijks schade toebrachten. Wij levensgenieters lijken daarentegen op achteloze jongelui die de wereld als een vrolijke studentenkamer zien, een springplank voor onze pas ontdekte vrijheid, onze uitspattingen en experimenten – en we weten niets van een huisbaas die ons op een gegeven moment op straat zou kunnen zetten omdat we zijn huis – met steeds meer lekkage, gaten in de muur, gescheurd behang en meurende toiletten – zo ongegeneerd hebben uitgewoond.

Futuristisch borduurwerk

Vintage en futurisme komen samen in de ‘fotosculpturen’ van Maurizio Anzeri, een hedendaagse Italiaanse kunstenaar. De foto’s tonen jonge mensen uit het begin van de twintigste eeuw, vaak vastgelegd in flatte- rend licht en met ouderwetse kleding en kapsels. Als kijker voel je de immense kloof die ons 21ste-eeuwers scheidt van deze keurige, schijnbaar zo harmonieuze mannen en vrouwen, wier levens zich afspeelden in een overzichtelijke wereld van voorgeschreven rolpatronen. Anzeri gunt ons echter geen gelegenheid tot nostalgie, maar ensceneert een botsing tussen dat voorgoed voorbije verleden en een nog onvoorstelbare toekomst, waarin mensen met robots en aliëns versmolten zijn. Op die manier voert hij de vervreemding die oude foto’s tóch al bij ons oproepen tot het uiterste door.

Het medium waarin Anzeri werkt, borduurwerk, is opvallend genoeg nog ouderwetser dan de vintage foto’s zelf. Zijn oeuvre geeft dus zowel een bijna uitgestorven ambacht als portretten uit de vorige eeuw een twee- de leven. Op de vraag of het wel respectvol is om zo met andermans persoonlijke foto’s om te gaan, reageert Anzeri met een anekdote. ‘Mijn eerste lading oude foto’s kocht ik op een vlooienmarkt in Parijs. Na vijf minuten onderhandelen over de prijs, begon het te regenen. Ik keek bij het weggaan achterom en zag dat de foto’s die ik niet had gekocht in de vuilnisbak werden gegooid. Voor mij was dat een poëtisch moment. Dit gaat ons allemaal overkomen, besefte ik. Een ingelijst gezicht in iemands woonkamer representeert een hele levensloop. Maar jaren later spoelt het weg in de regen op een of andere rommelmarkt. Dus nee, ik heb niet het gevoel dat ik hier verkeerd aan doe. Toen deze foto’s nog leefden, hadden ze een bepaalde waarde, die ik – op mijn manier – opnieuw probeer op te roepen.’

Anzeri vertrekt daarbij vanuit de gezichtsuitdrukkingen en -vormen van de geportretteerden. ‘Waarom het werkt? Omdat het beeld en de daarop geborduurde laag elkaar voeden.’ Een belangrijke inspiratiebron voor Anzeri zijn Afrikaanse maskers en lichaamsbeschilderingen, die lichamen tot ‘levende, grafische symbolen’ transformeren. Bezitten ook zijn eigen geborduurde maskers, uitstulpingen en aureolen een symbolische betekenis? Verwijzen hun kleuren en vormen misschien naar geheime gevoelens en verlangens, die bij ene persoon compact en bij de ander doorlaatbaar zijn, bij de één felgeel of vurig rood en bij de ander etherisch zilverachtig?

Fulltime werken

Mijn bovenbuurvrouw is een Poolse die al haar wakkere uren aan werken besteedt. Slapen doet ze slechts enkele uren per etmaal, tussen haar afzonderlijke baantjes in: soms van negen uur ’s avonds tot twee uur ’s nachts, soms van middernacht tot vijf uur ’s ochtends. Hoewel ik me erger aan het dichtslaan van deuren op zulke oncourante tijdstippen, bewonder ik haar mateloos. Wat houdt een vrouw op de been die werken met slapen en slapen met werken afwisselt, zodat haar leven niets anders dan overleven is?

Ik weet dat het in vroegere eeuwen voor het merendeel van de mensheid zo was, en dat ook nu in de meeste niet-westerse landen fulltime werken echt full time betekent. Gelegenheid hebben om te lezen, uit te slapen, vrienden te zien of een avondje uit te gaan, dat is helemaal niet vanzelfsprekend. Toch zou ikzelf onmogelijk zonder kunnen, en mijmer ik – als ik ’s nachts wakker lig door gestommel en dichtslaande deuren – over het raadsel: waar haalt iemand de motivatie vandaan om alleen te eten en te slapen om te kunnen werken, en álles, lichaam en geest, in dienst te stellen van oninteressante baantjes, als schoonmaakster of als extra paar handen aan een lopende band?

Mijn bovenbuurvrouw moet meer van haar blonde dochter en haar technisch aangelegde kleinzoon houden dan van zichzelf. Voor hén faciliteert ze een fatsoenlijk leven en een goede opleiding in thuisland Polen, terwijl zijzelf hen alleen rond de feestdagen eventjes bezoekt.

Minimalistische religie

Wat gelooft een postmoderne pelgrim zoal? Het zal niet verbazen dat haar religie wat minimalistisch is, want de (pre)moderne tijd van grote verhalen is voorbij, en bovendien is wie rondtrekt niet in de gelegen- heid om veel overbodige ballast mee te nemen.

Dus blijft er een nogal uitgekleed ‘geloofje’ over, een stille ontroering om onze gehechtheid aan het leven, onze hardnekkige pogingen ons staande te houden en gezond te blijven. Geen religie van overwinningen op onszelf, bekeringen of heiligheid. Geen ‘bestemming’ of ‘alleen maar liefde’ of ‘het moet zo zijn’.

De postmoderne pelgrim lijkt aldus zowel zoetsappigheid als strenge ascese overboord te hebben gegooid. Hoewel: is dolend en rondtrekkend leven niet zélf een soort ascese? Weten dat er geen voor of achter, geen onder of boven meer bestaat, en tóch doorgaan in een toestand van volstrekt niet-weten?

Wat hebben wij gedaan, toen wij deze aarde van haar zon loskoppelden? In welke richting beweegt zij zich nu? In welke richting bewegen wij ons? Weg van alle zonnen? Vallen wij niet aan één stuk door? En wel achterwaarts, zijwaarts, voorwaarts, alle kanten op? Is er nog wel een boven en beneden? (Friedrich Nietzsche, De dolle mens in ‘De vrolijke wetenschap’)

Paul van Tongeren verlangt ernaar ‘dankbaar’ te leven na de dood van God. Zich te bekwamen in de kunst van het ontvangen, ook al weten we niet langer van wie. Het leven op te kunnen vatten als een geschenk zonder schenker. Dankbaarheid als een houding die niet alleen op andere mensen betrokken is, maar ook op het leven an sich.

Er zit echter een verontrustende hardhandigheid in de wijze waarop wij het leven ‘ontvangen’, niet zozeer de vriendelijkheid die voor een geschenk kenmerkend is. We zijn aan het leven onderworpen, er middenin ‘geworpen’, eraan overgeleverd en gekluisterd, zoals allereerst aan ons lichaam, een behuizing die we niet van tevoren behoedzaam bij een makelaar hebben uitgezocht.

Leven is een kwestie van toeval – het valt ons toe met een beangstigende willekeur, zelfs dwang. En toch is het ons dierbaarder dan we zelfs in onze meest intense ogenblikken kunnen bevatten – dat lichaam van ons, dat vermoeiende leven, de grassprietjes en flarden van een blauwe hemel die soms op ons netvlies vallen.

Ik wil leven en ik leef, ook al is dat in strijd met iedere logica. En ook al geloof ik niet in de orde der dingen, toch zijn die kleverige, ontluikende lenteblaadjes mij dierbaar, net zoals de blauwe lucht mij dierbaar is en een enkel mens van wie je een enkele keer, geloof me of niet, oprecht houdt, zonder zelf te weten waarom. […] Daar is je vissoep, eet maar lekker. Het is heerlijke vissoep, dat kunnen ze hier goed. (Fjodor Dostojevski, ‘De broers Karamazov’)

Vaak wordt het leven echter als een last ervaren, veeleer dan als iets dierbaars of ontroerends. Er zijn ontelbaar veel mensen die hardop of stilletjes, onderhuids verzuchten dat het voor hen niet meer hoeft, dat ze er genoeg van hebben. En toch kunnen ook diegenen plotseling herleven na een moment van weldadige rust, na een ‘reanimerende’ omhelzing, een teder gebaar, een liedje van vroeger, hun lievelingssmaak.

Of niet. Maar in het hart van hun verdriet schuilt tóch diezelfde gehechtheid aan het leven, een verlangen naar hoe het had kúnnen zijn; hun verdriet komt voort uit de fantasie van een leven zonder kwetsuren, vermoeidheid, verveling, honger, eenzaamheid. Al dat verdriet kun je je voorstellen als onderdeel van een kosmische ‘verdrietssymfonie’, een nauwelijks hoorbaar, fluisterend kreunen van al die mensen en dieren die zonder uitzicht of ‘waarom’ het lastkarakter van het leven dragen.

Wanneer ik mij nergens meer toe in staat voel, als ik niet meer op mijn benen kan blijven staan en van die steken in mijn zij krijg, kruip ik weg in een hoek, heel alleen, en – u zult erom lachen – in plaats van mij dan prettige dingen voor de geest te halen, waar je van opvrolijkt, zit ik te denken aan al die mensen die ik niet ken en die op mij lijken – en dat zijn er heel wat, de aarde is groot! – de bedelaars die in de regen langs de straten slenteren, de weggelopen kinderen, de zieken, de gekken in het gekkenhuis die naar de maan blaffen, en nog zoveel, zoveel anderen!

Ik kruip daartussen, probeer mij heel klein te maken, en niet alleen met de levende mensen, weet u: ook met de doden, de mensen die hebben geleden, en de mensen die nog moeten komen en zullen lijden net als wij… Waarom? Waarom lijden? vragen ze allemaal… ’t Is alsof ik het met die mensen vraag, ik meen dat te horen, ’t doet mij zo aan als een eindeloos gezoem dat mij in slaap wiegt. In zulke ogenblikken zou ik mijn plaats niet willen ruilen voor die van een miljonair, ik voel mij gelukkig. (Georges Bernanos, ‘Dagboek van een dorpspastoor’)

Misschien is de minimalistische religie van een postmoderne pelgrim in essentie een gevoelsverruiming. Emoties zijn ons geestelijke levenssap. Zodra je tranen vloeien, wordt je betrokkenheid op het leven – en vooral: je gehechtheid eraan – weer doorvoelbaar, net als je verbondenheid met al die andere anonieme wezens die in eenzelfde toestand van ‘geworpenheid zonder waarom’ bestaan.

Gedetermineerd


Gekluisterd aan de materie – Beelden van Auguste Rodin (1840-1917)

Ik weet dat het niet populair is om jezelf zo te noemen, maar ik denk dat ik een determinist ben. Ik geloof namelijk dat heel veel in ons leven al is vastgelegd. Je komt ter wereld in een gezinnetje dat op een bepaalde manier draait, een cultuur die ons leert op een bepaalde manier te denken, een maatschappelijk systeem dat bepaalde eisen stelt en verwachtingen heeft en kansen biedt. Een lichaam met een bepaalde vorm en een bepaald uithoudings- en incasseringsvermogen, die je slechts in beperkte mate op kunt rekken, manipuleren. Een geest die van nature bepaalde neigingen heeft, om drukte of juist rust op te zoeken, meer prikkels of juist meer tijd om opgedane indrukken te verteren. Een verlangen naar conformisme of juist een onderzoekingsdrang, of beide, en dan de strijd tussen die twee. Een emotionele huishouding die een beetje is aangeboren en een beetje gevormd door de omstandigheden waaronder je bent opgegroeid – huil je veel, neig je tot woede, ben je vaak uitgelaten of juist tamelijk beheerst?

Al die gegevenheden determineren ons, bepalen ons. Je kunt wel een bepaalde kant uit willen met je leven, maar daarbij heb je rekening te houden met al het bestaande, het vast-staande, met je beperkingen en mogelijkheden, je neigingen en angsten. Dan kun je heel verbeten besluiten om aan jezelf te werken, onder het motto: ik ben een vrij mens, ik moet mezelf overstijgen, optimaliseren. Of je kunt bescheiden zijn: dit ben ik. Mijn vrijheid is maar heel beperkt, hooguit een speelruimte, waarin ik de gegevenheden van mijn leven – met vallen en opstaan – op het spoor moet zien te komen en ze respecteren, opdat ik misschien ooit elegant met ze kan dansen.

Radicaal gemeenschappelijk

Er schijnen Afrikaanse talen te bestaan waarin er geen eerste persoon enkelvoud (ik, mij, mijn) is, zodat het spreken over jezelf altijd plaatsvindt in termen van ‘ons’ en ‘wij’. Je bent dan een verlengstuk van je familie of clan, en iedere vorm van bezit is gedeeld. Winst maken schijnt in zo’n wij-cultuur lastig te zijn, omdat een goed verdienende ondernemer verplicht is zijn opbrengsten te steken in het lenigen van de noden en het aflossen van de schulden van zijn minder succesvolle naasten. De positieve keerzijde daarvan is dat een gemeenschap als geheel een uiterst krachtig organisme vormt, waarvan de zwakte van de één door de sterkte van de ander wordt gecompenseerd, zonder dat men zichzelf expliciet als sterker of zwakker, beter of minder dan de ander ervaart: je maakt immers tezamen deel uit van hetzelfde ‘wij’, en de kracht van de ander is je eigen kracht, en de pech van de één is de pech van iedereen, die gezamenlijk wordt opgevangen. Rancune van de zwakkeren jegens de sterken, zoals je hier in het Westen vaak vindt, en minachting van de sterkeren jegens de zwakken, zouden in zo’n wij-cultuur niet of in mindere mate aan de orde zijn.

Toen twee Afrikaanse uitwisselingsstudenten, ik ben vergeten uit welk land, me dit verschil tussen de ik- en de wij-cultuur hadden uitgelegd, realiseerde ik me al snel dat het voor mij onmogelijk zou zijn om in zo’n wereld van radicale gemeenschappelijkheid te leven. Het betekent namelijk ook dat privacy vrijwel afwezig is, en dat het verlangen om alleen te zijn, afwijkende interesses te hebben en eigen beslissingen te nemen als een ernstigere vorm van ziekte zou worden gezien dan een verstandelijke handicap of een geamputeerd been. Een dergelijk verlangen is in zo’n omgeving simpelweg onbekend, niet-bestaand, want als ‘wij’ en ‘ik’ hetzelfde zijn, vind je de veilige kalmte die ik zoek in het alleen-zijn júist in het samen-zijn met bekenden en verwanten. Terwijl samen-zijn voor mij meestal een interessante, maar inspannende confrontatie oplevert met het anders-zijn van de ander, is samen-zijn in zo’n wij-cultuur niet confronterender dan bijvoorbeeld de samenwerking van je linker- met je rechterhand – een vanzelfsprekendheid dus, een vorm van in-je-element-zijn, bij-jezelf-zijn, tot rust kunnen komen.

Mijn vriend vertaalde een gedicht van de Australische dichter Les Murray, The Cows on Killing Day, dat van een grote vertrouwdheid met de belevingswereld van koeien getuigt. Ook bij hen zouden ‘ik’ en ‘wij’ samenvallen, zodat de opmerkelijke dichtregel ‘All me have just been milked’ (‘Alle ik zijn net gemolken’) duidt op een collectieve ervaring van gemolken-zijn. Het gedicht brengt een wij-beleving tot uitdrukking die, zo stel ik me voor, nog primairder en zintuiglijker is dan de ervaring van een Afrikaanse wij-cultuur, omdat dieren de werkelijkheid lichamelijk beleven en, misschien meer nog dan mensen, kuddedieren zijn. In het betreffende gedicht wordt een spel gespeeld met de Engelse taal: het daarin bestaande onderscheid tussen ‘I’ en ‘we’ is overbrugd via zinsneden als ‘All me’ (‘Alle ik’) en ‘Me, facing every way, spreading out over feed’ (‘Ik, me naar alle kanten over het voer verspreidend’).

Hieronder kun je de eerste strofes van het koeiengedicht lezen in het oorspronkelijke Engels van Les Murray en in de Nederlandse vertaling van Maarten Elzinga.

The Cows on Killing Day

All me are standing on feed. The sky is shining.

All me have just been milked. Tits are tingling still
from that dry toothless sucking by the chilly mouths
that gasp loudly in in in, and never breathe out.

All me standing on feed, move the feed inside me.
One me smells of needing the bull, that heavy urgent me,
the back-climber, who leaves me humped, straining, but light
and peaceful again, with crystalline moving inside me.

Standing on wet rock, being milked, assuages the calf-sorrow in me.
Now the me who needs mounts on me, hopping, to signal the bull.

___________________

De koeien op slachtdag

Alle ik staan op voer. De hemel straalt.

Alle ik zijn net gemolken. De spenen tintelen nog na
van het droge tandeloze gezuig van die kille monden
die luid in- in- inslokken en nimmer uitademen.

Alle ik die op voer staan, bewegen het voer door me heen.
Eén ik geurt naar behoefte aan de stier, die zware dringende ik,
de rugbeklimmer, die me geramd achterlaat, belast, maar licht
en weer vredig, met kristallen beweging vanbinnen.

Op natte steen staan, gemolken worden, stilt het kalfsverdriet.
Nu bestijgt me die bronstige ik, huppend, om de stier te lokken.

Je ziet dat het gezamenlijk verrichten of ondergaan van eenzelfde activiteit (eten of gemolken worden) sterker als collectief wordt beleefd dan bijvoorbeeld het besprongen-worden van de ander door de één, waarbij het onderscheid tussen de geile ene en de passieve ander niet wordt ontkend: zelfs kuddedieren als koeien bezitten immers een eigen, afzonderlijk zenuwstelsel. Murrays oplossing is om de meest directe collectiviteit (samen eten of gemolken worden) uit te drukken via ‘alle ik’ of simpelweg ‘ik’, terwijl er bij gescheiden activiteiten (waarbij de een handelt en de ander ondergaat) wordt gerept over ‘die bronstige ik’ tegenover een vertellende ‘ik’, de koe door wiens ogen we kijken. De stier is zowel een (‘zware dringende’) ‘ik’ als een externe realiteit, die – in tegenstelling tot de koeien zelf – bij zijn soortnaam wordt genoemd.

Verderop in het gedicht komt er een oudere ‘ik’ bloedig om het leven:

One me is still in the yard, the place skinned of feed.
Me, old and sore-boned, little milk in that me now,
licks at the wood. The oldest bull human is coming.

Me in the peed yard. A stick goes out from the human
and cracks, like the whip. Me shivers and falls down
with the terrible, the blood of me, coming out of an ear.
Me, that other me, down and dreaming in the bare yard.

All me come running. It’s like the Hot Part of the sky
that’s hard to look at.
[…]
All me make the Roar.

________________

Eén ik is nog op het erf, waar de huid van voer is afgestroopt.
Ik, oud en met zere botten, weinig melk in die ik nu,
likt aan het hout. De oudste stiermens komt.

Ik op het volgezeken erf. Opeens steekt een stok uit de mens
en knalt, als de zweep. Ik siddert en valt neer
terwijl het vreselijke, het bloed van ik, uit een oor naar buiten komt.
Ik, die andere ik, ligt neer, droomt op het kale erf.

Alle ik komen aangerend. Het is als het Hete Deel van de hemel
waar het kijken pijn doet.
[…]
Alle ik doen de Brul.

De dood van de oudste ‘ik’ wordt door het koeiencollectief heel zintuiglijk beleefd: het is een kijken dat even pijnlijk is als het directe opzien naar de zon (‘het Hete Deel van de hemel’). Wanneer de oude ‘ik’ door de mens is neergeslagen, wordt er over die ‘ik’ niet meer van binnenuit, maar in de derde persoon gesproken: ‘ik siddert en valt neer’. De ‘ik’ wordt vanaf het moment van haar overlijden als ‘die andere ik’ aangeduid, terwijl de overige, nog levende koeien ‘alle ik’ zijn (dus niet ‘de overige ik’ of ‘alle ik minus één’). De gestorvene is blijkbaar onmiddellijk uit het collectief losgeweekt. Wel is dat voor ‘alle ik’ bijzonder pijnlijk, en met een zekere agressie ‘doen [ze] de Brul’, als blijk van verzet en ongenoegen jegens de moordenaar (‘Neem de stiermens op de horens!’). Het lichaam van de gestorvene is extern aan de kudde geworden, maar het bloed dat uit haar vloeit wordt nog steeds als levend en eigen ervaren: ‘het vreselijke, het bloed van ik’.

All of dry old me is crumpled, like the hills of feed,
And a slick me like a huge calf is coming out of me.
[…]

All me run away, over smells, toward the sky.
________________________________

De oude droge ik ligt verschrompeld, als de voerbergen,
en een glibberig ik als een reuzenkalf komt uit me te voorschijn.
[…]

Alle ik hollen weg, over geuren, op de hemel af.

Omdat ook de geboorte van een kalf met het vloeien van bloed gepaard gaat, bestaat er voor de koeien een sterke relatie tussen bloed en leven. Een jong kalf wordt onmiddellijk in het koeiencollectief ingelijfd, en het is dan ook via het gutsende, glanzende bloed – en niet zozeer via het verdroogde lijk – dat de verwant- schap met de gestorven koe (‘die andere ik’) nog éénmaal heel intens wordt ondergaan. Maar dan laten ‘alle ik’ het bloederige gebeuren voor wat het is en hollen ze, omringd door de geuren van gras en vrijheid, ‘de hemel’ tegemoet van het gezamenlijk-nog-in-leven-zijn.

Empathie met mate

In psychologiemagazines en populaire boeken over moraal speelt empathie tegenwoordig een belangrijke rol. Het begrip – afgeleid van het Griekse em (in) en pathos (gevoel) – wordt pas sinds het begin van de twintigste eeuw gehanteerd; daarvoor waren christelijke noties als naastenliefde belangrijker. Naastenliefde gaat in eerste instantie om het gevoel van degene die liefheeft, terwijl empathie de nadruk legt op het gevoel van de naaste, waarin de empathische persoon op de een of andere manier zou moeten binnentreden. Maar wat houdt dat ‘binnentreden’ of ‘invoelen’ in andermans gevoelens eigenlijk in?

Je zou kunnen denken dat het, op een heel basaal niveau, om het overnemen van de gevoelens van de ander gaat. Dat kan zelfs een klein kind. Zo schijnt de baby van een depressieve of gestreste moeder minder te lachen dan de baby van een moeder die onbezorgd en vrolijk is. Ook steken baby’s elkaar vaak onderling met huilen aan: begint de één, dan volgen ook de anderen. De autistische zoon van de Australische dichter Les Murray begint vaak hysterisch te schreeuwen om andermans woedeuitbarstingen te overstemmen. Hij heeft die woede van anderen dus, ondanks of juist door zijn autisme, haarfijn aangevoeld en zelfs overge- nomen. Maar is dat empathie?

Ik denk dat de meeste mensen die vraag met ‘nee’ zouden beantwoorden. Empathie heeft weliswaar met het voelen van andermans emoties te maken, maar er is nog een ander belangrijk aspect: dat je je ervan bewust blijft dat het om ándermans gevoelens gaat. Wanneer je je immers laat opwinden door de woede of je laat terneerslaan door het verdriet van de ander, is noch die ander, noch jijzelf daarbij gebaat. Mogelijk loopt een situatie waarin twee mensen in dezelfde heftige stemming verkeren juist uit de hand. Het gaat bij de tegenwoordig zo vaak aangeprezen vorm van empathie vooral om de juiste maat: dat je je voldoende openstelt om iets mee te krijgen van de emoties van de ander, een lichamelijk steekje, een subtiele vleug gevoel, zonder dat je volkomen door het overgenomen gevoel in beslag wordt genomen, en als gevolg meer oog hebt voor jezelf dan voor de ander.

Empathie lijkt dus, grappig genoeg, gebaat te zijn bij een zekere óngevoeligheid voor het gevoel van de ander: een kleine, voorzichtige dosis empathie is genoeg. Bovendien is het verstandig om een pakket van empathische standaardreacties paraat te hebben: ‘Goh, wat erg voor je’, ‘Hoe voelde dat?’, ‘Ja, dat kan ik me goed voorstellen’, een zachtaardige, meelevende blik, de juiste glimlach, de juiste frons, een arm die je op het juiste moment bij de ander om de schouder slaat. Al die ‘methodes’ wapenen je in zekere zin tegen al dat gevoel dat je van buitenaf bestormt: door niet mee te gaan in al die hevigheid, zélf volledig aangeslagen, maar een vriendelijke, troostende buitenstaander te blijven, bevestig je de situatie: jíj bent degene die huilt en nu mijn steun nodig heeft, niet andersom.

Slothypothese: juist kinderen en mensen met autisme, die heel basaal door andermans emoties worden aangedaan, zijn – in letterlijke zin – het meest empathisch. Wijs en volwassen word je naarmate je een beetje afgestompt bent geraakt, met als voordeel dat je zowel jezelf als de ander beter kunt beschermen tegen de dwingende, verwarrende duiveltjes die emoties kunnen zijn.