Weblog

Genadeloos tl-licht

Mijn periode in de zorg was zalig en verschrikkelijk ineen. Er werd voortdurend tegen me gesnauwd – ‘Waar bleef je nou? Kan dat niet wat sneller? Au, je doet me pijn!’ -, maar ik werd ook om de haverklap bedankt, hield handen vast en was de hele dag intiem met wildvreemden. Zodat die vreemden, meestal praatzuchtige of juist in zichzelf gekeerde ouderen, al snel vertrouwd werden, bijna als mijn eigen kinderen. Mijn herinneringen aan die tijd zijn wazig, want op één werkdag gebeurde er meer dan mijn mentale maag achteraf kon verteren. En is het niet door zorgvuldige verteerarbeid dat gebeurtenissen beklijven, voor altijd een deel van je worden?

Omdat ik geen diploma als verpleegster had, was ik de luierjuffrouw, degene die de vieze klusjes moest verrichten: mensen op po’s zetten, billen wassen, en – inderdaad – eindeloos veel luiers verschonen en katheterzakken vervangen. Poep en pies, dat was mijn afdeling, en ik zag op één dag meer geslachtsdelen dan ik eerder in mijn hele leven had gezien. Bovendien waren ze verrimpeld, uitgezakt, vaak rood, broeierig en jeukend: het was zomer, en ook ouderen – vooral degenen die dagenlang stilliggen – krijgen luieruitslag. Daar waren zalfjes voor, die ik teder met mijn behandschoende vinger op het randje van een eikel smeerde, op flubberige, uitstekende schaamlippen.

Op een avond dachten we dat meneer G. op sterven lag. Hij hallucineerde, was af en toe buiten bewustzijn en ademde zwak. Het kleine mannetje, een bundeltje botten met een beaderd, loshangend vel eromheen, lag in foetushouding op zijn schuimrubberen matrasje, waarvan de klinisch blauwe, plastic hoes aan de randen zichtbaar was. Een gerimpeld, breekbaar handje met knokige vingers lag op het blauw, als een vlezige krab in een tropische zee. Zijn laatste grijze haartjes plakten aan zijn schedel, die glom in het licht van een tl-buis. Het was mijn taak om de andere cliënten in pyjama’s te hijsen en – soms met liftjes – uit rolstoelen in bedden te takelen. Maar na ieder ‘Welterusten’ of ‘Slaap lekker’ en het uitknippen van tl-licht, rende ik even naar meneer G. om te zien of hij nog ademde.

Meneer G. zei rare dingen, ik geloof iets over dinosaurussen, vliegtuigen, stropdassen die netjes moesten zitten. Met zijn laatste kracht woelde hij heen en weer en trok dekens los, onthulde zo meer klinisch blauw. Ik knipte het licht in zijn kamer niet langer aan, dus waren er slechts het schijnsel dat onder de deur door kwam en de gloed van een lantaarnpaal voor het raam. Toen eindelijk iedereen in pyjama was en mijn werk erop zat, nestelde ik me in kleermakerszit op het matrasje naast zijn bed. Dat was daar neergelegd om zijn beweeglijke, soms woest schokkende lichaam op te vangen als het onverhoeds over de rand van het bed zou kukelen. Op eerdere dagen was dat al meermaals gebeurd, al had meneer G. zich daarbij wonderlijkerwijs niet verwond; blijkbaar was hij toch taaier dan zijn verfrommelde lijfje deed vermoeden. Zachtjes begon ik te zingen, een beetje alsof ik naast een wiegje zat, en geleidelijk zag ik hem kalmeren, totdat zijn ademende borst het enige was wat nog bewoog.

Na het weekend was meneer G. de eerste die ik in de gangen tegenkwam. Zijn vrouw, zo te zien een stuk jonger dan hij, duwde parmantig zijn rolstoel voort, en uit zijn mond stak het blauwe rietje van een geel Chocomelpakje. ‘Gaat goed!’ vertrouwde ze me in het voorbijgaan toe. Ik heb nog enkele weken op dezelfde afdeling gewerkt. Meneer G. stortte meerdere keren uit bed, smeerde soms zijn bed vol ontlasting, mompel-de over dinosaurussen en stropdassen, dronk liters Chocomel. ‘Zo makkelijk krijg je mij niet dood,’ zeiden zijn waterige oogjes, die plotseling op konden vlammen.

Zijn buurman overleed wél, vrij onverwachts, een vermagerde man in een stram Parkinsonlijf. Maar daar heb ik weinig van gemerkt; op een dag was zijn kast gewoon leeg, waren de lakens van het matrasje afgehaald, waarvan het klinische blauw genadeloos in het tl-licht lag te glimmen.

Lente in Leuven

Geen lente is meer hetzelfde sinds de lente die ik beleefde in Leuven. Meerdere keren per week maakte ik daar met een Nederlandse medestudent een lange wandeling door de bossen van Heverlee of de tuinen van Abdij van Park. De bomen bloesemden enkele weken vroeger dan in Nederland, en tussen hem en mij begon er een even lenteachtige, maar onuitgesproken sensualiteit te broeien.

Omdat we op dat moment een cursus over de belangrijkste mystieke schrijvers uit de katholieke traditie volgden aan de universiteit, waren we geneigd het ontluikende landschap als een godsbewijs te zien, en de zich geleidelijk ontvouwende beukenblaadjes met zachtbehaarde randjes als een wonder, die we eindeloos met tedere vingertoppen streelden. De gouden gloed van de avondzon, de mannelijke kracht van gespierde, eeuwenoude beukenstammen, het gemekker van een pasgeboren geitje – alles bracht ons in vervoering. En als een soort Adam en Eva hadden we genoeg aan wat er was, aan een trosje druiven en een zelfgemaakte salade in een plastic bakje, aan een bankje in het park en een boek waaruit we elkaar de meest lyrische passages voorlazen, onderbroken door gegiechel om een lieveheersbeestje dat te midden van de letters landde, en zich kriebelend een weggetje baande over onze uitgestoken vingers, tussen de blonde haartjes op onze nog witte winterarmen. We leefden, kortom, de eenvoud van een leven met open zintuigen, weer net zo wijdopen als die van jonge kinderen, die voor het eerst een rups zien, een wurm, een regenboog, en alles is niets minder dan magie.

Maar onze idylle was van korte duur. De bloesems werden bruin en vielen af; onze sensualiteit begon méér te eisen dan alleen ruik- en streelsessies van bladeren en bloemen, wat onze ongecompliceerde vriendschap helaas in een troebeler vaarwater bracht. Dat alles werd aangekondigd door een dode merel die ik vlak voor de komst van de zomer in de berm aantrof, donkerbruin en nog warm, alsof ze zojuist pas was gestorven. Dat afkoelende stijve lijfje in mijn hand, die gesloten oogjes, die ik met mijn vinger even open duwde, die weerloze geklauwde voetjes en dat slappe, bungelende nekje fascineerden me bijzonder, alsof ik nú pas, sinds mijn bewuste ontdekking van de geboortelijkheid van de natuur, kon begrijpen wat doodgaan was: stilvallen, stijf worden en afkoelen, een even natuurlijk en fysisch proces als het begin. Ik voelde de neiging een eerbiedig gebedje uit te spreken voor mijn merel, geen idee of ik dat ook daadwerkelijk deed, en legde haar tussen de wortels van een beuk die even groot en sterk was en onsterfelijk leek als mijn merel klein was, kwetsbaar en gestorven. Tijdens alle volgende wandelingen was die doodsboom een imposante memento mori, hoewel de dode merel een dag later al verdwenen was.

Ieder volgend voorjaar probeerde ik hunkerend terug te keren naar de betovering van toen, en opnieuw ontroerd te raken door de aanblik van trosjes glanzende, pasgeboren beukenblaadjes met harige randjes, pronkende bloesems, wankelende lammetjes. Gisteren bijvoorbeeld, toen ik zo’n bladertrosje plukte en de nog half dichtgevouwen, doorschijnende blaadjes als een soort accordeon of waaier begon uit te vouwen, voorzichtig, om de sappige velletjes niet te scheuren. ‘Kijk dan toch!’ riep ik op kinderlijke toon tegen mijn nieuwe lief, in de hoop ook hem in een kinderlijke stemming te brengen, die waarin rode besjes en paarden-bloemen oneindig fascinerend zijn.

Maar hij grinnikte slechts, zodat het pijnlijk tot me doordrong hoe geveinsd en onecht mijn kinderlijkheid eigenlijk was; dat ik niet écht door de blaadjes was geraakt, tenminste, niet zoals in Leuven, maar dat ik het vooral graag wilde: zijn zoals een kind, zoals toen, op ons bankje met druiventrosjes, lieveheersbeestjes en naïeve idealen.

Om de lente écht te beleven moet je zelf de lente zijn, maar dat word je nu eenmaal niet op eigen kracht.

Levensechte ander

Ja, ik weet wel dat andere mensen net zo’n volwaardig gevoelsleven hebben als ikzelf, een net zo moeizaam verworven wereldbeeld, een net zo kwetsbaar ego, net zo sterke meningen en net zo geldige wensen en verlangens. En toch zijn die van mezelf altijd nét een fractie echter dan die van anderen: alleen mijn eigen emoties ervaar ik immers aan den lijve, terwijl die van anderen alleen via gezichtsuitdrukkingen zichtbaar worden, via woorden, geluiden en gebaren. Het is best een inspanning om me te realiseren hoe reëel en universumvullend ook het bewustzijn van mijn medemens is, hoe groot en totaal en onontkoombaar voor de persoon in kwestie, een totaliteit waaraan hij – net als ik aan mezelf – niet kan ontsnappen: aan de onomstotelijke hoofdrol die hij in zijn eigen universum speelt, aan zijn onophoudelijke als-zichzelf-aanwezig-zijn, ook als hij zichzelf – zoals ik mezelf soms – zat is.

De grootheid en echtheid van anderen bezorgt me soms duizelingen. Want er is niet slechts één ander die net zo omvattend, doorleefd en rijkgelaagd is als ikzelf, en ook niet twee – dan zou het nog overzichtelijk zijn, als ik het gewicht van slechts twee medemensen in volle omvang tot me door hoefde te laten dringen. Ja, die twee zouden al om een bijzondere inspanning vragen. Dat de wereld voor hen net zo levensecht is als voor mij, hun huid net zo kwetsbaar en aanraakbaar voor de vurige pijlen van die wereld, hun pijn net zo schrijnend en diep als de mijne soms, hun vreugde net zo explosief en prachtig en stralend, hun emotionele evenwicht net zo kostbaar, net zo zwaar bevochten, net zo wankel. Net als bij mij ook bij hen die permanente sensatie van een warme tong in een vochtige mond, een huid die een bepaalde temperatuur heeft, haartjes die ineens overeind kunnen staan en hun drager een opdringerig gevoel van kou, rillerigheid kunnen bezorgen. Driemaal een volwaardig leven, driemaal, dat zou ik nog nét kunnen bevatten op mijn meest lucide, ontvankelijke momenten. Driemaal een wezenlijke andersheid ook, want zij zijn geen letterlijke verdubbeling van mijzelf: nee, ze zijn juist radicaal anders dan ik, en een levend bewijs dat ik meestal ongelijk heb, ook als ik zelf geloof dat wat ik zie en beleef de ware werkelijkheid is.

Drie mensen zijn drie druppels in de gehele mensheidszee, een grootheid zo onbevattelijk dat ik me er misschien maar beter niet aan kan wagen haar omvang te peilen – want wie ben ikzelf dan nog in dat geheel? Hoe belangrijk zijn ik en dat handjevol dierbare mensen om me heen? Dat het universum bijna acht miljard keer afzonderlijk bestaat, acht miljard keer even groot, totaal en levensecht… laat me daar niet aan denken, want wat schiet ik ermee op? Laat ik mijn denkoefeningen klein houden, zoals van de week, toen ik voor het eerst in vijftien jaar drie filmpjes uit mijn kindertijd terugzag, en de tranen me over de wangen stroomden toen ik tot me door liet dringen dat ík dat was, dat kleine hummeltje met die wankele, mollige beentjes en schaapachtige ogen, dat zich met niets anders bezighield dan pluisjes en koekkruimels, warme melk en vogels in de lucht, een dekentje, een vinger in haar mond – een tactiel universum was dat, ongereflecteerd, ondubbelzinnig, ongelaagd. Dat dat wezentje, waarin ik meer een diertje dan een mensje zag, tot de wereld uit heeft kunnen groeien die ik nu ben, dat kan ik bijna niet geloven. Dat ik, die geneigd ben mezelf zo serieus te nemen, ooit zo simpel was als een lammetje of een bloem – hoe is het mogelijk?

In feite zijn natuurlijk alle kinderen opgroeiende universa, en daarom behelst iedere opvoeding een onein-dige verantwoordelijkheid: want als het misgaat met zo’n schijnbaar onbenullig hummeltje, bestaat er nog decennialang een universum dat gevuld is met pijn, met zwaarte; niet de abstracte pijn van een ander, maar dezelfde pijn die ook mijn pijn is, ook jouw pijn – even direct en levensecht tenminste, even onvergeeflijk en ondraaglijk schrijnend. Dat besefte ik toen ik laatst de documentaire Alicia zag, over het dochtertje van een tienermoeder, dat heen en weer zwierf tussen pleeggezinnen en kindertehuizen en in haar groeiproces van mensdiertje naar volwassen vrouw werd geknakt, omdat ze – misschien wel terecht – was gaan geloven dat niemand haar écht zag, dat niemand van haar hield; dat haar universum onzichtbaar en zinloos was, een monade, onbetekenend voor anderen, onaangesloten. Omdat niemand de moeite nam de oversteek te wagen, vanuit zijn eigen totaliteit naar die van haar, en zij andersom dus ook niet leerde hoe dat moest.

Nederig koekje

Ik wist wel dat ik als ongedoopte niet ter communie mocht gaan, maar tijdens het vijftigjarige huwelijks-jubileum van mijn rooms-katholieke grootouders deed ik het toch. Dat was spannend: zou ik het koekje wel op de juiste manier uit de hand van de priester aanpakken, zou ik niet de aandacht op mezelf vestigen door mijn onbeholpenheid? Ik herinner me dat het lichaam van Christus dezelfde textuur had als het eetpapier dat ik van kinderfeestjes kende, van die papierachtige velletjes die aan je gehemelte bleven kleven, maar die – in tegenstelling tot dit neutrale witte vliesje – een felroze kleur hadden en naar aardbeien smaakten.

Toen ik later, vanwege de sfeer en de muziek, weleens in een katholieke kerk kwam, leek mijn ongedoopte staat me eigenlijk vrij onbelangrijk, en voelde ik me vrij om aan te sluiten in de rij van communiegangers die zo’n smaakloos stukje eetpapier haalden; dat hoorde er nu eenmaal bij, en wars van rituelen was ik niet, hoewel ik ook niet helemaal begreep wat hiervan nu de diepere bedoeling was. Na afloop knielden sommige kerkgangers innig met hun knieën op de houten voetensteun en verborgen hun gezicht in hun handen, alsof ze smeekten of weenden. Dat beeld maakte meer indruk op me dan het ronde stukje ‘brood’ in mijn mond, dat op zichzelf geen enkele voedingswaarde had, nog minder dan een komkommer of matze, maar dat wel mijn speekselproductie en maagactiviteit op gang bracht en me steevast een gevoel van honger bezorgde.

Toen de priester op een dag aan me vroeg of ik nieuw was in zijn kerkgemeenschap, en ik stamelde dat ik nog niet was gedoopt, verstrakte zijn gezicht en realiseerde ik me meteen dat ik heiligschennis had gepleegd door iedere week een heilig koekje uit zijn hand te ontvangen. De man herstelde zich gelukkig snel en mom-pelde zoiets als: ‘Nouja, blijkbaar wist je niet beter.’ Waarop hij me uitnodigde voor de wekelijkse catechese, waar ik tot ware katholiek zou worden opgeleid. Uit nieuwsgierigheid stemde ik in, en sindsdien liep ik – wanneer het communieritueel begon – met mijn armen gekruist voor mijn borst naar voren, zodat ik niet langer een koekje ontving maar alleen een zegenend gebaar. Langzaamaan begon ik een echte insider in de rooms-katholieke kerk te worden, maar tijdens dit ritueel veranderde ik juist in een buitenstaander, wat ik in eerste instantie kwetsend en zelfs een beetje vernederend vond.

Toch werd de zin van mijn onthouding me gaandeweg steeds duidelijker. Zoals jonge mensen weleens wordt aangeraden om niet meteen met hun nieuwe geliefde het bed in te duiken, zo is ook het uitstellen van de heilige communie een goede manier om de spanning en het verlangen op te bouwen. Ja, al snel vergat ik hoe neutraal en smaakloos het koekje was geweest, hoe calorieloos en banaal, en begon de aanblik van al die knielende medekerkgangers de overhand te krijgen; hun ernst deed mijn eerbied voor de communie stijgen, mijn gevoeligheid voor het mystieke karakter ervan.

En toen ik dan eindelijk zelf was gedoopt, tijdens de paasnacht in de Utrechtse kathedraal, was de hostie zozeer zwanger van betekenis dat ik, eenmaal terug in de banken, mijn handen voor mijn gezicht moest slaan om mijn tranen van ontroering voor mijn geloofsgenoten te verbergen, precies zoals ik hen altijd had zien doen. Blijkbaar was ik voldoende ingewijd in het gedicht van het katholieke geloof, ontvankelijk voor de poëtische gedachte dat het allergrootste in het allerkleinste aanwezig kan zijn: het allerheiligste in een weeïg, inmiddels met speeksel vermengd, smaakloos koekje. ‘Het kleine telt, ik buig voor het kleine: voor het kleine koekje waarvan ik heb geleerd dat het God zelf is, voor het mislukte en kwetsbare in mijzelf, dat misschien niet zo lelijk is als ik altijd vreesde, en voor de kleinheid in anderen, voor de kwetsbaarheid van de wereld. Ik buig voor alles wat bescherming nodig heeft, en beloof dat ik oprecht zal zijn, niet groter dan ik ben, zoals ik anderen zal uitnodigen oprecht te zijn en niet in grootheidswanen te vluchten.’ Kortom, de communie betekende voor mij een lesje in nederigheid, een soort psychoanalytische verzoening met het duistere onderbewuste en een ontsnapping aan het strenge superego.

Maar heb je daar de kerk voor nodig, en dat ritueel met het heilige, smaakloze koekje? Ik weet het niet, al geloof ik wel dat wierook, plechtige gezangen en weelderige gewaden onder een hemel van eeuwenoude gewelven kunnen helpen om je antènnes voor ‘het heilige’ te versterken, een heiligheid die – dat is waar – juist buiten de kerk overal vindbaar is, in de meest banale aspecten van het dagelijks leven.

Where The Wild Roses Grow

Eigenlijk vind ik dat ik muziek met zo’n vrouwonvriendelijke tekst en clip niet mag waarderen, maar ik doe het toch: Where The Wild Roses Grow van Nick Cave en Kylie Minogue draai ik nu al de hele dag, en ik vraag me – bezorgd? beschaamd? – af waarom. In het nummer wordt immers een behoorlijk traditioneel rolpatroon bevestigd, dat van de weerloze, verleidelijke vrouw en de overmeesterende man, iemand die ik niet graag in het echt zou tegenkomen. Minogue, in het lied Elisa Day genaamd, ziet er met haar blanke huid, rode haar en volle lippen uit als een echte femme fatale, een Lilith uit de mythologie, maar ze zingt dat Cave haar eerste man zal zijn: ze is dus nog maagd, terwijl Cave een duistere uitstraling heeft en haar moordenaar blijkt te zijn.

Het beeld van de drijvende Elisa Day verwijst opzichtig – kitscherig bijna – naar de beeldschone, door bloemen omringde Ophelia in het water, zoals verbeeld in het beroemde schilderij van John Everett Mil-lais. Activeert deze clip soms mijn prerafaelitische puberperiode, toen ik wegdroomde bij schilderijen van mysterieuze vrouwen en geobsedeerde jongemannen in de ongerepte natuur? Word ik betoverd door de ongecompliceerde sensualiteit van Minogues volle stem en de diepe donkerte van die van Cave? Dat zou goed kunnen, want mijn vriend heeft me onlangs nieuwe boxen cadeau gedaan, waardoor beats en bas-stemmen een extra dimensie hebben gekregen, zoals ook de bovenstemmen lichter klinken, dichterbij.

Toch heeft mijn waardering voor het nummer vermoedelijk vooral te maken met een herinnering die er onlosmakelijk mee is verkleefd, en die steeds opnieuw wordt geactiveerd als ik het draai: die aan mij en mijn eerste geliefde in de auto, een halfjaar voordat hij aan kanker overleed. We hadden juist een boswan-deling in de schemering gemaakt, waarbij ik het – van verliefdheid? of gewoon omdat ik te lang studerend op mijn kamertje had gezeten? – niet kon laten als een jonge hond opgewonden rondjes te rennen, heuvel-tje op, heuveltje af, bij mijn liefje vandaan en weer naar hem terug, terwijl hij me hijgend maar tevergeefs probeerde bij te houden: de tumor knelde zijn luchtpijp af en verhinderde hem om vrij te ademen. Zo dartel als ik was, zo machteloos was hij. Toch lukte het me maar niet om te kalmeren, al maande de stem van mijn geweten me uit solidariteit zijn zieke tempo aan te houden.

Eenmaal terug in de auto verschenen er een grimas op zijn gezicht en een duistere blik in zijn ogen, en als een opgeschoten jochie gaf hij plotseling vol gas, zodat we als gekken over de snelweg sjeesden; ondertus-sen schalde Where The Wild Roses Grow haast ondraaglijk luid uit de boxen. Mijn hart begon te bonzen en het zweet brak me uit, maar gek genoeg begon ik niet te gillen of te protesteren, zoals ik normaal gesproken zou hebben gedaan – nee, ik gaf me volledig over aan zijn hartstochtelijke roekeloosheid, en aan de gedach-te dat we óf samen zouden overleven óf samen sterven, waarbij hij – zoals ik me pas later realiseerde – mijn moordenaar zou zijn geweest, zoals in de clip Nick Cave die van Kylie Minogue.

We overleefden; hij echter niet voor lang.

Niet ongedeerd

Met mijn ontdekkingen op het gebied van de popmuziek loop ik hopeloos achter. Zo is Portishead al enkele jaren niet meer actief, wat ook voor Roosbeef geldt, de band van Roos Rebergen die vooral tussen 2011 en 2015 in de aandacht stond. Eigenlijk is er niet één liedje van Roosbeef dat ik in z’n geheel mooi vind; mijn favorieten, waaronder Raak mij aan en Onder invloed, beginnen kwetsbaar en betoverend, maar eindigen steevast met een vervelende, cheesy begeleiding door een koortje of een mannelijke zanger. Laat die Roos toch lekker solo zingen met haar weke, sidderende stem die precies zo klinkt als de lodderige, ongegeneerde blik in haar ogen, en even ongestileerd als haar sprieterige haar. Seksualiteit is méér dan alleen een brave, gelukkige relatie, zingt Roos. Het is ook die onbeantwoorde begeerte, die onbegrijpelijke ontmoeting die je tot in het diepst van je lichaam raakt maar verder geen gevolg heeft, behalve een stoet moeilijk beheersbare fantasieën. Het is de behoefte om te ‘voelen of ik voel’, om te weten dat je echt bestaat, om ‘niet ongedeerd’ te blijven, niet onaangeraakt.

The Taste of Life

Vlak voordat hij mijn ex werd, vertelde ik mijn geliefde dat ik graag eens iets anders dan klassieke muziek wilde luisteren, en liet hij me een stapeltje cd’s uit zijn collectie kiezen. Van sommige bands, bijvoorbeeld Portishead, kon hij zich niet voorstellen dat ik ze zou waarderen – ‘hun muziek is elektronisch en nogal rauw’ -, maar dat maakte me juist nieuwsgierig. De eerste tijd raakte ik de cd’s nauwelijks aan, omdat de herinnering aan hun vorige eigenaar nog te pijnlijk was. Maar afgelopen zaterdag zette ik in een opwelling het album Third van Portishead op, en raakte volkomen gehypnotiseerd door de schurende klanken en pulserende ritmes, zelfs van nummers die ik in eerste instantie geneigd zou zijn als herrie te omschrijven.

Volgens bandlid Geoff Barrow verklankt de gekwelde stem van Portishead-zangeres Beth Gibbons ‘frustratie over zichzelf, over mensen, over relaties’, kortom, ‘over het menselijk tekort’. De muziek is opgebouwd uit mechanische, elektronische geluiden, die een unheimlich gevoel in de luisteraar oproepen, maar tegelijk zo lekker ritmisch zijn dat het moeilijk is om stil te blijven zitten. Je emoties ketsen op de kille, machine-achtige klanken af, maar je lijf herkent zichzelf erin, zijn innerlijke ritmes en processen, en voelt de onweerstaanbare neiging om mee te bewegen. (Dansen kun je het nauwelijks noemen, de robotische, schokkerige bewegingen die het beste bij de muziek van Portishead passen.)

En dan is er in elk nummer die benauwde, door onmenselijke krachten op de hielen gezeten vrouwenstem, die desondanks van een grote sensualiteit doortrokken is. In We Carry On hoor je hoe ze bijna wordt ver-malen in de machinerie van het naakte leven, de dwang van de biologie, de tijd, de competitie, de techniek: I bleed, no place is safe. De openingsklank is monotoon en bliepend als een vastgelopen machine, en ik fantaseer er als vanzelf knipperende alarmlichtjes bij. Onmiddellijk daarop volgt een ijzingwekkend regel-matige beat, die zes minuten lang ongewijzigd aanhoudt, en het tempo van een liefdeloze neukbeweging heeft, of van een verhoogde hartslag. Plotseling schrijnen daar de huilerige flarden poëzie van Gibbons doorheen, existentialistisch en een beetje raadselachtig:

The taste of life I can’t describe
It’s choking on my mind

Een zinzoekend mensenhart gevangen in een onverschillig universum, dat is wat ik hoor in Portishead, en dan vooral in dit nummer. Reaching out I can’t believe – hoezeer ik ook wens of reik, er is geen geloof waarmee ik uit de voeten kan. En hoe graag ik ook wil, het lukt me maar niet om een vrij mens te zijn, want hoe doe je dat? Wat kies je dan?

The pace, the time,
I can’t survive
It’s grinding down the view
Breaking out which way to choose
A choice I can’t renew

Dus blijft er die pulserende hartslag over, die innerlijk gevoelde drang, die haast ondraaglijk intense taste of life die zich niet beschrijven laat, en die de menselijke geest tot gekte drijft. Want wat moet het verstand met zoveel drift, het hart met zoveel agressie, het bewustzijn met zoveel primitiviteit?

Meisjesgezicht

Ben je verliefd, dan vind je alles aan de geliefde ander interessant. Meestal is het moeilijk om aan buitenstaanders duidelijk te maken waarom juist die ene persoon jouw uitverkorene is, iets waarvan je – naarmate je meer tijd samen doorbrengt – steeds overtuigder raakt. Vooral het gezicht van je lief zou je eindeloos willen bestuderen, omdat de uitdrukking erop iedere seconde subtiel verandert. Via de spiertjes, lijntjes en beweginkjes, maar natuurlijk vooral de ogen, spreekt hij of zij een woordeloze taal, en onthult zichzelf stukje bij beetje.

Fotograaf Arno Nollen heeft zich voor de taak gesteld om al die stukjes te verzamelen. Twee mooie, maar alledaagse jonge vrouwen vormen het onderwerp van honderden polaroidfoto’s, die vaak maar een fractie van elkaar verschillen. De foto’s hangen als collages aan de witte galeriemuur, en maken ons getuige van de subtielste beweginkjes op de meisjesgezichten: licht knijpende ogen, de schaduw van een frons, een kin die zich een tikkeltje opricht, lippen die langzaam uiteen gaan en weer samenkomen.

Persoonlijk doen de meisjes mij aan bloemen denken, die – afhankelijk van de lichtval en de stemming van het ogenblik – een beetje openbloeien of juist sluiten. Heel even begeven zij zich, in een lach of een innige blik, naar de rand van hun huid, om dan weer terug te zakken in zichzelf, in een onzichtbare droom of gedachte die wij minnaars nooit te weten zullen komen.

In de ban van paars

Lieveheersbeestjes zijn er met rode en met gele schildjes. Alarm! schreeuwen die kleuren: ik ben giftig! Precies zo hangen er rode en gele reclameposters bij Kruidvat. Alarm! roept het in mij, en ik ben geneigd de straat op te rennen, de giftige winkel uit. Maar ik was hier geloof ik om paracetamol te kopen, en shampoo. Het geel en rood schijnen bovendien niet bedoeld te zijn om klanten weg te jagen, maar om hen te vertellen dat ze één fles shampoo gratis krijgen als ze er twee kopen. Of dat een voordeel of een nadeel is, weet ik niet; het staat vermeld in witte letters tegen een knalrode achtergrond, die me verhinderen goed na te denken, en voor ik het weet loop ik met armen vol shampooflessen de winkel uit. Op straat blaas ik opgelucht de giftige gele en rode dampen uit mijn longen.

Ik moet aan mijn moeder denken, die is opgegroeid in een gezin met tien kinderen. Het was nog niet zo makkelijk om de aandacht van haar moeder te trekken, en daarom had ze een speciale strategie ontwikkeld. Als ze haar moeder iets wilde vragen en geen reactie kreeg, pakte ze haar brutaalweg bij de kin en draaide die naar zich toe, zodat er een moment lang oogcontact tot stand kwam. Of dat een inhoudelijk antwoord of alleen een geërgerde snauw opleverde, was van ondergeschikt belang; haar moeder had tenminste een kik gegeven, die speciaal voor haar was bedoeld.

Gisteravond in de auto doemde er in mijn ooghoek een bundel paarsheid op, zoals ik nog nooit eerder had gezien. Met een vriend reed ik in het donker over een verlaten landweggetje; hier en daar was er een gele of witte lantaarn zichtbaar, meer niet. Het was me onmogelijk om het plotselinge paars te negeren, al deed ik nog zo hartstochtelijk mijn best. Zo begon ik verwoed ‘hmmm hmmm’ tegen mijn vriend te hummen, mijn voorhoofd te fronsen en te knijpen met mijn ogen om mijn aandacht te fixeren op het onderwerp van ons gesprek: atonale muziek, en hoe hij daarmee als tiener al had kennisgemaakt, terwijl ik er nog steeds mee worstel.

Opeens schiet me – misschien onder invloed van het paars – een overleden vriend te binnen die, net als ik, een voorkeur had voor rust en orde, voor renaissance- en barokmuziek, en een hekel had aan de herrie en chaos van mensenmassa’s, bijvoorbeeld op Hoog Catharijne. Ook hij vond atonale muziek ongetwijfeld moeilijk, en ook hij werd vermoedelijk volkomen afgeleid als hij in het donker over het platteland zou rijden en zijn blikveld plotseling geheel zou worden gevuld met helder paars verlichte kassen.

Ik vertel het aan de vriend die naast me zit, en de auto bestuurt en tegen me praat alsof er niets aan de hand is, alsof er niet rechts naast ons zojuist een ufo van een andere planeet is geland. Ik haat dat paars! roep ik uit. Jij en ik voeren een geanimeerd gesprek, en ineens is het alsof iemand daar doorheen begint te tetteren, met zijn armen zwaait, aan mijn kin trekt, kortom: alles doet wat in zijn vermogen ligt om mijn aandacht te trekken. Dat vind ik onbeleefd, zelfs agressief. Zie je dan niet hoe agressief dat paars is? Hoe durft iemand – de eigenaar van die kassen – zich zo aan de rest van de wereld op te dringen?

Maar zodra ik mijn vurige tirade staak, merk ik hoe het paars me in zich op begint te slurpen. ‘Paarsheid, paarsheid’, voelt mijn lichaam, dat door de kleur wordt omringd als door een wolk, en door het paars heen waadt als door een plas water. Ik wórd paars, wat dat ook moge betekenen. Mijn vriend zit zwijgend naast me en laat me intiem alleen zijn met het paars, dat me ineens niet meer ergert, maar oneindig fascinerend is, als een muziekstuk of een filosofie over het bestaan, over het paarse gezicht van de werkelijkheid, een aspect dat ik altijd over het hoofd heb gezien. Alsof paars een eigen waarheid heeft, met de warme sensualiteit van roze, vermengd met een blauwe nostalgie naar verten.

Weet je, zegt mijn vriend even later, als er alleen nog een paars schijnsel door de bomen zichtbaar is, en het klinkt alsof hij me iets op wil biechten. De eerste keer dat ik hier ’s avonds voorbij reed, was ik zo gegrepen door dat paars, dat ik m’n auto in de berm geparkeerd heb om er een tijdje naar te staren. Vind je dat raar? Zijn bekentenis raakt me, en ik ben even stil.

Ja, antwoord ik ten slotte. Jij bent dus net zo raar als ik.

Potentiële moeder

Mensen die met mij uit eten willen gaan, moeten de keuze van het restaurant aan mij overlaten. Natuurlijk mogen ze suggesties doen – ‘Kijk, dat tentje ziet er gezellig uit!’ -, maar vervolgens ben ík degene die haar neus om de hoek steekt om te inspecteren of er geen muziek aan staat, geen feestverlichting knippert en geen kinderschare of beschonken gezelschap door de ruimte tettert. Meestal moet ik mijn kompaan en de ons tegemoet snellende ober met een pijnlijke glimlach meedelen ‘dat we nog even verder kijken’, en voelt onze terugkeer in de stille avondlucht als een verademing. Hoe krijgen mensen een hap door hun keel met al dat geschreeuw, die stank, een radio? vraag ik me – na drie of vier mislukte pogingen – wanhopig af. Uiteindelijk belanden we vaak bij een traditionele Indiër of Chinees, met kleurloze liftmuziek die haast onmerkbaar langs je heen glijdt. Op doordeweekse avonden ben je daar met een beetje geluk de enige, zodat je je volledig kunt concentreren op het eten en de conversatie.

Het lijkt me vanzelfsprekend dat iemand zoals ik geen kinderen neemt, en – als ze ze per ongeluk tóch dreigt te krijgen – er alles aan doet om zich tijdig van ze te verlossen. Een kind kun je nu eenmaal niet dwingen om het grootste deel van de dag stil te zitten; je kunt het niet verbieden te gillen, opgewonden te praten, te huilen, je aandacht op te eisen. Ik zou permanent oordoppen dragen en geregeld in de verleiding komen om het op te sluiten in een schuur of op een rommelzolder (als ik die had); als het nog klein was zou ik, tijdens een wandeling, ineens de neiging kunnen krijgen om het bij het eerste het beste huis te vondeling te leggen, vooral als het langer dan tien minuten zou huilen.

‘Maar bij je eigen kind is het anders’, zeggen mensen tegen me, mijn moeder, een vriendin, een goede vriend. ‘Van je eigen kind kun je wel wat hebben. Dan heb je het ervoor over. Het wordt beter zodra ze naar school gaan’, et cetera. ‘Sommige mensen zijn nu eenmaal geschikter voor het moederschap dan andere’, sputter ik tegen, maar volgens hen ben ik juist heel geschikt. ‘Je bent zelf rustig, dus zul je waarschijnlijk ook een rustig kindje krijgen. En je moet zorgen dat de vader een zorgzaam type is, zodat je er niet alleen voor komt te staan.’ Kortom, redenen genoeg om ook als hypergevoelige einzelgänger zonder kinderwens aan kinderen te beginnen. ‘Je zult er versteld van staan hoe sterk je moedergevoelens zullen zijn. Eigenlijk gaat het vanzelf, wanneer het eenmaal zo ver is.’

Wat moedergevoelens betreft zouden ze nog weleens gelijk kunnen krijgen; in feite heb ik ze, ondanks mijn afkeer van gehuil en druk gedoe, zelfs al. Signaleer ik een kersverse ouder met een slapende baby in een draagzak, dan moet ik – meer nog dan als er een beeldschoon meisje of een intellectueel uitziende man passeert – mezelf bedwingen om niet ongegeneerd te gaan staren. Sta ik bij stoplichten of in de lift naast een mevrouw met kinderwagen, dan gluur ik voortdurend even in de veel te grote, ronde babyogen, en voel hoe ze op me blijven branden terwijl ik zelf mijn blik alweer heb afgewend, omdat ik niet wil toegeven hoe interessant ik baby’s vind – straks blijk ik nog een kinderwens te hebben, stel je voor!

Wat had ik afgelopen vrijdag dan in vredesnaam te zoeken bij de lezing in Perdu, gewijd aan ‘de poëzie en politiek van zwangerschap’? Waarom hoorde ik in de pauze jonge moeders uit over hun pijn bij het baren, hoeveel hun kind ’s nachts huilt, of ze nog weleens een boek kunnen lezen, of ze niet stiekem spijt hebben van hun keuze voor het moederschap? Vanwaar mijn vreugde om de tedere, soms rauwe gedichten die die avond werden voorgedragen, mijn verontwaardiging over de sfeerloze tl-verlichting in verloskamers, mijn ongeruste gevoel bij de verhalen over het medische geweld waarmee barende moederlijven in ziekenhuizen worden bedwongen? Waarom was het alsof dit alles mij aanging, terwijl ik toch allang en resoluut besloten heb dat zo iemand als ik onmogelijk moeder kan worden?

Eigenlijk kan ik maar twee antwoorden bedenken. Óf de biologie besluipt me en doet me beslissingen nemen, zoals het bezoeken van een lezing over zwangerschap, die me langzaam maar zeker in de richting van ‘mijn ware bestemming als vrouw’, het moederschap, zullen stuwen. Óf het is waar wat ik mezelf die avond voorhield: dat zwangerschap een universele levensmogelijkheid is, iets wat iedere vrouw – ook degene die besluit kinderloos te blijven – wezenlijk aangaat, en haar iets leert over de aard van haar creativiteit en seksualiteit. De feministische filosofe Luce Irigaray zei eens in een interview:

Elke vrouw, dat is belangrijk om op te merken, is potentieel moeder. Een kind baren is absoluut een heel bijzonder gebeuren, maar je kunt ook baren in je werk, in je relatie met anderen. Je kunt vrienden bemoederen. Je zou kunnen zeggen: net zoals de moeder óók vrouw is, heeft iedere vrouw, ook als ze niet daadwerkelijk een kind voortbrengt, een moederlijke dimensie in zich. Je moet die moederlijke dimensie losmaken van de materiële voortplanting.

Ik ben benieuwd welke vormen van moederschap het leven nog voor mij in petto heeft. En hoop maar dat ze niet al te bloederig en oorverdovend zullen zijn.