Mascara, menstruatie en mystiek

Als zestienjarige ontdekte ik de indringende portretfotografie van Rineke Dijkstra tijdens een overzichts- tentoonstelling in het Stedelijk Museum. Eindeloos vergaapte ik me aan haar kwetsbare puberjongens en -meisjes in badpak, de kersverse, nog nabloedende moeders met verfrommelde menshoopjes in hun armen en de geleidelijk verhardende blik in de ogen van opgroeiende Franse en Israëlische soldaten, die Dijkstra heeft vastgelegd met tussenpozen van enkele maanden of jaren.

In haar foto’s van tieners, worstelend om hun kwetsbaarheid te verhullen en een pseudo-volwassen dosis sexappeal of stoerheid aan de dag te leggen, herkende ik mijn klasgenoten, waaronder de jongen die me graag voor schut zette om de klas aan het lachen te maken, en de vroegrijpe meiden die samenzweerderig rondhingen bij de toiletten met etuitjes vol lippenstift, foundation en mascara. Ook zag ik mijn eigen onvermogen me een houding te geven, mijn afschuw van de blik van anderen en mijn angst voor camera’s weerspiegeld in sommige van Dijkstra’s modellen. Ze durven eigenlijk niet op de foto te gaan, stralen ze uit, maar blijkbaar heeft de fotografe hen zover gekregen om tóch mee te werken, zodat ze hun ongemakkelijke, prille schoonheid bloot kon leggen en tot archetypische proporties verheffen.

Een van haar bekendste portretten, een slungelig Pools pubermeisje in een groen badpak op het strand, doet met haar ingetogen pose en golvende haren in de verte aan de sierlijke Venus van Botticelli denken. De jonge Poolse heeft tot aan haar heupen door het zeewater gewaad, zodat haar badpak bij de schaamstreek vochtig is. Ze heeft de leeftijd van beginnende menstruatie, en er wordt wel beweerd dat Dijkstra’s portret verwijst naar de vrouwelijke vruchtbaarheid – ook daarin zou een overeenkomst tussen het pubermeisje en Venus bestaan, in de klassieke Oudheid het symbool van lust en vruchtbaarheid.

Gisteren bezocht ik, meer dan tien jaar na mijn eerste kennismaking, opnieuw een tentoonstelling van Rineke Dijkstra in het Stedelijk Museum, dit keer van bescheiden omvang. Behalve zo’n twintig grote foto’s wordt er een vijftal video’s getoond, die alle een aspect van jong-zijn en volwassen-worden belichten. Het meest sympathiek vond ik twee video’s waarin Britse basisscholieren, gekleed in een keurig schooluniform, zich wijden aan hun opdracht om Picasso’s Weeping Woman in de Tate Modern te analyseren. Volkomen ongegeneerd opperen de kinderen om beurten redenen waarom de vrouw zo verdrietig zou zijn. Is er een dierbare of een huisdier gestorven, wil haar beste vriend niet meer met haar omgaan, is ze eenzaam, vindt ze het leven gewoon niet meer leuk? Of huilt ze misschien wel uit blijdschap? Er lijkt geen sprake te zijn van onderling oordelen tussen deze scholieren; oprecht gaat hun aandacht naar het gezamenlijke studieobject uit, Picasso’s hoekige, excentrieke schilderij.

De volgende opdracht bestaat erin de Picasso na te tekenen. Dijkstra registreert daarbij de concentratie van een mollig, roodharig meisje, wier blik zonder ophouden tussen het schilderij en de lijnen in haar schriftje heen en weer beweegt. Ze is zich er niet van bewust zélf het middelpunt van een kunstwerk te vormen, en precies die kinderlijke onbevangenheid roept sympathie bij de kijker op. Het meisje en haar klasgenoten laten een glimp zien van de mens als onderzoeker en als kameraad, nieuwsgierig en integer.

Een groot contrast daarmee vormen de opnames in een discotheek in Zaandam en Liverpool in de jaren ’90. Die tonen het rijk van veertien-, vijftien- en -zestienjarigen, waarin niet langer de eigen nieuwsgierige blik, maar de dreigende blik van de ander regeert. Onderworpen aan een tirannieke aanpassingsdwang wringen de gefilmde jongeren zich in allerlei bochten om bij hun leeftijdgenoten in de smaak te vallen, om stoer of sexy gevonden te worden.

Een schriele, bijna meisjesachtig verfijnde jongen staat met verbeten blik, vurige wangen en verkrampte kaken te ‘hakken en zagen’, zijn ellebogen en vuisten beukend in de lucht. Een stevig gabbermeisje met kaalgeschoren slapen verschrikt me door de sadistische hardheid in haar gezicht en doet me, ondanks haar jeugdige leeftijd, een beetje aan een nazikampbeul denken. Tevens roept ze herinneringen aan de Lonsdale-jongeren uit mijn eigen middelbare schooltijd in me op, de agressie waarmee zij op volwassenen, losers, nerds en allochtonen scholden.

Er verschijnen uitzonderlijk sletterig geklede meisjes in beeld, soms met onschuldige kindergezichtjes nog, die hun blote heupen en buik zo verleidelijk mogelijk laten schudden en draaien, ondertussen lurkend aan een sigaret. Onder hen bevindt zich een popachtig kindvrouwtje met donkerbruin haar, hooguit vijftien schat ik haar, wier donkere ogen – ondanks haar zelfbewuste oogopslag – een grondeloze onzekerheid verraden.

Ook krijgen we een slungelige knul in een te wijde blouse en zijn wulpse vriendinnetje te zien, verwikkeld in een innige omstrengeling. Onhandig laat zij haar armen over zijn borst en schouders glijden, terwijl hij haar heupen betast, het blanke vetrolletje dat onder haar naveltruitje uitblubbert. Hun zoenen ziet er behoorlijk oncomfortabel uit, heeft iets van happen of smakken weg, en door de kronkelige bewegingen die ze erbij maken verliest voortdurend één van hen z’n evenwicht, en moet dan een wankel stapje opzij doen om niet om te vallen. Hier lijkt niet zozeer sprake te zijn van lust, maar van de drang iets uit te proberen, ergens bij te horen, een ingewijde in de wereld der volwassenen te zijn.

Te midden van de onbevangen schoolkinderen en experimenterende tieners nemen Dijkstra’s portretten in de Berlijnse Tiergarten een bijzondere plaats in. De foto’s ademen een dromerige sfeer, en laten een fragiel – bijna mystiek – moment van ontwaken zien. De jongen en de twee meisjes drukken met hun houding en gezicht een toestand van verhevigde alertheid uit, overweldigd als ze zijn door iets buiten het kader van de foto, een wild dier misschien, een olifant of leeuw of tijger – dat is niet zo belangrijk. Het gaat erom hoe ze daar staan, alléén, als aan de grond genageld, en zichtbaar maken wat het betekent op jezelf teruggeworpen te zijn; om zélf, hoe wankel ook, de wereld tegemoet te treden. De door het bladerdek gefilterde zon werpt kringen van licht rondom hen op de grond, die bijdragen aan de magie van het gesuggereerde ogenblik.

Eenzelfde magische alertheid zie je in de foto’s van zojuist bevallen vrouwen, die ook op de tentoonstelling vertegenwoordigd zijn. Hun naakte lichamen drukken een onoverwinnelijke levenskracht uit, waardoor ook de vrouwen zèlf verrast en overweldigd zijn, getuige hun verdwaasde blikken. Baren ligt in de sfeer van bloed en geweld; het gaat gepaard met een dreiging die groter is dan de puberale angst niet populair te zijn of buitengesloten te worden. Deze vrouwen hebben zojuist de dood in de ogen gezien; ze hebben immers – met gevaar voor eigen leven – de doorgang naar het leven mogelijk gemaakt voor een nieuw, nog onbekend menselijk wezen. Hun gezichtsuitdrukking is daarom oneindig veel dieper en veelzeggender dan de holle blikken van de angstige, verleidelijk opgedofte jonge meisjes. Leven is melk, is gedragen worden en in je armen klemmen – stoer of sexy willen zijn ligt dan ver voorbij je horizon, in een nog onvoorstelbare toekomst of een op dit moment irrelevant, niet meer herinnerbaar verleden.

Het is interessant dat de moederportretten een plaats innemen op een tentoonstelling die grotendeels aan de identiteitsstrijd van opgroeiende jongeren is gewijd. Op die manier krijgen we verschillende cruciale, transformerende fasen in een mensenleven te zien, verschillende vormen van schoonheid en strijd – en geen mens die aan ook maar één van deze vormen kan ontkomen, omdat we allemaal groepsdieren zijn, aan de blik van de ander onderworpen, en borelingen bovendien, die bebloed uit de vagina van onze moeders tevoorschijn zijn gekomen, hartstochtelijk happend naar lucht, worstelend om te overleven.

T/m 6 augustus 2017 is er in het Stedelijk Museum Amsterdam een tentoonstelling met foto’s en video’s van Rineke Dijkstra. Klik hier voor meer informatie.

Vrouwelijke seksualiteit

In twee opzichten is de Zweedse fotografe Lina Scheynius helemaal van deze tijd. Allereerst omdat ze selfies maakt, vooral van individuele lichaamsdelen: haar handen, armen, benen, billen en geslacht. En ten tweede omdat haar fotografie past binnen de hedendaagse zoektocht naar een beeldtaal voor de vrouwelijke erotiek. Eeuwenlang zijn vrouwen weliswaar naakt en in aantrekkelijke poses afgebeeld, maar daarmee werd vooral beoogd de mannelijke kijker te behagen. Veel hedendaagse vrouwelijke kunstenaars zoeken daarentegen naar een manier om de innerlijk beleefde seksuele gevoelens van vrouwen aanschouwelijk te maken, om vrouwen te sterken in het besef dat die gevoelens legitiem zijn, mooi zijn, en het onderzoeken waard. Omdat de vrouwelijke seksualiteit eeuwenlang genegeerd is, terwijl de (meer zichtbare) seksualiteit van de man centraal werd gesteld, leeft iets van de hieronder verwoorde ontkenning binnen onze cultuur nog steeds voort:

We are not told of the existence of the clitoris. The existence of the clitoris is denied to us. We feel but we have no name for what is feeling in us. We say nothing of this feeling. The denial of this feeling is not called a lie. We are told that this feeling in us is excessive. We are told that excessive feeling is a sign of illness. We bury even the memories of this feeling. We give it no name. We keep it secret from ourselves. We do not know we keep secrets. We forget how much we deny. We say we despise learning. We say we despise knowledge. We could not tell you what it would be: to touch truth, to cut away lies.

Susan Griffin, de auteur van bovenstaande passage, stelt dat ‘constantly telling lies in one way or another undermines a life and a soul’. Omdat zovele generaties vrouwen een zo vitaal deel van hun bestaan hebben onderdrukt, ontkend en genegeerd, zijn creativiteit en waarheidszin in het vrouwelijke deel van de mens- heid minder sterk tot ontwikkeling gekomen dan in het mannelijke. Griffin benadrukt dat de eenzijdigheid die daardoor in de westerse cultuur is ontstaan, door nieuwe generaties vrouwen moet worden gecom- penseerd. Veel hedendaagse feministen, zoals Sunny Bergman in haar documentaire Sletvrees, proberen voor vrouwen dezelfde vrijheden te bevechten die ook voor mannen gelden, bijvoorbeeld om ongeremd seksuele contacten aan te gaan zonder het label slet te hoeven vrezen.

Andere feministen wijzen er echter op dat vrouwelijke seksualiteit dan geheel in termen van mannelijke seksualiteit wordt begrepen. Maar zijn er geen verschillen tussen het mannelijke en het vrouwelijke seksuele beleven? Is het niet zo dat seksualiteit voor vrouwen minder in de sfeer van het presteren ligt? Zijn termen als teerheid, ontvankelijkheid, mystieke geladenheid, zich openen, overvloeien en vruchtbaarheid niet geschikter?

De foto’s van Lina Scheynius tonen een lichamelijke, van erotiek doortrokken vrouwelijke wijze van in-de-wereld-zijn, van verwantschap met de natuur en zorg voor het kwetsbare naakte lichaam. Een erotische taal vol suggestie en bijna-aanraking. Vloeien als water, bloeien als bloemen. Een siddering van licht.

De ontdekking van kunst

Een aanloop naar mijn liefde voor kunst vormde mijn liefde voor elfen. Die magische wezens kende ik uit de boeken en verfilmingen van The Lord of the Rings, waarin ze verpersoonlijkingen zijn van het spirituele, beschouwende leven. In diezelfde periode ontdekte ik de aquarellen van de Amerikaanse kunstenares Amy Brown, waar traditionele elfjes met wapperende jurken en felgekleurde vleugels behalve spiritualiteit ook een vleugje erotiek belichamen. Spiritualiteit en erotiek waren allebei domeinen waar ik als tiener bepaald niet in thuis was, maar die me bijzonder fascineerden, die verre horizonten vormden waarover ik kon dromen en speculeren. In de kunst van John William Waterhouse en Dante Gabriel Rossetti, vertegenwoor- digers van de Engelse prerafaëlieten, trokken diezelfde elementen me aan. Na een uitgebreide tentoonstel- ling van Rossetti in het Van Gogh Museum bestempelde ik mezelf als kunstliefhebster en nam ik me voor zoveel mogelijk kunstenaars te gaan zoeken die aan mijn gevoelens van verlangen en mysterie appeleerden.

Samen wisten mijn kunstminnende zus en ik onze ouders ertoe te bewegen met ons op Romereis te gaan. Onderweg in de auto bestudeerde ik mijn gloednieuwe overzichtsboek van de westerse kunstgeschiedenis, waarin ik kon zien dat de mooiste schilderijen van Sandro Botticelli in de Galleria degli Uffizi in Florence te bezichtigen waren. Toen ik daarom op de borden boven de snelweg ‘Florence’ zag staan, begon ik zo opgewonden te roepen en smeken dat mijn ouders toegaven en de afslag namen naar Florence, waar we enkele uren hadden om Botticelli’s Geboorte van Venus, Titiaans Venus van Urbino en Leonardo da Vinci’s Annunciatie te bewonderen. In die uren vonden mijn eerste echte confrontaties met Kunst plaats. Ik was me daar volkomen van bewust, en van enthousiasme, gelukzaligheid en spanning barstte ik bijna uit elkaar. Rondom me hingen honderden doeken uit verre tijden, waarin mythologie en magie aan de orde van de dag waren en beeldschone mannen en vrouwen de wereld leken te bevolken. Ik dronk de gouden haren van Botticelli’s rijzige, ingetogen Venus in, evenals de romig blanke rondingen van de Venus van Titiaan, de combinatie van haar zacht verlichte lichaam met het diepe rood van haar lippen en de rozen in haar hand. Van alle harmonie die ik vermoedde in de wereld van de Renaissance raakte ik volkomen in vervoering, van de aureolen rondom de hoofden en de plechtige gebaren waarmee engelen hun zegen gaven aan ernstige, ‘onbevlekte’ Madonna’s.

Eenmaal thuis begon ik fanatiek kunstboeken te verzamelen, vooral in de goedkope uitgaven van Taschen. Botticelli, Michelangelo, Vermeer, Matisse, Klimt, Schiele en de impressionisten vertelden me met hun kleurige doeken iets over het leven wat op school of in de saaie Nederlandstalige boeken die ik voor mijn literatuurlijst moest lezen zelden aan de orde kwam. Van belofte verhaalden ze, van bedoeling, vervoering, vervreemding en verlangen. Meerdere keren reisde ik in mijn eentje naar het Mauritshuis om het Meisje met de parel van Vermeer in de ogen te kunnen kijken. Haar puurheid van blik, daar wilde ik dichtbij zijn, daar wilde ik in opgenomen worden. Zo parelachtig verstild moest het leven zijn en tegelijk zo innig. Ik dwaalde middagen lang door Delft, de woonplaats van Vermeer, en leerde de sobere schoonheid van oud-Hollandse huizen en kerken te waarderen. In het Veluwse Kröller-Müller Museum oefende Van Gogh me erin mijn emoties in de natuur te herkennen, en in het indrukwekkende park rondom het museum probeerde ik mijn nieuwe blik onmiddellijk uit, zag ik de woeligheid van mijn innerlijk weerspiegeld in het kronkelen van bomen, het glooien van het landschap en het wuiven van het gras. Giacometti leerde me de eenzaamheid van het mens-zijn te onderkennen, het rijzige de-lucht-in-steken als een pilaar en het altijd op-jezelf-teruggeworpen-zijn, wie dat ‘zelf’ ook moge zijn, hoe ijl en substantieloos ook. Grote levensgevoelens zag ik weerspiegeld in kunst, nog vóórdat ik ze onder woorden kon brengen, nog voordat ik ze bij mezelf had onderzocht. Graag staarde ik een halfuur of langer naar eenzelfde beeldhouwwerk of schilderij, in de hoop het mysterie dat de kunstenaar daarin gelegd had te ontrafelen en voor mezelf iets duidelijker, iets welomlijnder te worden.

Bijna was ik kunstgeschiedenis gaan studeren, maar op het laatste moment werd het filosofie, omdat ik de vermoedens die kunst in me oproept met woorden aan wil raken; ik ben een verbaal ingesteld iemand. Bovendien kan de technische kant van kunst – hoe het gemaakt is en onder welke politieke en economische omstandigheden – me weinig schelen. Maar nog altijd laat kunst me zien dat de werkelijkheid mysterieuzer is dan mijn gedachten kunnen bevatten; kunst blijft een motor die mijn levensbeschouwelijke zoektocht aanvuurt, gaande houdt. Kunst betovert en verleidt me, wijst me gevoelens en wijzen van mens-zijn die ik nader wil verkennen. Het laat me zien hoe onpeilbaar diep mensen zijn, hoe gulzig maar toch ook onschul- dig, hoe waardig maar soms ook afstotelijk, hoe sterk en kwetsbaar tegelijk. Op dit moment houd ik vooral van Goya en Rembrandt; hun portretten laten échte mensen zien, geïsoleerd tegen een ongedefinieerde, tijdloze achtergrond. In hoeverre heeft het leven deze menselijke wezens aangetast? Welk weten spreekt er uit hun ogen? Hoeveel liefde drukt hun houding uit, hoeveel berusting, overgave, angst? Is er binnenin hen iets onaangetast gebleven, ondanks alles, en waaraan zie je dat?