Niet ongedeerd

Met mijn ontdekkingen op het gebied van de popmuziek loop ik hopeloos achter. Zo is Portishead al enkele jaren niet meer actief, wat ook voor Roosbeef geldt, de band van Roos Rebergen die vooral tussen 2011 en 2015 in de aandacht stond. Eigenlijk is er niet één liedje van Roosbeef dat ik in z’n geheel mooi vind; mijn favorieten, waaronder Raak mij aan en Onder invloed, beginnen kwetsbaar en betoverend, maar eindigen steevast met een vervelende, cheesy begeleiding door een koortje of een mannelijke zanger. Laat die Roos toch lekker solo zingen met haar weke, sidderende stem die precies zo klinkt als de lodderige, ongegeneerde blik in haar ogen, en even ongestileerd als haar sprieterige haar. Seksualiteit is méér dan alleen een brave, gelukkige relatie, zingt Roos. Het is ook die onbeantwoorde begeerte, die onbegrijpelijke ontmoeting die je tot in het diepst van je lichaam raakt maar verder geen gevolg heeft, behalve een stoet moeilijk beheersbare fantasieën. Het is de behoefte om te ‘voelen of ik voel’, om te weten dat je echt bestaat, om ‘niet ongedeerd’ te blijven, niet onaangeraakt.

The Taste of Life

Vlak voordat hij mijn ex werd, vertelde ik mijn geliefde dat ik graag eens iets anders dan klassieke muziek wilde luisteren, en liet hij me een stapeltje cd’s uit zijn collectie kiezen. Van sommige bands, bijvoorbeeld Portishead, kon hij zich niet voorstellen dat ik ze zou waarderen – ‘hun muziek is elektronisch en nogal rauw’ -, maar dat maakte me juist nieuwsgierig. De eerste tijd raakte ik de cd’s nauwelijks aan, omdat de herinnering aan hun vorige eigenaar nog te pijnlijk was. Maar afgelopen zaterdag zette ik in een opwelling het album Third van Portishead op, en raakte volkomen gehypnotiseerd door de schurende klanken en pulserende ritmes, zelfs van nummers die ik in eerste instantie geneigd zou zijn als herrie te omschrijven.

De grondtoon van Portishead is existentialistisch. Volgens bandlid Geoff Barrow verklankt de gekwelde stem van zangeres Beth Gibbons ‘frustratie over zichzelf, over mensen, over relaties’, kortom, ‘over het menselijk tekort’. De muziek is opgebouwd uit mechanische, elektronische geluiden, die een unheimlich gevoel in de luisteraar oproepen, maar tegelijk zo lekker ritmisch zijn dat het moeilijk is om stil te blijven zitten. Je emoties ketsen op de kille, machine-achtige klanken af, maar je lijf herkent zichzelf erin, zijn in-nerlijke ritmes en processen, en voelt de onweerstaanbare neiging om mee te deinen. (Dansen kun je het nauwelijks noemen, de robotische, schokkerige bewegingen die het beste bij de muziek van Portishead passen.)

En dan is er in elk nummer die benauwde, door onmenselijke krachten op de hielen gezeten vrouwenstem, die desondanks van een grote sensualiteit doortrokken is. In het nummer We Carry On hoor je hoe ze bijna wordt vermalen in de machinerie van het naakte leven, de dwang van de biologie, de tijd, de competitie, de techniek: I bleed, no place is safe. De openingsklank is monotoon en bliepend als een vastgelopen machine, en ik fantaseer er als vanzelf knipperende alarmlichtjes bij. Onmiddellijk daarop volgt een ijzingwekkend regelmatige beat, die zes minuten lang ongewijzigd aanhoudt, en het tempo van een liefdeloze neukbe-weging heeft, of van een verhoogde hartslag. Plotseling schrijnen daar de huilerige flarden poëzie van Gibbons doorheen, existentialistisch en een beetje raadselachtig:

The taste of life I can’t describe
It’s choking on my mind

Een zinzoekend mensenhart gevangen in een onverschillig universum, dat is wat ik hoor in Portishead, en dan vooral in dit nummer. Reaching out I can’t believe – hoezeer ik ook wens of reik, er is geen geloof waarmee ik uit de voeten kan. En hoe graag ik ook wil, het lukt me maar niet om een vrij mens te zijn, want hoe doe je dat? Wat kies je dan?

The pace, the time,
I can’t survive
It’s grinding down the view
Breaking out which way to choose
A choice I can’t renew

Dus blijft er die pulserende hartslag over, die innerlijk gevoelde drang, die haast ondraaglijk intense taste of life die zich niet beschrijven laat, en die de menselijke geest tot gekte drijft. Want wat moet het verstand met zoveel drift, het hart met zoveel agressie, het bewustzijn met zoveel primitiviteit?

In de ban van paars

Lieveheersbeestjes zijn er met rode en met gele schildjes. Alarm! zeggen die kleuren: ik ben giftig! Precies zo hangen er rode en gele reclameposters bij Etos. Alarm! roept het in mij, en ik ben geneigd de straat op te rennen, de giftige winkel uit. Maar ik was hier geloof ik om paracetamol te kopen, en shampoo. Het geel en rood schijnen bovendien niet bedoeld te zijn om klanten weg te jagen, maar om hen te vertellen dat ze één fles shampoo gratis krijgen als ze er twee kopen. Of dat een voordeel of een nadeel is, weet ik niet; het staat vermeld in witte letters tegen een knalrode achtergrond, die me verhindert om goed na te denken, en voor ik het weet loop ik met armen vol shampooflessen de winkel uit. Op straat blaas ik opgelucht de giftige gele en rode dampen uit mijn longen.

Ik moet aan mijn moeder denken, die is opgegroeid in een gezin met tien kinderen. Het was nog niet zo makkelijk om de aandacht van haar moeder te trekken, en daarom had ze een speciale strategie ontwikkeld. Als ze haar moeder iets wilde vragen en geen reactie kreeg, pakte ze haar simpelweg bij de kin en draaide die naar zich toe, zodat er een moment lang oogcontact tot stand kwam. Of daar een inhoudelijk antwoord of alleen een geërgerde snauw op volgde, was van ondergeschikt belang; haar moeder had tenminste een kik gegeven, die speciaal voor haar was bedoeld.

Gisteravond in de auto doemde er in mijn ooghoek een bundel paarsheid op, zoals ik nog nooit eerder had gezien. Met een vriend reed ik in het donker over een verlaten landweggetje; hier en daar was er een gele of witte lantaarn zichtbaar, meer niet. Het was me onmogelijk om het plotselinge paars te negeren, al deed ik nog zo hartstochtelijk mijn best. Zo begon ik verwoed ‘hmmm hmmm’ tegen mijn vriend te hummen, mijn voorhoofd te fronsen en te knijpen met mijn ogen om mijn aandacht te fixeren op het onderwerp van ons gesprek: atonale muziek, en hoe hij daarmee als tiener al had kennisgemaakt, terwijl ik er nog steeds mee worstel.

Opeens schiet me – misschien onder invloed van het paars – een overleden vriend te binnen die, net als ik, een voorkeur had voor rust en orde, voor renaissance- en barokmuziek, en een hekel had aan de herrie en chaos van mensenmassa’s, bijvoorbeeld op Hoog Catharijne. Ook hij vond atonale muziek ongetwijfeld moeilijk, en ook hij werd vermoedelijk volkomen afgeleid als hij in het donker over het platteland zou rijden en zijn blikveld plotseling geheel zou worden gevuld met helder paars verlichte kassen.

Ik vertel het aan de vriend die naast me zit, en de auto bestuurt en tegen me praat alsof er niets aan de hand is, alsof er niet rechts naast ons zojuist een ufo van een andere planeet is geland. Ik haat dat paars! roep ik uit. Jij en ik voeren een geanimeerd gesprek, en ineens is het alsof iemand daar doorheen begint te tetteren, met zijn armen zwaait, aan mijn kin trekt, kortom: alles doet wat in zijn vermogen ligt om mijn aandacht te trekken. Dat vind ik onbeleefd, zelfs agressief. Zie je dan niet hoe agressief dat paars is? Hoe durft iemand – de eigenaar van die kassen – zich zo aan de rest van de wereld op te dringen?

Maar zodra ik mijn vurige tirade staak, merk ik hoe het paars me in zich op begint te slurpen. ‘Paarsheid, paarsheid’, voelt mijn lichaam, dat door de kleur wordt omringd als door een wolk, en door het paars heen waadt als door een plas water. Ik wórd paars, wat dat ook moge betekenen. Mijn vriend zit zwijgend naast me en laat me intiem alleen zijn met het paars, dat me ineens niet meer ergert, maar oneindig fascinerend is, als een muziekstuk of een filosofie over het bestaan, over het paarse gezicht van de werkelijkheid, een aspect dat ik altijd over het hoofd heb gezien. Alsof paars een eigen waarheid heeft, met de warme sensualiteit van roze, vermengd met een blauwe nostalgie naar verten.

Weet je, zegt mijn vriend even later, als er alleen nog een paars schijnsel door de bomen zichtbaar is, en het klinkt alsof hij me iets op wil biechten. De eerste keer dat ik hier ’s avonds voorbij reed, was ik zo gegrepen door dat paars, dat ik m’n auto in de berm geparkeerd heb om er een tijdlang naar te staren. Vind je dat raar? Zijn bekentenis raakt me, en ik ben even stil.

Ja, antwoord ik ten slotte. Jij bent dus net zo raar als ik.

Potentiële moeder

Mensen die met mij uit eten willen gaan, moeten de keuze van het restaurant aan mij overlaten. Natuurlijk mogen ze suggesties doen – ‘Kijk, dat tentje ziet er gezellig uit!’ -, maar vervolgens ben ík degene die haar neus om de hoek steekt om te inspecteren of er geen muziek aan staat, geen feestverlichting knippert en geen kinderschare of beschonken gezelschap door de ruimte tettert. Meestal moet ik mijn kompaan en de ons tegemoet snellende ober met een pijnlijke glimlach meedelen ‘dat we nog even verder kijken’, en voelt onze terugkeer in de stille avondlucht als een verademing. Hoe krijgen mensen een hap door hun keel met al dat geschreeuw, die stank, een radio? vraag ik me – na drie of vier mislukte pogingen – wanhopig af. Uiteindelijk belanden we vaak bij een traditionele Indiër of Chinees, met kleurloze liftmuziek die haast onmerkbaar langs je heen glijdt. Op doordeweekse avonden ben je daar met een beetje geluk de enige, zodat je je volledig kunt concentreren op het eten en de conversatie.

Het lijkt me vanzelfsprekend dat iemand zoals ik geen kinderen neemt, en – als ze ze per ongeluk tóch dreigt te krijgen – er alles aan doet om zich tijdig van ze te verlossen. Een kind kun je nu eenmaal niet dwingen om het grootste deel van de dag stil te zitten; je kunt het niet verbieden te gillen, opgewonden te praten, te huilen, je aandacht op te eisen. Ik zou permanent oordoppen dragen en geregeld in de verleiding komen om het op te sluiten in een schuur of op een rommelzolder (als ik die had); als het nog klein was zou ik, tijdens een wandeling, ineens de neiging kunnen krijgen om het bij het eerste het beste huis te vondeling te leggen, vooral als het langer dan tien minuten zou huilen.

‘Maar bij je eigen kind is het anders’, zeggen mensen tegen me, mijn moeder, een vriendin, een goede vriend. ‘Van je eigen kind kun je wel wat hebben. Dan heb je het ervoor over. Het wordt beter zodra ze naar school gaan’, et cetera. ‘Sommige mensen zijn nu eenmaal geschikter voor het moederschap dan andere’, sputter ik tegen, maar volgens hen ben ik juist heel geschikt. ‘Je bent zelf rustig, dus zul je waarschijnlijk ook een rustig kindje krijgen. En je moet zorgen dat de vader een zorgzaam type is, zodat je er niet alleen voor komt te staan.’ Kortom, redenen genoeg om ook als hypergevoelige einzelgänger zonder kinderwens aan kinderen te beginnen. ‘Je zult er versteld van staan hoe sterk je moedergevoelens zullen zijn. Eigenlijk gaat het vanzelf, wanneer het eenmaal zo ver is.’

Wat moedergevoelens betreft zouden ze nog weleens gelijk kunnen krijgen; in feite heb ik ze, ondanks mijn afkeer van gehuil en druk gedoe, zelfs al. Signaleer ik een kersverse ouder met een slapende baby in een draagzak, dan moet ik – meer nog dan als er een beeldschoon meisje of een intellectueel uitziende man passeert – mezelf bedwingen om niet ongegeneerd te gaan staren. Sta ik bij stoplichten of in de lift naast een mevrouw met kinderwagen, dan gluur ik voortdurend even in de veel te grote, ronde babyogen, en voel hoe ze op me blijven branden terwijl ik zelf mijn blik alweer heb afgewend, omdat ik niet wil toegeven hoe interessant ik baby’s vind – straks blijk ik nog een kinderwens te hebben, stel je voor!

Wat had ik afgelopen vrijdag dan in vredesnaam te zoeken bij de lezing in Perdu, gewijd aan ‘de poëzie en politiek van zwangerschap’? Waarom hoorde ik in de pauze jonge moeders uit over hun pijn bij het baren, hoeveel hun kind ’s nachts huilt, of ze nog weleens een boek kunnen lezen, of ze niet stiekem spijt hebben van hun keuze voor het moederschap? Vanwaar mijn vreugde om de tedere, soms rauwe gedichten die die avond werden voorgedragen, mijn verontwaardiging over de sfeerloze tl-verlichting in verloskamers, mijn ongeruste gevoel bij de verhalen over het medische geweld waarmee barende moederlijven in ziekenhuizen worden bedwongen? Waarom was het alsof dit alles mij aanging, terwijl ik toch allang en resoluut besloten heb dat zo iemand als ik onmogelijk moeder kan worden?

Eigenlijk kan ik maar twee antwoorden bedenken. Óf de biologie besluipt me en doet me beslissingen nemen, zoals het bezoeken van een lezing over zwangerschap, die me langzaam maar zeker in de richting van ‘mijn ware bestemming als vrouw’, het moederschap, zullen stuwen. Óf het is waar wat ik mezelf die avond voorhield: dat zwangerschap een universele levensmogelijkheid is, iets wat iedere vrouw – ook degene die besluit kinderloos te blijven – wezenlijk aangaat, en haar iets leert over de aard van haar creativiteit en seksualiteit. De feministische filosofe Luce Irigaray zei eens in een interview:

Elke vrouw, dat is belangrijk om op te merken, is potentieel moeder. Een kind baren is absoluut een heel bijzonder gebeuren, maar je kunt ook baren in je werk, in je relatie met anderen. Je kunt vrienden bemoederen. Je zou kunnen zeggen: net zoals de moeder óók vrouw is, heeft iedere vrouw, ook als ze niet daadwerkelijk een kind voortbrengt, een moederlijke dimensie in zich. Je moet die moederlijke dimensie losmaken van de materiële voortplanting.

Ik ben benieuwd welke vormen van moederschap het leven nog voor mij in petto heeft. En hoop maar dat ze niet al te bloederig en oorverdovend zullen zijn.

Faalangst

Falling Man - Alberto Giacometti

Tegenwoordig bestaan er trainingen om faalangst te overwinnen. De deelnemers wordt, zo vermoed ik, aangepraat dat falen helemaal niet erg is, maar juist een gelegenheid om van je fouten te leren, een manier dus om persoonlijk en professioneel te groeien. Kunstenares Josje Hattink vertelt hoe de kunstacademie weleens the temple of failure wordt genoemd, ‘waar het meer gewenst is om meerdere “slechte” werken te maken dan een enkel “goed” werk, en waar elke mislukking waardevol is’. Ter afsluiting van haar opleiding schreef Hattink een scriptie met de titel Fail to Learn, gewijd aan deze paradox van het ‘geslaagde falen’ en ‘falen om te slagen’.

Maar hoe sympathiek het ook klinkt, ik geloof niet dat dit zo bejubelde lef om te falen ons werkelijk een stap verder brengt. ‘Falen’ heeft slechts betekenis in relatie tot zijn tegenhanger ‘slagen’, en beide werk-woorden horen thuis binnen het taalspel van presteren en maatschappelijk succes. Dat taalspel is op zich-zelf niet verderfelijk, maar wordt dat wel zodra het zich naar andere domeinen uitstrekt, zoals de kunst, de liefde en het leven zelf.

De oude Grieken kenden het onderscheid tussen poièsis, een activiteit die omwille van een extern, meet-baar doel wordt verricht, en praxis, waarbij het doel in de activiteit zelf besloten ligt. Van de liefde en het leven is het eenvoudig om te begrijpen dat ze een doel op zichzelf zijn, maar ook creativiteit is in mijn ogen een praxis. Een kunstenaar of schrijver kan weliswaar van buitenaf een opdracht aangereikt krijgen, maar het maak- of schrijfproces heeft idealiter het karakter van een trance, een roes, iets om helemaal in op te gaan, losgezongen van de buitenwereld. Dat heet concentratie, en is de enige geestestoestand waarin zich inspiratie voor kan doen.

Faalangst overwin je dus niet door falen als iets goeds te zien, maar door onverschillig te worden ten opzichte van zowel ‘falen’ als ‘slagen’, ‘mislukken’ als ‘lukken’, wat in feite maar oppervlakkige, externe criteria zijn. De remedie is aandacht: opgaan in je onderwerp of activiteit, en je wereld daar geheel door laten vullen. Als er dan – in overdrachtelijke zin – van ‘slagen’ sprake is, kan dat slechts worden afgemeten aan de bevrediging die je ervaart, de mate van genot die deze totale onderdompeling met zich meebrengt. Een beoordeling door buitenstaanders, of door je eigen kritische oog achteraf, kan daar niets aan veran-deren, en is slechts een praktische bijkomstigheid.

Nooit meer vlees

Als ik een fruitvliegje of een mug doodsla, heb ik altijd de neiging om mijn excuses te maken, soms hardop, maar meestal in gedachten. Ik heb gezien hoe het diertje zijn best deed om aan mijn vervaarlijke handen te ontkomen, hoe het hysterisch door de ruimte zigzagde, en interpreteer dat als een uiting van paniek. Het heeft me altijd verbaasd hoe mensen naar stukjes dood vlees op hun bord kunnen verlangen, hoe ze zonder wroeging of afkeer hun tanden in dierenlijkjes kunnen zetten, meestal van wezens die hun korte bestaan onder concentratiekampachtige omstandigheden hebben doorgebracht. Sinds mijn zesde, toen ik ontdekte dat vlees van dode dieren afkomstig is, ben ik vegetariër.

Paradoxaal genoeg ben ik altijd leren schoenen en tassen blijven dragen – ik troostte me met de gedachte dat dieren meestal niet speciaal voor dat doel worden geslacht, maar dat huiden bijproducten zijn van de vleesindustrie. Een in een tas of schoen verwerkte dierenhuid is bovendien gedroogd, en lijkt in niets meer op het zachte, voelende oppervlak dat het eens is geweest. Het vlees op ons bord daarentegen is vers, en heeft nog maar enkele dagen of weken geleden – als het tenminste niet ingevroren is geweest – tot een knorrend, loeiend of kakelend organisme behoord, dat naar voedsel, geslachtsgemeenschap en bewegings- vrijheid verlangde. Zo’n organisme behandelen alsof het slechts een ding is, vind ik gewelddadig en wreed.

Maar is geweld niet inherent aan het bestaan? De vitalistische filosoof Nietzsche suggereert dat ‘het leven in essentie, namelijk in zijn grondfuncties, krenkend, verachtend, uitbuitend, vernietigend huishoudt en zonder dit karakter helemaal niet denkbaar is’. Zelf ben ik altijd een voorstander van volstrekt pacifisme geweest. Ik veroordeelde niet alleen de vleesindustrie, maar ook het leger en het bestaan van landsgrenzen, die immers alleen door machtsuitoefening en dreiging in stand kunnen worden gehouden. Wie zijn wij om onze rijkdommen in West-Europa op te potten en uit de handen van het arme merendeel van de wereld- bevolking te willen houden? Vegetarisme alleen is niet voldoende, meende ik, maar hoe je helemaal ‘zuiver’ en ‘eerlijk’ door het leven kon gaan, zonder van enige vorm van uitbuiting te profiteren, dat wist ik niet.

Recent ben ik echter steeds meer met de nietzscheaanse gedachte gaan spelen dat het leven per definitie een geweldsdimensie kent. Wat leeft, wil blíjven leven en is daarom bereid zichzelf te verdedigen. Het wil ook sterker worden, zich uitbreiden en ruimte veroveren, want geen levend wezen voelt zich tevreden achter de zichtbare tralies van een kooi of de onzichtbare tralies van angst en vernedering. Inherent aan de waardigheid van mens en dier is het trotse verweer tegen aanvallen, en het verlangen naar gezondheid en vitaliteit. Misschien moest ik eens een periode ophouden met bidden voor het eten, en mijn voedsel niet langer als een geschenk beschouwen, maar als iets waar ik recht op heb, al is er milieuvervuiling aan te pas gekomen en lijden mensen elders ter wereld gebrek. Ikzelf besta nu eenmaal hier en consumeer wat binnen mijn bereik ligt – dat is volstrekt normaal en legitiem.

Al redenerend kwam ik tot de conclusie dat vlees eten misschien goed voor me zou zijn. Het bevat allerlei stoffen waarvan je als vegetariër al snel tekorten opbouwt, zoals ijzer en vitamine b12. Maar bovenal zou het me wellicht kunnen genezen van mijn hardnekkige (naïeve?) pacifistische idealen, die het leven er immers niet gemakkelijker op maken. Dus begon ik steeds vaker rond te drentelen op de vleesafdelingen van supermarkten, waar ik de glanzende roze hompjes in plastic verpakkingen met een mengeling van walging en fascinatie bekeek. Uiteindelijk besloot ik met een kant-en-klaarmaaltijd te beginnen, zodat het vlees reeds verwerkt was en er niet zo angstaanjagend ‘vlezig’ meer uitzag. Gisteren zette ik de stap en kocht bij een biologische winkel spaghetti bolognese met zestien procent rundergehakt. Ik zorgde ervoor dat ik scheurde van de honger, zodat de lust de weerzin overwon, en watertandend begon ik met eten.

Maar dat het zó moeilijk zou zijn, had ik onmogelijk kunnen voorzien. Mijn bord moest leeg, besloot ik van tevoren – je gooit toch immers geen dood dier in de vuilnisbak? (Ik herinner me dat ik als kind de overgebleven stukjes vlees op het bord van mijn ouders in de tuin wilde begraven, op de plek waar ook mijn overleden konijn een grafje had.) Het gehakt was behoorlijk sterk gekruid, maar de vleessmaak proefde ik er dwars doorheen. Die was weeïg en vet, en ik kon niet ophouden met denken: dus zo smaakt de dood. Drie kwartier lang drong het iedere seconde tot me door dat ik een dier tussen mijn kiezen aan het vermalen was, een medeschepsel. Stel je als vleeseter eens voor dat je op een dag verplicht een portie mensenvlees moest eten. Zou je dan niet het gevoel hebben iets heiligs te schenden? Zou je het ook maar een moment lekker kunnen vinden? Mij lukte dat althans niet met het stukje rund op mijn bord. Ik ken koeien te goed, hoe ze bewegen en loeien en uit hun lodderige ogen kijken. Uiteindelijk was hij op en dobberde hij rond in mijn maag. Maar beter dan ooit tevoren wist ik nu waarom ik vegetariër geworden was.

En vegetariër blijf ik. Mijn recent ontwikkelde acceptatie van de geweldsdimensie van het bestaan verdwijnt daarmee niet; net als Nietzsche geloof ik dat alle vormen van leven doortrokken zijn van een zekere ‘wil tot macht’. Maar juist omdat ik zelf sterk wil zijn, gun ik ook een dier zijn bewegingsvrijheid en een levensloop die niet vóór het aanbreken van de ouderdom wordt afgekapt. Dus blijf ik me behelpen met ijzerpilletjes en een zo gebalanceerd mogelijk vegetarisch dieet. Ik ben niet van mening dat andere mensen dat ook zouden moeten doen. Op de vraag of vlees eten goed of verkeerd is, heb ik geen definitief antwoord. Kwam mijn walging van gisteravond niet voornamelijk voort uit het feit dat ik sinds mijn jeugd vegetariër ben geweest? Of was het een adequate, door en door morele reactie, die aldus een universele strekking heeft? Ik kan het niet zeggen, en weet alleen dat dit mijn laatste portie was.

Een vergeten drift

Plato wordt meestal aangewezen als de grondlegger van het dualisme, degene die een wig dreef tussen verstand en (materie of) gevoel. Toch kent Plato de menselijke ziel geen twee, maar drie aspecten toe: het redelijke (logos), het driftige (thymos) en het begerende (eros). Wijs noemt hij degene die ‘de drie delen weet te doen harmoniëren’, zodat hij ‘uit een veelheid volledig één wordt’. Tegenwoordig vatten wij het driftige en het begerende meestal samen onder de noemer ‘gevoel’. Als gevoel en verstand met elkaar in balans zijn, heb je als mens innerlijke eenheid bereikt, zeggen we dan. Maar doen we zo niet de specifieke betekenis van thymos tekort, dat begrip waarvan in moderne talen geen volwaardig equivalent bestaat?

Plato constateert dat de begeerte ‘het grootste deel van de ziel vormt en van nature onverzadigbaar-inhalig is’. Hoewel eros een krachtige motor is die het levensproces gaande houdt, moeten aan zijn mateloosheid grenzen worden gesteld. Logos is daartoe het meest geschikt, aangezien de rede ons in staat stelt in te zien wat van waarde is, en hoe we onze inspanningen het best over verschillende doeleinden kunnen versprei- den. Maar zonder de daadkracht van thymos staat het verstand machteloos. ‘Aan het driftige komt de rol toe van onderhorige en bondgenoot van het redelijke’, aldus Plato. In het beste geval handhaaft thymos, ‘door alle smarten en genoegens heen, de uitspraken van de rede’.

Vanaf de vroegste teksten waarin thymos een rol speelt, bijvoorbeeld de Ilias van Homerus, wordt hij met woede in verband gebracht. Thymos is als het ware de stem van onze assertiviteit, die zich roert wanneer onze grenzen overschreden worden of iemand ons – of onze naasten – onrecht doet. Maar thymos kan ook blinde, ongerichte razernij zijn, zoals de hyperbolische woede van Achilles, die uiteindelijk meer kwaads teweegbrengt dan goeds. Volgens de hedendaagse Duitse filosoof Peter Sloterdijk broeit er een teveel aan thymos onder jongeren in de islamitische wereld, een overdaad aan rancune die zich in het wilde weg ontlaadt. Thymos kan tot grootse dingen aanzetten, maar het is van belang dat deze diepmenselijke kracht zorgvuldig wordt gecultiveerd en met de redelijkheid in overeenstemming wordt gebracht.

Wie bij de juiste gelegenheid woede ervaart en die op vruchtbare wijze weet om te zetten in daden, stelt zich teweer tegen de onterechte aanspraken van anderen en de mateloosheid van zijn eigen begeerten. Terwijl woede die wordt opgekropt tot geweldsuitbarstingen (of, indien geïnternaliseerd, tot zelfhaat) kan leiden, verdedigt een gezonde thymos de eigen waardigheid en die van een – meer of minder wijde – kring van naasten. In de oudheid leidde thymos geregeld tot daden van eerwraak, een fenomeen waarvoor we tegenwoordig weinig begrip meer kunnen opbrengen. Toch geloof ik niet dat het concept van thymos daarmee overbodig is geworden: het vermogen om grenzen te stellen en ‘rechtvaardige woede’ te voelen, is in alle tijden van belang. Volgens Sloterdijk

moeten we ons richten op de humane en vreedzame elementen in onze thymotische voorraden. Geen wraak en vergelding meer, geen ressentiment en verontwaardiging, maar trots, eigenwaarde, geldingsdrang en kracht. De aan erotiek verslaafde westerse cultuur zou laatstgenoemde deugden beter moeten ontwikkelen, de aan geweld verslaafde oosterse cultuur zou wel met wat minder kunnen. De westerse cultuur moet thymotiseren, de oosterse erotiseren. (Niet liefde regeert, maar woede, Antoine Verbij, 23 juni 2007)

In conservatieve kringen, waar men terugverlangt naar traditionele rolpatronen, wordt thymos steevast met mannelijkheid in verband gebracht. Zo betoogt Harvey Mansfield in zijn populaire boek Manliness dat thymos ondergesneeuwd is geraakt onder invloed van de feminisering van onze samenleving, waarin we vrouwelijke waarden zoals zorg en respect voor de kwetsbare ander centraal hebben gesteld. Persoonlijk betwijfel ik of thymos een exclusief mannelijke eigenschap is, hoewel mannen over het algemeen inderdaad meer thymotisch gedrag vertonen. Misschien is het vruchtbaarder om er – in navolging van Plato – bij stil te staan dat iédere ziel haar afzonderlijke delen met elkaar in harmonie moet zien te brengen. Of je man of vrouw bent doet er dan niet toe. Iedereen heeft immers begeerten die erkenning verdienen, maar ook in goede banen moeten worden geleid, evenals het vermogen om kwaad te worden, dat tot de juiste proporties moet worden teruggebracht, zodat excessen en geweld worden voorkomen, maar grenzen worden gehand-haafd en – indien nodig – verdedigd.

Thymos heeft overigens niet alleen met de verdediging van grenzen te maken, maar ook met het verleggen daarvan. Uit trots en geldingsdrang, eigenschappen die typisch thymotisch zijn, kan het verlangen ontstaan om prestaties te leveren en een bijzondere positie in de samenleving te verwerven. Natuurlijk ligt hier het gevaar op de loer dat thymos in arrogantie en egoïsme ontaardt. Daarom blijft de zorgvuldige communi- catie tussen thymos en logos essentieel: wat is een nobel doel om je voor in te zetten, waarmee je de wereld dient en anderen niet benadeelt?

Tegenwoordig kennen we geen ‘thymos’ meer, maar spreken we van zelfvertrouwen, of een gebrek daaraan, dat geregeld ontstaat wegens onze overdadige neiging tot zelfreflectie en -kritiek. Thymos is echter dieper geworteld dan al onze mislukkingen en prestaties; het is een vorm van zelfrespect die onvoorwaardelijk is. Evenals eros vormt thymos een krachtbron die je in jezelf aan kunt boren, en die dan een vuurgloed over je leven legt. Niet voor niets stelden de oude Grieken eros en thymos vaak als gevleugelde paarden voor, die samen het rijtuig van de ziel in beweging en, mits met beleid door de rede gemend, naar grote hoogten kunnen brengen.