Fulltime werken

Mijn bovenbuurvrouw is een Poolse die al haar wakkere uren aan werken besteedt. Slapen doet ze slechts enkele uren per etmaal, tussen haar afzonderlijke baantjes in: soms van negen uur ’s avonds tot twee uur ’s nachts, soms van middernacht tot vijf uur ’s ochtends. Hoewel ik me erger aan het dichtslaan van deuren op zulke oncourante tijdstippen, bewonder ik haar mateloos. Wat houdt een vrouw op de been die werken met slapen en slapen met werken afwisselt, zodat haar leven niets anders dan overleven is?

Ik weet dat het in vroegere eeuwen voor het merendeel van de mensheid zo was, en dat ook nu in de meeste niet-westerse landen fulltime werken echt full time betekent. Gelegenheid hebben om te lezen, uit te slapen, vrienden te zien of een avondje uit te gaan, dat is helemaal niet vanzelfsprekend. Toch zou ikzelf onmogelijk zonder kunnen, en mijmer ik – als ik ’s nachts wakker lig door gestommel en dichtslaande deuren – over het raadsel: waar haalt iemand de motivatie vandaan om alleen te eten en te slapen om te kunnen werken, en álles, lichaam en geest, in dienst te stellen van oninteressante baantjes, als schoonmaakster of als extra paar handen aan een lopende band?

Mijn bovenbuurvrouw moet meer van haar blonde dochter en haar technisch aangelegde kleinzoon houden dan van zichzelf. Voor hén faciliteert ze een fatsoenlijk leven en een goede opleiding in thuisland Polen, terwijl zijzelf hen alleen rond de feestdagen eventjes bezoekt.

Minimalistische religie

Wat gelooft een postmoderne pelgrim zoal? Het zal niet verbazen dat haar religie wat minimalistisch is, want de (pre)moderne tijd van grote verhalen is voorbij, en bovendien is wie rondtrekt niet in de gelegen- heid om veel overbodige ballast mee te nemen.

Dus blijft er een nogal uitgekleed ‘geloofje’ over, een stille ontroering om onze gehechtheid aan het leven, onze hardnekkige pogingen ons staande te houden en gezond te blijven. Geen religie van overwinningen op onszelf, bekeringen of heiligheid. Geen ‘bestemming’ of ‘alleen maar liefde’ of ‘het moet zo zijn’.

De postmoderne pelgrim lijkt aldus zowel zoetsappigheid als strenge ascese overboord te hebben gegooid. Hoewel: is dolend en rondtrekkend leven niet zélf een soort ascese? Weten dat er geen voor of achter, geen onder of boven meer bestaat, en tóch doorgaan in een toestand van volstrekt niet-weten?

Wat hebben wij gedaan, toen wij deze aarde van haar zon loskoppelden? In welke richting beweegt zij zich nu? In welke richting bewegen wij ons? Weg van alle zonnen? Vallen wij niet aan één stuk door? En wel achterwaarts, zijwaarts, voorwaarts, alle kanten op? Is er nog wel een boven en beneden? (Friedrich Nietzsche, De dolle mens in ‘De vrolijke wetenschap’)

Paul van Tongeren verlangt ernaar ‘dankbaar’ te leven na de dood van God. Zich te bekwamen in de kunst van het ontvangen, ook al weten we niet langer van wie. Het leven op te kunnen vatten als een geschenk zonder schenker. Dankbaarheid als een houding die niet alleen op andere mensen betrokken is, maar ook op het leven an sich.

Er zit echter een verontrustende hardhandigheid in de wijze waarop wij het leven ‘ontvangen’, niet zozeer de vriendelijkheid die voor een geschenk kenmerkend is. We zijn aan het leven onderworpen, er middenin ‘geworpen’, eraan overgeleverd en gekluisterd, zoals allereerst aan ons lichaam, een behuizing die we niet van tevoren behoedzaam bij een makelaar hebben uitgezocht.

Leven is een kwestie van toeval – het valt ons toe met een beangstigende willekeur, zelfs dwang. En toch is het ons dierbaarder dan we zelfs in onze meest intense ogenblikken kunnen bevatten – dat lichaam van ons, dat vermoeiende leven, de grassprietjes en flarden van een blauwe hemel die soms op ons netvlies vallen.

Ik wil leven en ik leef, ook al is dat in strijd met iedere logica. En ook al geloof ik niet in de orde der dingen, toch zijn die kleverige, ontluikende lenteblaadjes mij dierbaar, net zoals de blauwe lucht mij dierbaar is en een enkel mens van wie je een enkele keer, geloof me of niet, oprecht houdt, zonder zelf te weten waarom. […] Daar is je vissoep, eet maar lekker. Het is heerlijke vissoep, dat kunnen ze hier goed. (Fjodor Dostojevski, ‘De broers Karamazov’)

Vaak wordt het leven echter als een last ervaren, veeleer dan als iets dierbaars of ontroerends. Er zijn ontelbaar veel mensen die hardop of stilletjes, onderhuids verzuchten dat het voor hen niet meer hoeft, dat ze er genoeg van hebben. En toch kunnen ook diegenen plotseling herleven na een moment van weldadige rust, na een ‘reanimerende’ omhelzing, een teder gebaar, een liedje van vroeger, hun lievelingssmaak.

Of niet. Maar in het hart van hun verdriet schuilt tóch diezelfde gehechtheid aan het leven, een verlangen naar hoe het had kúnnen zijn; hun verdriet komt voort uit de fantasie van een leven zonder kwetsuren, vermoeidheid, verveling, honger, eenzaamheid. Al dat verdriet kun je je voorstellen als onderdeel van een kosmische ‘verdrietssymfonie’, een nauwelijks hoorbaar, fluisterend kreunen van al die mensen en dieren die zonder uitzicht of ‘waarom’ het lastkarakter van het leven dragen.

Wanneer ik mij nergens meer toe in staat voel, als ik niet meer op mijn benen kan blijven staan en van die steken in mijn zij krijg, kruip ik weg in een hoek, heel alleen, en – u zult erom lachen – in plaats van mij dan prettige dingen voor de geest te halen, waar je van opvrolijkt, zit ik te denken aan al die mensen die ik niet ken en die op mij lijken – en dat zijn er heel wat, de aarde is groot! – de bedelaars die in de regen langs de straten slenteren, de weggelopen kinderen, de zieken, de gekken in het gekkenhuis die naar de maan blaffen, en nog zoveel, zoveel anderen!

Ik kruip daartussen, probeer mij heel klein te maken, en niet alleen met de levende mensen, weet u: ook met de doden, de mensen die hebben geleden, en de mensen die nog moeten komen en zullen lijden net als wij… Waarom? Waarom lijden? vragen ze allemaal… ’t Is alsof ik het met die mensen vraag, ik meen dat te horen, ’t doet mij zo aan als een eindeloos gezoem dat mij in slaap wiegt. In zulke ogenblikken zou ik mijn plaats niet willen ruilen voor die van een miljonair, ik voel mij gelukkig. (Georges Bernanos, ‘Dagboek van een dorpspastoor’)

Misschien is de minimalistische religie van een postmoderne pelgrim in essentie een gevoelsverruiming. Emoties zijn ons geestelijke levenssap. Zodra je tranen vloeien, wordt je betrokkenheid op het leven – en vooral: je gehechtheid eraan – weer doorvoelbaar, net als je verbondenheid met al die andere anonieme wezens die in eenzelfde toestand van ‘geworpenheid zonder waarom’ bestaan.

Gedetermineerd


Gekluisterd aan de materie – Beelden van Auguste Rodin (1840-1917)

Ik weet dat het niet populair is om jezelf zo te noemen, maar ik denk dat ik een determinist ben. Ik geloof namelijk dat heel veel in ons leven al is vastgelegd. Je komt ter wereld in een gezinnetje dat op een bepaalde manier draait, een cultuur die ons leert op een bepaalde manier te denken, een maatschappelijk systeem dat bepaalde eisen stelt en verwachtingen heeft en kansen biedt. Een lichaam met een bepaalde vorm en een bepaald uithoudings- en incasseringsvermogen, die je slechts in beperkte mate op kunt rekken, manipuleren. Een geest die van nature bepaalde neigingen heeft, om drukte of juist rust op te zoeken, meer prikkels of juist meer tijd om opgedane indrukken te verteren. Een verlangen naar conformisme of juist een onderzoekingsdrang, of beide, en dan de strijd tussen die twee. Een emotionele huishouding die een beetje is aangeboren en een beetje gevormd door de omstandigheden waaronder je bent opgegroeid – huil je veel, neig je tot woede, ben je vaak uitgelaten of juist tamelijk beheerst?

Al die gegevenheden determineren ons, bepalen ons. Je kunt wel een bepaalde kant uit willen met je leven, maar daarbij heb je rekening te houden met al het bestaande, het vast-staande, met je beperkingen en mogelijkheden, je neigingen en angsten. Dan kun je heel verbeten besluiten om aan jezelf te werken, onder het motto: ik ben een vrij mens, ik moet mezelf overstijgen, optimaliseren. Of je kunt bescheiden zijn: dit ben ik. Mijn vrijheid is maar heel beperkt, hooguit een speelruimte, waarin ik de gegevenheden van mijn leven – met vallen en opstaan – op het spoor moet zien te komen en ze respecteren, opdat ik misschien ooit elegant met ze kan dansen.

Radicaal gemeenschappelijk

Er schijnen Afrikaanse talen te bestaan waarin er geen eerste persoon enkelvoud (ik, mij, mijn) is, zodat het spreken over jezelf altijd plaatsvindt in termen van ‘ons’ en ‘wij’. Je bent dan een verlengstuk van je familie of clan, en iedere vorm van bezit is gedeeld. Winst maken schijnt in zo’n wij-cultuur lastig te zijn, omdat een goed verdienende ondernemer verplicht is zijn opbrengsten te steken in het lenigen van de noden en het aflossen van de schulden van zijn minder succesvolle naasten. De positieve keerzijde daarvan is dat een gemeenschap als geheel een uiterst krachtig organisme vormt, waarvan de zwakte van de één door de sterkte van de ander wordt gecompenseerd, zonder dat men zichzelf expliciet als sterker of zwakker, beter of minder dan de ander ervaart: je maakt immers tezamen deel uit van hetzelfde ‘wij’, en de kracht van de ander is je eigen kracht, en de pech van de één is de pech van iedereen, die gezamenlijk wordt opgevangen. Rancune van de zwakkeren jegens de sterken, zoals je hier in het Westen vaak vindt, en minachting van de sterkeren jegens de zwakken, zouden in zo’n wij-cultuur niet of in mindere mate aan de orde zijn.

Toen twee Afrikaanse uitwisselingsstudenten, ik ben vergeten uit welk land, me dit verschil tussen de ik- en de wij-cultuur hadden uitgelegd, realiseerde ik me al snel dat het voor mij onmogelijk zou zijn om in zo’n wereld van radicale gemeenschappelijkheid te leven. Het betekent namelijk ook dat privacy vrijwel afwezig is, en dat het verlangen om alleen te zijn, afwijkende interesses te hebben en eigen beslissingen te nemen als een ernstigere vorm van ziekte zou worden gezien dan een verstandelijke handicap of een geamputeerd been. Een dergelijk verlangen is in zo’n omgeving simpelweg onbekend, niet-bestaand, want als ‘wij’ en ‘ik’ hetzelfde zijn, vind je de veilige kalmte die ik zoek in het alleen-zijn júist in het samen-zijn met bekenden en verwanten. Terwijl samen-zijn voor mij meestal een interessante, maar inspannende confrontatie oplevert met het anders-zijn van de ander, is samen-zijn in zo’n wij-cultuur niet confronterender dan bijvoorbeeld de samenwerking van je linker- met je rechterhand – een vanzelfsprekendheid dus, een vorm van in-je-element-zijn, bij-jezelf-zijn, tot rust kunnen komen.

Mijn vriend vertaalde een gedicht van de Australische dichter Les Murray, The Cows on Killing Day, dat van een grote vertrouwdheid met de belevingswereld van koeien getuigt. Ook bij hen zouden ‘ik’ en ‘wij’ samenvallen, zodat de opmerkelijke dichtregel ‘All me have just been milked’ (‘Alle ik zijn net gemolken’) duidt op een collectieve ervaring van gemolken-zijn. Het gedicht brengt een wij-beleving tot uitdrukking die, zo stel ik me voor, nog primairder en zintuiglijker is dan de ervaring van een Afrikaanse wij-cultuur, omdat dieren de werkelijkheid lichamelijk beleven en, misschien meer nog dan mensen, kuddedieren zijn. In het betreffende gedicht wordt een spel gespeeld met de Engelse taal: het daarin bestaande onderscheid tussen ‘I’ en ‘we’ is overbrugd via zinsneden als ‘All me’ (‘Alle ik’) en ‘Me, facing every way, spreading out over feed’ (‘Ik, me naar alle kanten over het voer verspreidend’).

Hieronder kun je de eerste strofes van het koeiengedicht lezen in het oorspronkelijke Engels van Les Murray en in de Nederlandse vertaling van Maarten Elzinga.

The Cows on Killing Day

All me are standing on feed. The sky is shining.

All me have just been milked. Tits are tingling still
from that dry toothless sucking by the chilly mouths
that gasp loudly in in in, and never breathe out.

All me standing on feed, move the feed inside me.
One me smells of needing the bull, that heavy urgent me,
the back-climber, who leaves me humped, straining, but light
and peaceful again, with crystalline moving inside me.

Standing on wet rock, being milked, assuages the calf-sorrow in me.
Now the me who needs mounts on me, hopping, to signal the bull.

___________________

De koeien op slachtdag

Alle ik staan op voer. De hemel straalt.

Alle ik zijn net gemolken. De spenen tintelen nog na
van het droge tandeloze gezuig van die kille monden
die luid in- in- inslokken en nimmer uitademen.

Alle ik die op voer staan, bewegen het voer door me heen.
Eén ik geurt naar behoefte aan de stier, die zware dringende ik,
de rugbeklimmer, die me geramd achterlaat, belast, maar licht
en weer vredig, met kristallen beweging vanbinnen.

Op natte steen staan, gemolken worden, stilt het kalfsverdriet.
Nu bestijgt me die bronstige ik, huppend, om de stier te lokken.

Je ziet dat het gezamenlijk verrichten of ondergaan van eenzelfde activiteit (eten of gemolken worden) sterker als collectief wordt beleefd dan bijvoorbeeld het besprongen-worden van de ander door de één, waarbij het onderscheid tussen de geile ene en de passieve ander niet wordt ontkend: zelfs kuddedieren als koeien bezitten immers een eigen, afzonderlijk zenuwstelsel. Murrays oplossing is om de meest directe collectiviteit (samen eten of gemolken worden) uit te drukken via ‘alle ik’ of simpelweg ‘ik’, terwijl er bij gescheiden activiteiten (waarbij de een handelt en de ander ondergaat) wordt gerept over ‘die bronstige ik’ tegenover een vertellende ‘ik’, de koe door wiens ogen we kijken. De stier is zowel een (‘zware dringende’) ‘ik’ als een externe realiteit, die – in tegenstelling tot de koeien zelf – bij zijn soortnaam wordt genoemd.

Verderop in het gedicht komt er een oudere ‘ik’ bloedig om het leven:

One me is still in the yard, the place skinned of feed.
Me, old and sore-boned, little milk in that me now,
licks at the wood. The oldest bull human is coming.

Me in the peed yard. A stick goes out from the human
and cracks, like the whip. Me shivers and falls down
with the terrible, the blood of me, coming out of an ear.
Me, that other me, down and dreaming in the bare yard.

All me come running. It’s like the Hot Part of the sky
that’s hard to look at.
[…]
All me make the Roar.

________________

Eén ik is nog op het erf, waar de huid van voer is afgestroopt.
Ik, oud en met zere botten, weinig melk in die ik nu,
likt aan het hout. De oudste stiermens komt.

Ik op het volgezeken erf. Opeens steekt een stok uit de mens
en knalt, als de zweep. Ik siddert en valt neer
terwijl het vreselijke, het bloed van ik, uit een oor naar buiten komt.
Ik, die andere ik, ligt neer, droomt op het kale erf.

Alle ik komen aangerend. Het is als het Hete Deel van de hemel
waar het kijken pijn doet.
[…]
Alle ik doen de Brul.

De dood van de oudste ‘ik’ wordt door het koeiencollectief heel zintuiglijk beleefd: het is een kijken dat even pijnlijk is als het directe opzien naar de zon (‘het Hete Deel van de hemel’). Wanneer de oude ‘ik’ door de mens is neergeslagen, wordt er over die ‘ik’ niet meer van binnenuit, maar in de derde persoon gesproken: ‘ik siddert en valt neer’. De ‘ik’ wordt vanaf het moment van haar overlijden als ‘die andere ik’ aangeduid, terwijl de overige, nog levende koeien ‘alle ik’ zijn (dus niet ‘de overige ik’ of ‘alle ik minus één’). De gestorvene is blijkbaar onmiddellijk uit het collectief losgeweekt. Wel is dat voor ‘alle ik’ bijzonder pijnlijk, en met een zekere agressie ‘doen [ze] de Brul’, als blijk van verzet en ongenoegen jegens de moordenaar (‘Neem de stiermens op de horens!’). Het lichaam van de gestorvene is extern aan de kudde geworden, maar het bloed dat uit haar vloeit wordt nog steeds als levend en eigen ervaren: ‘het vreselijke, het bloed van ik’.

All of dry old me is crumpled, like the hills of feed,
And a slick me like a huge calf is coming out of me.
[…]

All me run away, over smells, toward the sky.
________________________________

De oude droge ik ligt verschrompeld, als de voerbergen,
en een glibberig ik als een reuzenkalf komt uit me te voorschijn.
[…]

Alle ik hollen weg, over geuren, op de hemel af.

Omdat ook de geboorte van een kalf met het vloeien van bloed gepaard gaat, bestaat er voor de koeien een sterke relatie tussen bloed en leven. Een jong kalf wordt onmiddellijk in het koeiencollectief ingelijfd, en het is dan ook via het gutsende, glanzende bloed – en niet zozeer via het verdroogde lijk – dat de verwant- schap met de gestorven koe (‘die andere ik’) nog éénmaal heel intens wordt ondergaan. Maar dan laten ‘alle ik’ het bloederige gebeuren voor wat het is en hollen ze, omringd door de geuren van gras en vrijheid, ‘de hemel’ tegemoet van het gezamenlijk-nog-in-leven-zijn.

Empathie met mate

In psychologiemagazines en populaire boeken over moraal speelt empathie tegenwoordig een belangrijke rol. Het begrip – afgeleid van het Griekse em (in) en pathos (gevoel) – wordt pas sinds het begin van de twintigste eeuw gehanteerd; daarvóór waren christelijke noties als naastenliefde belangrijker. Naastenliefde gaat in eerste instantie om het gevoel van degene die liefheeft, terwijl empathie de nadruk legt op het gevoel van de naaste, waarin de empathische persoon op de een of andere manier zou moeten binnentreden. Maar wat houdt dat ‘binnentreden’ of ‘invoelen’ in andermans gevoelens eigenlijk in?

Je zou kunnen denken dat het, op een heel basaal niveau, om het overnemen van de gevoelens van de ander gaat. Dat kan zelfs een klein kind. Zo schijnt de baby van een depressieve of gestreste moeder minder te lachen dan de baby van een moeder die onbezorgd en vrolijk is. Ook steken baby’s elkaar onderling vaak met huilen aan: begint de één, dan volgen ook de anderen. De autistische zoon van de Australische dichter Les Murray begon vaak hysterisch te schreeuwen om andermans woedeuitbarstingen te overstemmen. Hij heeft die woede van anderen dus, ondanks of juist door zijn autisme, haarfijn aangevoeld en zelfs overge- nomen. Maar is dat empathie?

Ik denk dat de meeste mensen die vraag met ‘nee’ zouden beantwoorden. Empathie heeft weliswaar met het voelen van andermans emoties te maken, maar er is nog een ander belangrijk aspect: dat je je ervan bewust blijft dat het om ándermans gevoelens gaat. Wanneer je je immers laat opwinden door de woede of je laat terneerslaan door het verdriet van de ander, is noch die ander, noch jijzelf daarbij gebaat. Mogelijk loopt een situatie waarin twee mensen in dezelfde heftige stemming verkeren juist uit de hand. Het gaat bij de tegenwoordig zo vaak aangeprezen vorm van empathie vooral om de juiste maat: dat je je voldoende openstelt om iets mee te krijgen van de emoties van de ander, een lichamelijk steekje, een subtiele vleug gevoel, zonder dat je volkomen door het overgenomen gevoel in beslag wordt genomen, en als gevolg meer oog hebt voor jezelf dan voor de ander.

Empathie lijkt dus, grappig genoeg, gebaat te zijn bij een zekere óngevoeligheid voor het gevoel van de ander: een kleine, voorzichtige dosis empathie is genoeg. Bovendien is het verstandig om een pakket van empathische standaardreacties paraat te hebben: ‘Goh, wat erg voor je’, ‘Hoe voelde dat?’, ‘Ja, dat kan ik me goed voorstellen’, een zachtaardige, meelevende blik, de juiste glimlach, de juiste frons, een arm die je op het juiste moment bij de ander om de schouder slaat. Al die ‘methodes’ wapenen je in zekere zin tegen al dat gevoel dat je van buitenaf bestormt: door niet mee te gaan in al die hevigheid, zélf volledig aangeslagen, maar een vriendelijke, troostende buitenstaander te blijven, bevestig je de situatie: jíj bent degene die huilt en nu mijn steun nodig heeft, niet andersom.

Slothypothese: juist kinderen en mensen met autisme, die heel basaal door andermans emoties worden aangedaan, zijn – in letterlijke zin – het meest empathisch. Wijs en volwassen word je naarmate je een beetje afgestompt bent geraakt, met als voordeel dat je zowel jezelf als de ander beter kunt beschermen tegen de dwingende, verwarrende duiveltjes die emoties kunnen zijn.

Mentale Schutzmantel

Een van de meest tedere voorstellingen uit de christelijke traditie vind ik de Schutzmantelmadonna. Het betreft een beeld van Maria die haar schützende (beschermende) mantel rondom alle mensen slaat die hun toevlucht bij haar zoeken: monniken, nonnen en kardinalen, maar ook boeren en bedelaars, kamermeisjes en hooggeplaatste adellijke figuren. In de middelste afbeelding hierboven zijn al Maria’s beschermelingen naakt, wat hun wezenlijke gelijkheid benadrukt: voor de christelijke oermoeder doen rangen en standen, talenten en prestaties er niet toe.

Zulke poëtische visioenen als de middeleeuwers hebben wij postmodernen helaas niet meer. Wij moeten het doen met abstracte idealen en documenten, bijvoorbeeld de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Toch geloof ik dat het beeld van de Schutzmantelmadonna nog steeds tot onze verbeelding kan spreken. Stel je eens voor dat je zélf een mentale Schutzmantel draagt, een heel wijde, die ruimte biedt aan alle mensen die je tegenkomt. Niemand is in jouw ogen meer louter vervelend, geheel oppervlakkig of door en door slecht. Nee, vanonder je mantel besef je hoezeer er in iedereen een naakt, kwetsbaar mensje schuilt, precies zoals jijzelf, en hoezeer we elkaars schützende liefde en mildheid nodig hebben.

De utilitaristische filosoof Jeremy Bentham (1748 – 1832) nodigt ons uit nog een stap verder te gaan. Hij stelt namelijk voor om onze mentale Schutzmantel niet voor te behouden aan mensen alleen:

Misschien komt er een dag dat wordt erkend dat het aantal benen, de behaardheid van de huid of het uiteinde van het staartbeen geen reden mag zijn om andere gevoelige wezens te mishandelen. […] De vraag is niet: kunnen zij redeneren? of: kunnen zij praten? Maar: kunnen zij lijden? […] Er komt een dag dat de mensheid haar mantel zal uitslaan over alles wat ademt.

De klauwen van de stad

Meestal begint de dag licht; als een verleidelijke minnaar spoort de stad me aan me in zijn straten te begeven. Gemoedelijke toeristen uit alle landen strelen me met de klanken van hun taal, Italiaans, Zweeds, bekakt of juist heel working class Brits, de frisse wind een zachte kus als ik uit de metro stap. Het uitzicht vanaf de hoge bruggen over de grachten is het romantische gezicht dat Amsterdam, mijn nieuwe minnaar, graag van zichzelf laat zien, in het begin althans.

Ja, af en toe ontstaan er wel conflictjes tussen ons, een brommer die plotseling naar de stoep uitwijkt om een auto te omzeilen maar daarbij mij bijna raakt, een brede weg die ik nauwelijks durf over te steken, twee banen auto’s, in het midden taxi’s en trams, één en al getoeter als ik al halverwege ben, sirenes van een ziekenwagen… – ik overleef ternauwernood en verwijt mijn minnaar met nog nabibberend lijf dat hij soms zo onvoorzichtig met me omgaat.

Galerieën, excentrieke winkeltjes, een paard van piepschuim, spitzen in de etalage, 62 euro het goedkoopste paar, wordt me verteld wanneer ik informeer. Het zijn de cadeautjes waarmee mijn stad me overlaadt om het weer goed te maken. Echt waar, zie hoe hij probeert me te paaien: een zingend meisje in een bakfiets, geurende rozen tegen de gevel van een eeuwenoud pand, een rekje gratis mee te nemen afgedankte boeken.

Gul is hij, mijn tas wordt steeds zwaarder en mijn geest enthousiaster: wat zal ik om de hoek aantreffen? Hoe zullen de hofjes zijn die mijn stad me – via de plattegrond waarmee hij me leidt als met wenkende hand – heeft beloofd? Zal ik nog meer bijzondere galerieën vinden, een hedendaagse kunstenaar wiens werk me écht raakt? Ik watertand van intellectuele geilheid terwijl de stad in z’n handen wrijft: nu heb ik haar te pakken, ze is de mijne, helemaal!

En als een gulzig beest slaat hij, twee galerieën later, toe, zijn greep die van een wurgslang, nee, een octopus met duizend kronkelende armen. Duizendvoudig is het wat ik voel; via duizend openingen in mijn lichaam word ik opgevuld, ja, volgestouwd – het is ruw, het is verkrachting, het is de stad die zich als een bezitterige minnaar om me heen vouwt en me verplet met een oneindigheid aan kleur, beweging, schel geluid, sirenes, knipperlichten, bijna-botsingen, een knal.

Voorbijgaande lijven die langs me schuren, een schouder, een schouder, een trambel, een brommer, mijn zacht lichaam vermorzeld door luidruchtig grommende motoren overal, felgele uithangborden, penetrante shoarmadampen, geratel over rails, een gillend kind, een zwerver die iets van me wil, zigzaggende fietsen en brommers en auto’s, een onophoudelijke stroom die alle ogen en oren en lippen van mijn lichaam openrijt, ze bestormt als een leger soldaten, zwaarden met spiezende punten voor zich uit >>>>>>>>>>

En mijn blote huid wordt bewerkt tot een netwerk van bloedrode sneeën en rafels, in onzichtbare stromen sijpelt mijn leven erdoorheen. Mijn innerlijke batterij raakt leeg, het alarmlampje begint te knipperen… toe, geef me iets om vast te houden, me aan vast te houden… ontruk me aan de klauwen van mijn minnaar – hij verslindt me!

Thuis ontwaak ik – thuis, dat is de kleine kamer die ik in betere tijden gekscherend mijn ‘kloostercel’ noem. Hoe ik het heb bereikt herinner ik me niet, zoals een vrouw haar barenspijnen – bloed! messteek! bloedend leven door een snee! – vergeet; voor iets ondraaglijks bestaat geen referentiekader, dus nadien verglijdt het.

In de verte snurkt mijn minnaar grommend na, rookt hij bevredigd zijn sigaret van uitlaatgassen via auto’s voor mijn raam, steeds luider ronkend komen ze nader <<<<<>>>>> steeds zachter ronken ze de verte in.