Een trillend kikkerhart


Het bospad was bezaaid met miniatuurkikkertjes, en ik wist bijna zeker dat ik er tijdens het lopen enkele moest hebben vertrapt. ‘Genadeloos’ was een woord dat in me opkwam, en als ik dan toch zo genadeloos bezig was, kon ik toch net zo goed een paar van die kleintjes meenemen naar huis? Voordat een andere wandelaar ze zou vermorzelen onder zijn schoenen, of een reiger ze op zou prikken met zijn snavel.

Al mijmerend kwam ik tot de overtuiging dat het niet zozeer genadeloos was, maar dat ik juist een goede daad verrichtte, zoals ik daar door het bos wandelde met die vier kikkertjes in het waterflesje in mijn hand. De beestjes krioelden hysterisch in het rond, maakten woeste zwembewegingen, duikelden over elkaar en konden ineens minutenlang bewegingloos in het water blijven drijven of naar de bodem zinken, waarbij ik me afvroeg of ze aan een hartaanval bezweken waren. Totdat ze plotseling weer gretig boven kwamen peddelen, en ik gerustgesteld was.

Thuis stopte ik het viertal in een pan met glazen deksel, een klein laagje water op de bodem. ‘Ik moet een aquarium kopen, of tenminste een emmer’, dacht ik, terwijl ik op de fiets sprong en naar de dichtstbijzijnde dierenwinkel snelde. Toen ik thuiskwam met een grote doorschijnende plastic bak, zaten er nog maar drie kikkertjes in de pan. ‘Zouden ze de vierde opgegeten hebben?’ Pas enkele uren later hopte nummer vier te voorschijn, ergens vanuit een hoekje in de kamer. Hij moet zich door het kleine tuitje om af te gieten heen hebben gemanoeuvreerd.

In de dagen die volgden hing ik voortdurend met mijn hoofd boven de plastic bak, die ik rijk had gevuld met stenen, takken, gedroogde bladeren, stukjes komkommer, blaadjes sla, vissenvoer en een scheutje slootwater vol kroos. De diertjes leken niets te eten en verschansden zich bewegingloos onder de blaadjes. Hooguit strekte elke halve minuut één van hen een ledemaat; zich voortbewegen duurde zo een eeuwigheid. Misschien waren ze verstijfd van angst, maar zo interpreteerde ik het niet: omdat ik zelf volkomen betoverd was door de lieflijke kleinheid van mijn nieuwe kameraadjes, kon ik me nauwelijks voorstellen dat zij niet even enthousiast als ik waren over hun gevangenschap in het miniatuuroerwoud dat ik voor ze had gescha-pen. Ja, ik kon me verkneukelen over de vele schuilplekjes, drijvende eilandjes en paadjes die ze konden kiezen en bewandelen, en doorliep die gretig met mijn ogen, alsof ik een avontuurlijke boswandeling maakte.

Vrienden konden ieder dagdeel rekenen op een filmpje waarin je mijn kikkertjes, die ik soms wreed verjaagde uit hun schuilplaats tussen de gedroogde bladeren, paniekerig rond zag spetteren achter de wanden van de bak. Als ik gekookt had, nuttigde ik mijn maaltijd met uitzicht op het kikkeruniversum. ‘We zitten sla te eten’, antwoordde ik toen mijn geliefde vanaf zijn vakantielocatie vroeg waar ik op dat moment mee bezig was. Een foto van mijn bord vol sla tegen de achtergrond van het aquarium, waarin eveneens de nodige slablaadjes ronddreven, sommige met een kikker erop, fungeerde als bewijs.

Na enkele dagen begon de absurditeit van mijn nieuwe hobby zich aan me op te dringen. Waarom moest ik zo nodig elk halfuur een paar minuten in die bak turen, terwijl daar nauwelijks iets bewoog? En waarom die honderden foto’s in mijn telefoon, van een kikker bovenop een uitstekende tak, een kikker die zwemt, een kikker die een vergeefse ontsnappingspoging doet door de wanden van de bak te beklimmen, zijn vingertjes en teentjes tegen het plastic geplakt? Waarom was ik zo verliefd op die onooglijke mormeltjes, een soort vissen met pootjes of insecten met zwemvliezen, die toch niet bepaald knuffelbaar waren?

Ik geloof dat ik iets menselijks ontwaarde in hun lichaamsbouw. Hun kikkervingertjes en -teentjes waren zo verfijnd en lang dat ze behoorlijk op mensenvingers en -tenen leken. Met die vingertjes konden ze echt iets vasthouden, een takje bijvoorbeeld, zoals verder in het hele dierenrijk alleen mensen en apen dat kunnen. O ja, en eekhoorns. Ook hun beentjes waren lang en dun en hadden echte knietjes, zodat ze van die typische kikkersprongen konden maken, maar ook ergens tegenop konden staan, rechtop, waarbij ze me aan rechtop lopende mensen deden denken. Het was, kortom, alsof ik vier miniatuurmensjes in huis had gehaald met een bochel, een buitenproportioneel fors hoofd en de lichaamsgrootte van een foetus van enkele weken. Zou het soms door mijn opspelende moedergevoelens komen, mijn onverwachte fascinatie voor deze mengeling van reptiel en foetus?

Of was het juist hun ónmenselijkheid die me boeide, hun onpeilbare, ver van mijn mensenbewustzijn verwijderde kikkerziel? Zoals alle kikkers hadden ook de mijne ronde, opzichtig aan de bovenkant van hun hoofd uitstulpende ogen, bruin met een grote zwarte pupil, waaruit niets op te maken viel, echt helemaal niets. Onleesbare zwartheid. Hun huidje voelde als een mengeling van nat rubber en plastic, glad maar ook hier en daar een beetje ruw. Ze wogen bijna niets, al veroorzaakte de val van hun kikkerlijf in het water een kleine rimpeling aan het wateroppervlak. Mijn kikkers waren onmogelijk om te lezen, en in eerste instantie vond ik het verleidelijk mijn eigen emoties op ze te projecteren. Totdat ik merkte dat ik daarmee echt álle kanten op kon gaan – soms waren ze levendig en blij, soms verwijtend en droevig. Soms meende ik honger uit hun trillend kloppende hartje af te kunnen lezen, soms een verlangen naar vrijheid uit hun grote starende ogen. Alles heb ik in hun ogen gelezen. Totdat ik het opgaf en stopte met projecteren.

En er alleen een onmenselijke stilte overbleef. Een trillend kikkerhart. Een glanzend kikkervel. Zonder enige boodschap. Een naakt leven. In die dagen had ik juist Clarice Lispectors mystieke roman De passie volgens G.H. gelezen, waarin de vrouwelijke hoofdpersoon oog in oog staat met de huiveringwekkende duisternis en anonimiteit van een kakkerlak. ‘De aanraking met dat ding zonder eigenschappen of ken-merken vond ik walgelijk, afstotend was het, dat levende ding dat naam noch smaak noch geur heeft.’ En verderop: ‘Het waken van de kakkerlak was leven dat leefde, mijn eigen waakzame leven dat leefde. […] En ik herkende in de kakkerlak de weeïgheid van de keer dat ik zwanger was geweest.’ Gaandeweg begint ze de stilte van de kakkerlak meer te waarderen. ‘Wat is deze stilte luxueus. Ze zit boordevol eeuwen. Het is een stilte van een kakkerlak die kijkt. […] Als je de moed hebt om je gevoelens los te laten, ontdek je het ruime leven van een extreem bezette stilte, de stilte die bestaat in de kakkerlak, de stilte die bestaat in de sterren.’

It’s just my body

Al dagenlang luister ik van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat naar Body van de Australische singer-song-writer Julia Jacklin. Het is een minimalistisch nummer met een trage beat, een eentonige melodie en een onderkoelde, onopgesmukte vrouwenstem. Ook de tekst is niet bijzonder spannend: Jacklin bezingt hoe haar vriendje werd betrapt op roken in het vliegtuig, waarna ze voor straf op een vervroegde vlucht terug naar huis werden gezet en hun gezamenlijke weekendje weg niet door kon gaan. Maar zodra Jacklin aan de bagageband de beslissende woorden ‘I’m gonna leave you / I’m not a good woman when you’re around’ heeft uitgesproken, verandert alles, en voor het eerst sinds lange tijd ervaart ze de sensualiteit van de we-reld weer in volle hevigheid:

That’s when the sound came in
I could finally see
I felt the changing of the seasons
All of my senses rushing back to me

Op muzikaal gebied hoor je van die verandering maar weinig: de eentonigheid van beat en melodie en de kalmte van Jacklins stem worden niet doorbroken. Maar plotseling begrijp je als luisteraar de aard van die onderkoeldheid beter: het is de kalme berusting van een vrouw die bewust voor zichzelf kiest (Watch me turn my own head / Eyes on the driver, hands in my lap / Heading to the city to get my body back), zich losrukt uit een situatie die haar beknelde en bereid is om zichzelf opnieuw uit te vinden, niet langer vluch-tend voor zichzelf, haar eigen verantwoordelijkheid en verlangens. Dat daarmee nu ook het volle gewicht van haar leven op haar eigen schouders komt te rusten, is wat het nummer die opmerkelijke traagheid geeft, een traagheid waarin – net als in de bezonken bas – vastbeslotenheid schuilt, de afwezigheid van twijfel.

Even vreest Jacklin nog dat haar ex de foto, die hij eens op een onbewaakt moment van haar naakte, drieëntwintigjarige lichaam heeft genomen, wraakzuchtig aan de wereld openbaar zal maken: ‘Do you still have that photograph? / Would you use it to hurt me?’ Maar onmiddellijk bezweert ze die angst met een nuchter en strijdvaardig mantra:

Well, I guess it’s just my life
And it’s just my body

Het is dit mantra wat Body voor mij zo’n inspirerend nummer maakt, want in die eenvoudige woorden schuilt een grootse waarheid: dit zijn míjn leven en míjn lichaam, wat er ook gebeurt. En omdat het niet alleen zwaar, maar ook vreugdevol en bevrijdend is om slechts jezelf toe te behoren, danst Jacklin in de laatste minuten van de clip een sensuele dans met zichzelf, met haar eigen lijf, onder begeleiding van datzelfde mantra:

I guess it’s just my life
And it’s just my body

Literair navelstaren

‘Ik houd niet van verhalen’, beweerde ik eens stellig tegenover een geliefde die daar juist wél dol op was. Hoewel ik literatuurwetenschap studeerde, was ik eigenlijk niet in vertelstructuren geïnteresseerd, in verzonnen personages en geconstrueerde plots. Het liefst las ik literaire werken waarin een mijmerende ik-figuur centraal staat die een originele, hoogstpersoonlijke visie op de wereld ontvouwt, zoals die van Carry van Bruggen of Isaac Bashevis Singer. Onder mijn lievelingsboeken bevonden zich bovendien veel dagboe-ken en briefwisselingen, zoals die van Etty Hillesum en Belle van Zuylen. Hoe doe je dat, leven? vroeg ik me af. Hoe interpreteer je de dingen die je overkomen? Hoe houd je oog voor de magie van het dagelijks leven, voor de waardigheid en onmetelijke gelaagdheid van de mensen om je heen? Het was voor mij niet zo nodig om meegesleept te worden door een ingenieus verhaal met spannende gebeurtenissen en verwikkelingen. Idealiter gebeurt er in een roman maar weinig, behalve dan in het brein van de hoofdpersoon.

Gisteren bezocht ik een publiek interview met de Mexicaanse filosoof en schrijfster Valeria Luiselli, in wier romans de gebeurtenissen ondergeschikt zijn aan de overpeinzingen die ze ontlokken aan de personages. Waarom gebruikt ze dan de romanvorm, zou je je af kunnen vragen, en zet ze die mijmeringen niet recht-streeks, zonder personages en gebeurtenissen, op papier? Omdat het verhaal als een soort katalysator fungeert: Luiselli laat zien hoe gedachten nooit in het luchtledige ontstaan, maar altijd opwellen vanuit geleefde situaties. Haar denken is diepgeworteld in de wereld van alledag, in het onrecht waarvan we getuige zijn, in de sensaties die ons eigen lichaam en onze interacties met medemensen in ons teweeg-brengen. Doorleefd denken, doorleefd filosoferen, dat is wat er gebeurt in mijn favoriete romans.

‘Ik kon roepen dat ik geen verhaal wilde, maar de waarheid was dat het verhaal mij niet leek te willen’, aldus de hoofdpersoon, een schrijfster, in Niña Weijers’ recent verschenen roman Kamers antikamers, waarin inderdaad geen chronologisch verhaal wordt verteld. Veeleer ben je als lezer getuige van afzonder-lijke impressies, levensflarden, verschillende versies van hetzelfde leven: met kind, zonder kind, homo-seksueel, heteroseksueel, et cetera – een soort collage. Zoals ook het echte leven vaak meer een grillige aaneenschakeling van momenten, fantasieën en onvoorziene wendingen is dan een logisch verhaal.

Het lijkt momenteel wel in opkomst te zijn: romans waarin schrijvers niet zozeer een kunstmatige wereld creëren om eventjes aan de échte wereld te ontsnappen, maar veeleer persoonlijke vragen en waarheden willen onderzoeken. Weijers reflecteert voortdurend op het feit dat ze schrijft, waardoor je als lezer door-drongen raakt van het feit dat haar fictie (zoals iedere vorm van fictie) een constructie is. ‘Het schrijfproces mag sporen nalaten in het eindproduct’, stelt ook Luiselli, die haar eigen leven als materiaal beschouwt waaruit ze – via een mysterieus alchemistisch proces – een kunstproduct brouwt, iets nieuws en artistieks. Daarin zijn de gebruikte elementen nog steeds als zodanig herkenbaar: haar hoofdpersonen lijken steevast op haarzelf, met hun sigaret en felrode jas, echtgenoot, dochtertje en stiefzoon. In de recensies van Kamers antikamers valt op hoezeer recensenten zoeken naar parallellen tussen Weijers’ eigen leven en dat van haar personages. ‘Dit is autofictie’, zeggen ze dan. ‘De huidige schrijversgeneratie is verslaafd aan navelstaren, durft geen groots, ingewikkeld perspectief meer te ontwikkelen, maar houdt het klein, vertrouwd, dichtbij. Ze nemen niet de moeite om zich in anderen te verplaatsen, maar schrijven vanuit zichzelf, althans, vanuit iemand die bijzonder op henzelf lijkt.’

Maar wat is daar mis mee? vraag ik me af. Waarom zou je dat afdoen als een vorm van narcisme, egoïsme, desinteresse in de buitenwereld? Is het niet interessant om juist het standpunt dat je als auteur het beste kent, je eigen, in te zetten? Om jezelf op het spel te zetten, de grenzen van je identiteit op te rekken en jezelf in allerlei situaties te plaatsen, om aldus dieper tot de werkelijkheid door te dringen? ‘Urgentie’, die term gebruikte Rutger Lemm toen hij de romans van Luiselli karakteriseerde. ‘Ik kan niet schrijven over dingen die in een ver verleden zijn gebeurd en waarmee mijn leven niet rechtstreeks in verband staat’, vertelde Lu-iselli. Die urgentie, die persoonlijke inzet spat van de pagina’s van haar romans, evenals van die van Niña Weijers, Bregje Hofstede, Lieke Marsman en Maggie Nelson, om maar enkele hedendaagse auteurs van zogenaamde ‘autofictie’ te benoemen.

‘Waarom wil je dat zo graag weten?’ reageerde Luiselli toen een meisje uit de zaal haar vroeg of zijzelf het personage met de sigaret en rode jas is, en of de gebeurtenissen in haar boeken letterlijk uit haar eigen le-ven afkomstig zijn. ‘In de afgelopen drie dagen is die vraag me al zo’n vijfentwintig keer gesteld, maar het lijkt me zo zinloos om haar te beantwoorden, zo volstrekt oninteressant.’ Volgens mij heeft Luiselli gelijk. Niet de – verzonnen of waargebeurde – feiten maken haar romans interessant, maar de overwegingen, het diep doorleefde perspectief van waaruit ze de contouren van de werkelijkheid aftast.

De sensualiteit van bomen

Bomen hebben iets menselijks, iets mannelijks. Als kind was ik al gefascineerd door bomen, hun takken die wel armen lijken, omhoog wuivend of met elkaar in worsteling. Het was gemakkelijk om ogen, neuzen en monden te ontwaren in de uitstulpende knoesten waar voormalige takken hadden gezeten. Ook de Disney-film Sneeuwwitje voedde mijn verbeelding met een scène waarin de prinses paniekerig door een spookbos rent, van alle kanten betast door grijparmige bomen die vervaarlijk loeiende geluiden maken. Gelukkig was ik meestal samen met mijn ouders en oudere zus wanneer ik door het bos wandelde, dus bang voor bomen ben ik nooit geweest.

Bomen, met hun fallische opwaartse gerichtheid, gespierdheid en kronkelige vormen, stralen beweeglijk-heid uit, vitaliteit, levenskracht. Pas sinds ik een geliefde met gespierde, indrukwekkend sterke bovenar-men heb, realiseer ik me voor het eerst dat het golvende en robuuste van boomstammen iets wegheeft van gespierde mannenledematen, en dat de sensualiteit van bomen een vrij mannelijke sensualiteit is: resoluut, compact en onverzettelijk, zo tegengesteld aan fragiele, in sierlijke jurken en zoete zwemen parfum gehulde bloemen. Het is voor mij dan ook verleidelijk om tijdens een boswandeling mijn eigen erotische gevoelens – bewust of onbewust – op de natuur te projecteren, en in die natuur een geheimzinnige, verborgen lading te vermoeden.

David Hockney is een fervent schilder van bomen. ‘Als het lente is, heeft de natuur een erectie’, beweerde hij, en onmiddellijk wist ik dat de homoseksuele Britse kunstenaar en ik de natuur op een gelijkaardige ma-nier beleven: als een levend organisme, als een spiegel voor de mens. Tijdens de recente Hockney-expositie in het Van Gogh Museum werd je als bezoeker omringd door talloze feestelijke, felgekleurde, naar het zon-licht dansende bomen, meestal groen, maar soms geschilderd in opmerkelijk onnatuurlijke tinten paars.

Ook dode bomen schildert Hockney: stapels dunne, van hun schors ontdane stammetjes langs de kant van de weg. En een ‘gevelde totem’: een dikke, ruwe boomstam die levenloos naast zijn eigen stronk ligt, gecas-treerd of onthoofd. Het schilderij wordt gedomineerd door een paarse gloed, hoewel de gevelde totem zelf vanbinnen spierwit is, doods, lijkbleek. De opstaande stammen eromheen zijn paars: zij leven nog, en het lijkt wel alsof het paars hun levenssap symboliseert, zoals het paars waarin de liggende boomstam baadt een bloedplas is, luguber weggesijpelde levensenergie.

 

Genadeloos tl-licht

Mijn periode in de zorg was zalig en verschrikkelijk ineen. Er werd voortdurend tegen me gesnauwd – ‘Waar bleef je nou? Kan dat niet wat sneller? Au, je doet me pijn!’ -, maar ik werd ook om de haverklap bedankt, hield handen vast en was de hele dag intiem met wildvreemden. Zodat die vreemden, meestal praatzuchtige of juist in zichzelf gekeerde ouderen, al snel vertrouwd werden, bijna als mijn eigen kinderen. Mijn herinneringen aan die tijd zijn wazig, want op één werkdag gebeurde er meer dan mijn mentale maag achteraf kon verteren. En is het niet door zorgvuldige verteerarbeid dat gebeurtenissen beklijven, voor altijd een deel van je worden?

Omdat ik geen diploma als verpleegster had, was ik de luierjuffrouw, degene die de vieze klusjes moest verrichten: mensen op po’s zetten, billen wassen, en – inderdaad – eindeloos veel luiers verschonen en katheterzakken vervangen. Poep en pies, dat was mijn afdeling, en ik zag op één dag meer geslachtsdelen dan ik eerder in mijn hele leven had gezien. Bovendien waren ze verrimpeld, uitgezakt, vaak rood, broeierig en jeukend: het was zomer, en ook ouderen – vooral degenen die dagenlang stilliggen – krijgen luieruitslag. Daar waren zalfjes voor, die ik teder met mijn behandschoende vinger op het randje van een eikel smeerde, op flubberige, uitstekende schaamlippen.

Op een avond dachten we dat meneer G. op sterven lag. Hij hallucineerde, was af en toe buiten bewustzijn en ademde zwak. Het kleine mannetje, een bundeltje botten met een beaderd, loshangend vel eromheen, lag in foetushouding op zijn schuimrubberen matrasje, waarvan de klinisch blauwe, plastic hoes aan de randen zichtbaar was. Een gerimpeld, breekbaar handje met knokige vingers lag op het blauw, als een vlezige krab in een tropische zee. Zijn laatste grijze haartjes plakten aan zijn schedel, die glom in het licht van een tl-buis. Het was mijn taak om de andere cliënten in pyama’s te hijsen en – soms met liftjes – uit rolstoelen in bedden te takelen. Maar na ieder ‘Welterusten’ of ‘Slaap lekker’ en het uitknippen van tl-buislicht, rende ik even naar meneer G. om te zien of hij nog ademde.

Meneer G. zei rare dingen, ik geloof iets over dinosaurussen, vliegtuigen, stropdassen die netjes moesten zitten. Met zijn laatste kracht woelde hij heen en weer en trok dekens los, onthulde zo meer klinisch blauw. Ik knipte het licht in zijn kamer niet langer aan, dus waren er slechts het schijnsel dat onder de deur door kwam en de gloed van een lantaarnpaal voor het raam. Toen eindelijk iedereen in pyama was en mijn werk erop zat, nestelde ik me in kleermakerszit op het matrasje naast zijn bed. Dat was daar neergelegd om zijn beweeglijke, soms woest schokkende lichaam op te vangen als het onverhoeds over de rand van het bed zou kukelen. Op eerdere dagen was dat al meermaals gebeurd, al had meneer G. zich daarbij wonderlijkerwijs niet verwond; blijkbaar was hij toch taaier dan zijn verfrommelde lijfje deed vermoeden. Zachtjes begon ik te zingen, een beetje alsof ik naast een wiegje zat, en geleidelijk zag ik het kale mannetje kalmeren, totdat zijn ademende borst het enige was wat nog bewoog.

Na het weekend was meneer G. de eerste die ik in de gangen tegenkwam. Zijn vrouw, zo te zien een stuk jonger dan hij, duwde parmantig zijn rolstoel voort, en uit zijn mond stak het blauwe rietje van een geel Chocomelpakje. ‘Gaat goed!’ vertrouwde ze me in het voorbijgaan toe. Ik heb nog enkele weken op dezelfde afdeling gewerkt. Meneer G. stortte meerdere keren uit bed, smeerde soms zijn bed vol ontlasting, mompel-de over dinosaurussen en stropdassen, dronk liters Chocomel. ‘Zo makkelijk krijg je mij niet dood,’ zeiden zijn waterige oogjes, die plotseling op konden vlammen. Zijn buurman overleed wél, vrij onverwachts, een vermagerde man in een stram Parkinsonlijf. Maar daar heb ik weinig van gemerkt; op een dag was zijn kast gewoon leeg, waren de lakens van het matrasje afgehaald, waarvan het klinische blauw genadeloos in het tl-licht lag te glimmen.

Lente in Leuven

Geen lente is meer hetzelfde sinds de lente die ik beleefde in Leuven. Meerdere keren per week maakte ik daar met een Nederlandse medestudent een lange wandeling door de bossen van Heverlee of de tuinen van Abdij van Park. De bomen bloesemden enkele weken vroeger dan in Nederland, en tussen hem en mij begon er een even lenteachtige, maar onuitgesproken sensualiteit te broeien. Omdat we juist een vak over de belangrijkste mystieke schrijvers uit de katholieke traditie volgden aan de universiteit, waren we geneigd het ontluikende landschap als een godsbewijs te zien, en de zich geleidelijk ontvouwende trosjes beuken-blaadjes met zachtbehaarde randjes als een wonder, die we eindeloos streelden met onze tedere vingertop-pen. De gouden gloed van de avondzon, de mannelijke kracht van gespierde, eeuwenoude beukenstammen, het gemekker van een pasgeboren geitje – alles bracht ons in vervoering. En als een soort Adam en Eva hadden we genoeg aan wat er was, aan een trosje druiven en een zelfgemaakte salade in een plastic bakje, aan een bankje en een boek waaruit we elkaar de meest lyrische passages voorlazen, onderbroken door gegiechel om een lieveheersbeestje dat te midden van de letters landde, en zich kriebelend een weggetje baande over onze uitgestoken vingers, tussen de blonde haartjes op onze nog witte winterarmen. Kortom, we leefden de eenvoud van een leven met open zintuigen, weer net zo wijdopen als die van jonge kinderen, die voor het eerst een rups zien, een wurm, een regenboog, en alles is niets minder dan magie.

Maar geen enkele idylle is eeuwigdurend, ook deze niet: de bloesems werden bruin en vielen af; onze sensualiteit begon méér te eisen dan alleen ruik- en streelsessies van blaadjes en bloempjes, wat onze ongecompliceerde vriendschap helaas in een troebeler vaarwater bracht. En dat alles werd aangekondigd door een dode merel die ik vlak voor de komst van de zomer in de berm aantrof, donkerbruin en nog warm, alsof ze zojuist pas was gestorven. Dat afkoelende stijve lijfje in mijn hand, die gesloten oogjes, die ik met mijn vinger even open duwde, die weerloze geklauwde voetjes en dat slappe, bungelende nekje fascineerden me bijzonder, alsof ik nú pas, sinds mijn bewuste ontdekking van de geboortelijkheid van de natuur, kon begrijpen wat doodgaan was: stilvallen, stijf worden en afkoelen, een even natuurlijk en fysisch proces als het begin. Ik voelde de neiging een eerbiedig gebedje uit te spreken voor mijn merel, geen idee of ik dat ook daadwerkelijk deed, en legde haar tussen de wortels van een beuk die even groot en sterk was en onsterfe-lijk leek als mijn merel klein was, kwetsbaar en gestorven. Tijdens alle volgende wandelingen was die doodsboom een imposante memento mori, hoewel de dode merel een dag later al verdwenen was.

Ieder volgend voorjaar probeerde ik hunkerend terug te keren naar de betovering van toen, en opnieuw ontroerd te raken door de aanblik van trosjes glanzende, pasgeboren beukenblaadjes met harige randjes, pronkende bloesems, wankelende lammetjes. Gisteren bijvoorbeeld, toen ik zo’n bladertrosje plukte en de nog half dichtgevouwen, doorschijnende blaadjes als een soort accordeon of waaier begon uit te vouwen, voorzichtig, om de sappige velletjes niet te scheuren. ‘Kijk dan toch, kijk dan toch!’ riep ik op kinderlijke toon tegen mijn nieuwe lief, in de hoop ook hem in een kinderlijke stemming te brengen, die waarin rode besjes en paardenbloemen ineens oneindig fascinerend zijn. Maar hij grinnikte slechts, zodat het pijnlijk tot me doordrong hoe geveinsd en onecht mijn kinderlijkheid eigenlijk was; dat ik niet écht door de blaadjes was geraakt, tenminste, niet zoals in Leuven, maar dat ik het vooral graag wilde: zijn zoals een kind, zoals toen, op ons bankje met druiventrosjes, lieveheersbeestjes en naïeve idealen.

Om de lente écht te beleven moet je zelf de lente zijn, maar dat word je nu eenmaal niet op eigen kracht.