Vrijmoedig verlegen

Wie schuchter is, heeft nooit de (in wezen onbeantwoordbare) levensvragen ‘wie denk je wel dat je bent?’ en ‘waar haal jij het recht vandaan om…?’ in slaap kunnen sussen, waarbij op de puntjes van alles kan worden ingevuld: om… ruimte in te nemen, zichtbaar te zijn, hardop te spreken, de ander om een gunst te vragen.

Er zijn mensen die zich schamen om te leven: dat zijn de schuchteren, tot wie ik ook mezelf reken. Ze bieden bijvoorbeeld hun verontschuldigingen aan voor het feit dat ze ruimte in beslag nemen. Dat hun ik een ik is. Ik wil alleen zijn, schreeuwt de ziel van de schuchtere, die alleen vrij wordt in eenzaamheid. Maar geheel in strijd daarmee wil hij ook de warme beschutting van mensen.

Clarice Lispector vervolgt deze passage met een beschrijving van de moeilijkheden die een schuchter mens ervaart wanneer hij bijvoorbeeld zijn werkgever om opslag wil vragen:

Hoe moet je beginnen? Jezelf aandienen met de gespeelde zekerheid van iemand die weet hoeveel geld hij waard is – of je aandienen zoals je bent, onhandig en overdreven bescheiden?

Maar ze hebben ook lef, de schuchteren. En stellen ineens overmoedig looneisen op een toon die agressief lijkt. Maar meteen daarna schrikken ze, ze worden onwel, denken dat ze geen opslag verdienen en zijn doodongelukkig.

Vanwaar dat lef, zoals Lispector hier beschrijft? Wie schuchter is, is er ten diepste van overtuigd dat al zijn aanspraken in het leven ongegrond zijn, maar kan er vervolgens – uit wanhoop of opstandigheid – bewust voor kiezen om dan maar gewoon brutaal te zijn, hoe onverstandig en beangstigend ook, en hoeveel gêne zich achteraf – of reeds in het moment – ook van hem meester zal maken.

Ik ben altijd een schuchter iemand met veel lef geweest.

In het beste geval kan vrijmoedigheid zelfs een gewoonte worden, iets waarvoor je je niet langer schaamt, een rechteloos jezelf het recht toekennen om te zijn en te doen, te leven en fouten te maken. Ik sluit af met een passage uit het autobiografische verhaal De menselijke verhoudingen van Natalia Ginzburg:

Met verwondering merken we dat we als volwassenen onze oude verlegenheid tegenover onze naaste niet hebben verloren: het leven heeft ons beslist niet geholpen ons te bevrijden van onze verlegenheid. We zijn nog steeds verlegen. Alleen, het kan ons niet schelen; het lijkt of we het recht hebben verworven om verlegen te zijn, we zijn verlegen zonder verlegenheid: stoutmoedig verlegen. Verlegen zoeken we de juiste woorden in onszelf. We zijn zo blij ze te vinden, ze te vinden met verlegenheid maar bijna zonder inspanning, we zijn blij dat we zoveel woorden in ons hebben, zoveel woorden voor onze naaste, dat we bijna dronken zijn van gemak, van natuurlijkheid.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s