Sopraanstem

Natuurlijk, naturel, onopgesmukt – dat is het type schoonheid waar ik het meest van houd, zowel qua fy-sieke looks als qua zangstemmen. Popzangers met een wat geknepen, snerpend of overdreven kreunend geluid vind ik moeilijk te verdragen; doe mij maar zangers die schijnbaar moeiteloos, met een stem die nauwelijks van hun spreekstem afwijkt, mooie liedjes zingen. Hoe kan ik dan zo dol zijn op klassieke zang, een vorm van stemgeluid die bepaald niet natuurlijk is? Neem de countertenor, een man die – zoals de vroegere castraat – de toonhoogte van een hoge jongens- of vrouwenstem haalt, terwijl zijn spreekstem veelal een octaaf lager ligt en daarin niet afwijkt van die van andere mannen. Of de basstem, waarbij de natuurlijke diepte van een mannenstem extreem wordt uitvergroot.

Het was in mijn studententijd dat ik voor het eerst aan klassieke muziek, en dus ook aan klassieke zang, werd blootgesteld. Dat was erg wennen, en ik vond het niet onmiddellijk mooi. Ik geloof dat mijn liefde begon met de Franse countertenor Gerard Lesne, wiens ingetogen uitvoeringen van Scarlatti en Bach door mijn toenmalige geliefde voor me op een cd’tje waren gebrand. En met de Matthäus Passion door de Bach-vereniging, waarvan ik de generale repetitie bij mocht wonen, en waar sopraan Dorothee Mields indruk maakte met haar hemelse gelaatsuitdrukking tijdens het zingen. Zo hoog als zij zingen kon, kon ik dat eigenlijk ook? vroeg ik me af. Als kind stond ik erom bekend dat ik zo hoog en hard kon krijsen, vooral als ik aan het eind van een drukke dag overprikkeld was, maar ook toen ik een keer vanaf de eerste verdieping van de Eiffeltoren de aandacht van mijn moeder en zus op de grond wist te trekken met mijn snerpende gil.

In een parkje in de buurt van mijn studentenkamer besloot ik op een druilerige avond – dan zou ik vast geen andere wandelaars tegenkomen – te testen hoe het tegenwoordig met mijn stem gesteld was. En zo-waar, piepend en krakend bereikte ik zelfs de hoge C. Ik wist dat het nergens naar klonk, maar ik kón het; die hoge hoogte had al die tijd verborgen gelegen in mijn borst.

En dat is waarom ik klassieke zang wél kan waarderen en niet vind dat het met mijn ideaal van ‘natuurlijk-heid’ botst: het is een uitvergroting van onze natuurlijke hoogte of laagte. In het vervolg oefende ik iedere avond in het park, en niet alleen bereikte ik de hoge noten met steeds meer gemak; ook was na iedere sessie mijn spreekstem een stukje hoger geworden. Ik ervoer mijn oefeningen als een duikactie: vanuit de diepte haalde ik mijn ‘ware stem’ naar de oppervlakte, die natuurlijk nog fragiel klonk en onvast, maar die toch iets over mezelf onthulde en me dichter bij mezelf bracht. Ook voelde ik me lichter als ik zong, alsof de hoge frequentie van mijn uitgewasemde lucht de zwaartekracht neutraliseerde. Geen idee hoe dat werkt bij man-nen die met een tenor- of basstem zingen, maar voor mij als sopraan riep het zingen onmiddellijke associ-aties met vliegen op, zoals ook paardrijden dat in mijn jeugd had gedaan: het ver boven de grond op een machtig wezen heen en weer wiegen. Net als Dorothee Mields hield ik ervan om te wiegen tijdens het zin-gen, en het maakte me niet uit hoe dat er voor anderen uit zou zien: zingen was iets van mij alleen, iets heel intiems, geen kunstvorm maar een vorm van meditatie.

Ook het luisteren naar professionele sopranen, degenen die zich hun ware stem volwaardig toegeëigend hebben, geeft me de illusie dat zij me mijn eigen stem openbaren in haar ware gedaante, en een voorproefje bieden van hoe hoog een mensenziel vliegen kan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s