
Het bospad was bezaaid met miniatuurkikkertjes, en ik wist bijna zeker dat ik er tijdens het lopen enkele moest hebben vertrapt. ‘Genadeloos’ was een woord dat in me opkwam, en als ik dan toch zo genadeloos bezig was, kon ik toch net zo goed een paar van die kleintjes meenemen naar huis? Voordat een andere wandelaar ze zou vermorzelen onder zijn schoenen, of een reiger ze op zou prikken met zijn snavel.
Al mijmerend kwam ik tot de overtuiging dat ik juist een goede daad verrichtte, zoals ik daar door het bos wandelde met die vier kikkertjes in het waterflesje in mijn hand. De beestjes krioelden hysterisch in het rond, maakten woeste zwembewegingen, duikelden over elkaar heen en konden ineens minutenlang bewegingloos in het water blijven drijven of naar de bodem zinken, waarbij ik me afvroeg of ze aan een hartaanval bezweken waren. Tot ze plotseling weer gretig boven kwamen peddelen, en ik gerustgesteld was.
Thuis stopte ik het viertal in een pan met glazen deksel, een klein laagje water op de bodem. Ik moet een aquarium kopen, of tenminste een emmer, dacht ik terwijl ik op de fiets sprong en naar de dichtstbijzijnde dierenwinkel snelde. Toen ik thuiskwam met een grote doorschijnende plastic bak, zaten er nog maar drie kikkertjes in de pan. Zouden ze de vierde opgegeten hebben? Pas enkele uren later hopte nummer vier te voorschijn, ergens vanuit een hoekje in de kamer. Hij moet zich door het kleine tuitje om af te gieten heen hebben gemanoeuvreerd.
In de dagen die volgden hing ik voortdurend met mijn hoofd boven de plastic bak, die ik rijk had gevuld met stenen, takken, gedroogde bladeren, stukjes komkommer, blaadjes sla, vissenvoer en een scheutje slootwater vol kroos. De diertjes leken niets te eten en verschansden zich bewegingloos onder de blaadjes. Hooguit strekte elke halve minuut één van hen een ledemaat; zich voortbewegen duurde zo een eeuwigheid. Misschien waren ze verstijfd van angst, maar zo interpreteerde ik het niet: omdat ik zelf volkomen betoverd was door de lieflijke kleinheid van mijn nieuwe kameraadjes, kon ik me nauwelijks voorstellen dat zij niet even enthousiast als ik waren over hun gevangenschap in het miniatuuroerwoud dat ik voor ze had gescha-pen. Ja, ik kon me verkneukelen over de vele schuilplekjes, drijvende eilandjes en paadjes die ze konden kiezen en bewandelen, en doorliep die gretig met mijn ogen, alsof ik een avontuurlijke boswandeling maakte.

Vrienden konden ieder dagdeel rekenen op een filmpje waarin je mijn kikkertjes, die ik soms wreed verjaagde uit hun schuilplaats tussen de gedroogde bladeren, paniekerig rond zag spetteren achter de wanden van de bak. Als ik gekookt had, nuttigde ik mijn maaltijd met uitzicht op het kikkeruniversum. ‘We zitten sla te eten’, antwoordde ik toen mijn geliefde vanaf zijn vakantielocatie vroeg waar ik op dat moment mee bezig was. Een foto van mijn bord vol sla tegen de achtergrond van het aquarium, waarin eveneens de nodige slablaadjes ronddreven, sommige met een kikker erop, fungeerde als bewijs.
Na enkele dagen begon de absurditeit van mijn nieuwe hobby zich aan me op te dringen. Waarom moest ik zo nodig elk halfuur een paar minuten in die bak turen, terwijl daar nauwelijks iets bewoog? En waarom die honderden foto’s in mijn telefoon, van een kikker bovenop een uitstekende tak, een kikker die zwemt, een kikker die een vergeefse ontsnappingspoging doet door de wanden van de bak te beklimmen, zijn vingertjes en teentjes tegen het plastic geplakt? Waarom was ik zo verliefd op die onooglijke mormeltjes, een soort vissen met pootjes of insecten met zwemvliezen, die toch niet bepaald knuffelbaar waren?
Ik geloof dat ik iets menselijks ontwaarde in hun lichaamsbouw. Hun kikkervingertjes en -teentjes waren zo verfijnd en lang dat ze behoorlijk op mensenvingers en -tenen leken. Met die vingertjes konden ze echt iets vasthouden, een takje bijvoorbeeld. Ook hun beentjes waren lang en dun en hadden echte knietjes, zodat ze van die typische kikkersprongen konden maken, maar ook ergens tegenop konden staan, rechtop, waarbij ze me aan rechtop lopende mensen deden denken. Het was, kortom, alsof ik vier miniatuurmensjes in huis had gehaald met een bochel, een buitenproportioneel fors hoofd en de lichaamsgrootte van een foetus van enkele weken. Zou het soms door mijn opspelende moedergevoelens komen, mijn onverwachte fascinatie voor deze mengeling van reptiel en foetus?

Of was het juist hun ónmenselijkheid die me boeide, hun onpeilbare, ver van mijn mensenbewustzijn verwijderde kikkerziel? Zoals alle kikkers hadden ook de mijne ronde, opzichtig aan de bovenkant van hun hoofd uitstulpende ogen, bruin met een grote zwarte pupil, waaruit niets op te maken viel – onleesbare zwartheid. Hun huidje voelde als nat rubber, glad maar ook hier en daar een beetje ruw. Ze wogen bijna niets, al veroorzaakte de val van hun kikkerlijf in het water een kleine rimpeling aan het wateroppervlak. Mijn kikkers waren onmogelijk om te lezen, en in eerste instantie vond ik het verleidelijk om mijn eigen emoties op ze te projecteren: soms waren ze levendig en blij, dan weer verwijtend en droevig. Soms meende ik honger uit hun trillend kloppende hartje af te kunnen lezen, of een verlangen naar vrijheid uit hun grote starende ogen. Totdat ik het opgaf en stopte met projecteren.
En er alleen een onmenselijke stilte overbleef. Een trillend kikkerhart. Een glanzend kikkervel. Zonder enige boodschap. Een naakt leven. In die dagen had ik juist Clarice Lispectors mystieke roman De passie volgens G.H. gelezen, waarin de vrouwelijke hoofdpersoon oog in oog staat met de huiveringwekkende duisternis en anonimiteit van een kakkerlak. ‘De aanraking met dat ding zonder eigenschappen of ken-merken vond ik walgelijk, afstotend was het, dat levende ding dat naam noch smaak noch geur heeft.’ En verderop: ‘Het waken van de kakkerlak was leven dat leefde, mijn eigen waakzame leven dat leefde. […] En ik herkende in de kakkerlak de weeïgheid van de keer dat ik zwanger was geweest.’
Gaandeweg begint ze de stilte van de kakkerlak meer te waarderen. ‘Wat is deze stilte luxueus. Ze zit boor-devol eeuwen. Het is een stilte van een kakkerlak die kijkt. […] Als je de moed hebt om je gevoelens los te laten, ontdek je het ruime leven van een extreem bezette stilte, de stilte die bestaat in de kakkerlak, de stilte die bestaat in de sterren.’