“Welbeschouwd hebben zij hun eigen laag, tussen die van ons en die van onze – laten we zeggen – goden”, schrijft Eva Baltasar in Permafrost. “Een bewoonbare leegte tussen de hoogste lijnen van de notenbalk.”
Wagen ze zich tóch even in ons mensendomein, laag bij de grond, dan werkt onze aanwezigheid als een afstotende magneet. Je kunt het een natuurwet noemen: zodra mijn lompe mensenlichaam te dichtbij wil komen, katapulteert hun gewichtloze verenlijfje als vanzelf de hemel in.
Pimpelmeesjes
Maar deze zomer leek het wel alsof die wet, die een gepaste afstand tussen mens en vogel voorschrijft, scheurtjes begon te vertonen. Eerst subtiel: een pimpelmeeskoppel had zijn intrek genomen in een spleetje in de muur naast het dakterras van mijn vriend. Je zag de beestjes aarzelen: ze wilden niets liever dan afstand bewaren, maar waren ook in de ban van het hysterische, dwingende gekwetter van hun kroost. En na langdurig loeren maakten ze ineens een woeste duikvlucht, vlak over onze hoofden heen, waarna we als laatste hun blauwe staartje in de spleet zagen verdwijnen. Juist omdat we wisten dat ze zich normaal nooit zo dichtbij twee reusachtige wezens als wij zouden wagen, voelde hun nabijheid magisch.
Kraaien
Minder magisch was het volgende incident waarbij de vogelwereld mijn mensenbestaan infiltreerde. Nietsvermoedend fietste ik naar de kunstacademie van Arnhem, aan de oever van de Rijn, toen er ineens een stel klauwende poten naar mijn hoofd graaide: een kraai belaagde me vanachter en klapwiekte krijsend om me heen, enorm omdat ze zo dichtbij was, pijnlijk omdat haar klauwen scherpe nagels hadden, die over mijn hoofdhuid krasten en door mijn haren woelden. Volgens de wet van afstoting was ik, mensenmonster, haar kwetsbare kraaiennest te dicht genaderd. En hoewel het moederdier met haar aanval vrijwillig voor een nóg grotere nabijheid koos, deed ze dat natuurlijk om een gepaste afstand te herstellen.
Zwartkopje
Ook het jonge zwartkopje dat ik vorige week midden op straat aantrof, deed een poging tot afstand toen ik van mijn fiets afstapte en mijn handen als een kommetje om zijn lijfje wilde vouwen. Onhandig hobbelde hij met zijn klauwvoetjes weg over het asfalt, maar niet snel genoeg om te ontkomen. Ik dacht dat hij uit zijn nest gevallen was, of gewond, omdat hij wel volgroeid leek maar niet kon vliegen. Dus drukte ik het spartelende bolletje met één hand tegen mijn hart en haastte ik me, met de fiets aan mijn andere hand, naar huis, waar ik meteen de Dierenbescherming belde.
De telefoniste behandelde mij echter niet als de redder die ik dacht te zijn. Ik had de loop van de natuur verstoord, zei ze streng, en moest het beestje onmiddellijk terugzetten waar ik hem gevonden had. Blijkbaar is het normaal dat jonge vogels het nest al verlaten voordat ze kunnen vliegen, en worden ze op de grond nog een tijdje door hun ouders verder gevoerd. Opnieuw bleek de afstand tussen mens en vogel heilig, hoezeer een weerloos vogeljong mijn handen ook deed jeuken.

Merel
Ik kreeg een herkansing toen er twee dagen later ineens een bol, bruin babymereltje opdook in mijn schrale, betegelde achtertuin. Roerloos zat hij in een hoekje op de grond, met zijn buitenproportioneel brede snavel smekend in de lucht gestoken. Weer voelde ik in mijn handen die innige, gloeiende drang om het beestje op te pakken, te aaien en naar binnen te brengen, maar ik wist mezelf gelukkig te bedwingen. En toen ik me nederig terugtrok uit de kraamkamer die mijn tuin geworden was, zag ik door het raam dat de ijverige ouders – die met volle snavels af en aan vlogen – de zaak inderdaad onder controle hadden. Mijn enige taak was om de rust niet te verstoren, en de buren te instrueren hun katten binnen te houden: de afstand tussen vogel en kat is uiteraard nóg heiliger.

Buizerd
Toen mijn geliefde me gisteren vertelde dat hij een dode roofvogel in de berm had zien liggen op landgoed Mariëndaal, moest ik daar onmiddellijk naartoe. Nu de geheime vogelwereld eenmaal voor me op een kier was gegaan, wilde ik er geen facet van missen. Het voelde als een wonderlijke paradox: zo’n dodelijke vogel met snijdende snavel die nu zélf was afgesneden van het leven. Volgens de ene voorbijganger was het een havik, volgens de volgende een buizerd, en omdat die tweede het meest zelfverzekerd overkwam, geloofde ik hem op zijn woord.
Een halfuur zat ik gehurkt naast het imposante karkas, dat zo stonk en vol vliegen zat dat ik hem niet met mijn vinger durfde aan te raken. Dus streelde ik hem met mijn camera, waarbij ik een plukje graszaad voor de lens hield om dromerige vlekjes op het beeld te krijgen, alsof elfjes of vuurvliegjes het macabere tafereel doorkruisten. Hoewel deze buizerd er eigenlijk niet meer was, voelde onze ontmoeting in die berm intiem: hoe ik met mijn hand de vliegen van zijn verenpak verjoeg en dorre bladeren van zijn snavel veegde, die geopend in het gras lag alsof hij een laatste, stille kreet slaakte, waarvan ik de enige getuige was.
Even bestond de wet van gepaste afstand tussen mens en vogel niet meer.







