Levensechte ander

Ja, ik weet wel dat andere mensen een net zo volwaardig gevoelsleven hebben als ikzelf, een net zo moei-zaam verworven wereldbeeld, een net zo kwetsbaar ego, net zo sterke meningen en net zo geldige wensen en verlangens. En toch zijn die van mezelf altijd nét een fractie echter dan die van anderen: alleen mijn eigen emoties ervaar ik immers aan den lijve, terwijl die van anderen alleen via gezichtsuitdrukkingen zichtbaar worden, via woorden, geluiden en gebaren. Het is best een inspanning om me te realiseren hoe reëel en universumvullend ook het bewustzijn van mijn medemens is, hoe groot en totaal en onontkoom-baar voor de persoon in kwestie, een totaliteit waaraan hij – net als ik aan mezelf – niet kan ontsnappen: aan de onomstotelijke hoofdrol die hij in zijn eigen universum speelt, aan zijn onophoudelijke als-zichzelf-aanwezig-zijn, ook als hij zichzelf – zoals ik mezelf soms – zat is.

De grootheid en echtheid van anderen, het bezorgt me soms duizelingen. Want er is niet slechts één ander die net zo omvattend, doorleefd en rijkgelaagd is als ikzelf, en ook niet twee – dan zou het nog overzichtelijk zijn, als ik het gewicht van slechts twee medemensen in volle omvang tot me door hoefde te laten dringen. Ja, die twee zouden al om een bijzondere inspanning vragen. Dat de wereld voor hen net zo levensecht is als voor mij, hun huid net zo kwetsbaar en aanraakbaar voor de vurige pijlen van die wereld, hun pijn net zo schrijnend en diep als de mijne soms, hun vreugde net zo explosief en prachtig en stralend, hun emotionele evenwicht net zo kostbaar, net zo zwaar bevochten, net zo wankel. Net als bij mij ook bij hen die permanen-te sensatie van een warme tong in een vochtige mond, een huid die een bepaalde temperatuur heeft, haar-tjes die ineens overeind kunnen staan en hun drager een opdringerig gevoel van kou, rillerigheid kunnen bezorgen. Driemaal een volwaardig leven, driemaal, dat zou ik nog nét kunnen bevatten op mijn meest lucide, ontvankelijke momenten. Driemaal een wezenlijke andersheid ook, want zij zijn geen letterlijke verdubbeling van mijzelf: nee, ze zijn juist radicaal anders dan ik, en een levend bewijs dat ik meestal ongelijk heb, ook als ik zelf geloof dat wat ik zie en beleef de ware werkelijkheid is.

Drie mensen zijn drie druppels in de gehele mensheidszee, een grootheid zo onbevattelijk dat ik me er misschien maar beter niet aan kan wagen haar omvang te peilen – want wie ben ikzelf dan nog in dat geheel? Hoe belangrijk zijn ik en dat handjevol dierbare mensen om me heen? Dat het universum bijna acht miljard keer afzonderlijk bestaat, acht miljard keer even groot, totaal en levensecht… laat me daar niet aan denken, want wat schiet ik ermee op? Laat ik mijn denkoefeningen klein houden, zoals van de week, toen ik voor het eerst in vijftien jaar drie filmpjes uit mijn kindertijd terugzag, en de tranen me over de wangen stroomden toen ik tot me door liet dringen dat ík dat was, dat kleine hummeltje met die wankele, mollige beentjes en schaapachtige ogen, dat zich met niets anders bezighield dan pluisjes en koekkruimels, warme melk en vogels in de lucht, een dekentje, een vinger in haar mond – een tactiel universum was dat, ongereflecteerd, ondubbelzinnig, ongelaagd. Dat dat wezentje, waarin ik meer een diertje dan een mensje zag, tot de wereld uit heeft kunnen groeien die ik nu ben, dat kan ik bijna niet geloven. Dat ik, die geneigd ben mezelf zo serieus te nemen, ooit zo simpel was als een lammetje of een bloem – hoe is het mogelijk?

In feite zijn natuurlijk alle kinderen opgroeiende universa, en daarom behelst iedere opvoeding een onein-dige verantwoordelijkheid: want als het misgaat met zo’n schijnbaar onbenullig hummeltje, bestaat er nog decennialang een universum dat gevuld is met pijn, met zwaarte; niet de abstracte pijn van een ander, maar dezelfde pijn die ook mijn pijn is, ook jouw pijn – even direct en levensecht tenminste, even onvergeeflijk en ondraaglijk schrijnend. Dat besefte ik toen ik laatst de documentaire Alicia zag, over het dochtertje van een tienermoeder, dat heen en weer zwierf tussen pleeggezinnen en kindertehuizen en in haar groeiproces van mensdiertje naar volwassen vrouw werd geknakt, omdat ze – misschien wel terecht – was gaan geloven dat niemand haar écht zag, dat niemand van haar hield; dat haar universum onzichtbaar en zinloos was, een monade, onbetekenend voor anderen, onaangesloten. Omdat niemand de moeite nam de oversteek te wagen, vanuit zijn eigen totaliteit naar die van haar, en zij andersom dus ook niet leerde hoe dat moest.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s