Glanzend zilveren laagje

Muziek is bij uitstek een domein dat me leert hoe onvolkomen mijn eigen oordelen en intuïties zijn. Deed ik eerder het werk van Haydn, Mozart en Beethoven af als pompeuze, pretentieuze, al te optimistische muziek voor ‘doenerige types’ (zo omschrijft mijn vader mensen die altijd iets om handen hebben), sinds een paar weken ben ik uitgerekend van dit drietal volkomen in de ban. Het merendeel van hun stukken is niet in mineur, maar in majeur gecomponeerd, zodat ieder ‘uitgaan’ van de grondtoon tevens een snel – door velen als bevredigend ervaren – terugkeren naar die grondtoon is, een thuiskomen bij jezelf, in plaats van – zoals bij het mineur van Bach – een transcenderen, je verre van jezelf verwijderen, met het oog op iets ultiems. De grote klassieke componisten leken me tezeer gevestigd in de wereld (neem de triomfantelijke opening van Beethovens vijfde symfonie), te lieflijk en speels (luister het merendeel van Mozarts instrumentale composities), te steriel (Haydns pianomuziek noemde ik ‘zo vormelijk dat je er onmogelijk een betekenis of menselijke stemming uit kunt destilleren’).

Bij nader luisteren merk ik echter dat Haydns ‘lege virtuositeit’ in staat is een glanzend zilveren laagje over de dingen heen te leggen, precies zoals een bepaalde lichtval dat kan. En ontstaat er in al dat gelijkmatige, kristalachtige kabbelen plotseling een emotionele rimpeling, dan is het effect daarvan des te roerender. Neem bijvoorbeeld deze sonate vanaf 3:35, helder en zonder overbodige pathos gespeeld door Glenn Gould.

Ook is er geen compositie van Mozart waarin het initiële, zelfverzekerde majeur niet door fragiele stukjes in mineur wordt onderbroken, zoals in het zevende vioolconcert, waar de lieflijk zingende viool in de vijftiende minuut – tussen de twintigste en vijftigste seconde – twee ongeëvenaarde levenskreten slaakt, daarin alle weemoed en verlangen samenballend die een mensenleven maar bevatten kan.

En hoe triomfantelijk is eigenlijk de triomf aan het eind van Beethovens veertiende strijkkwartet (vanaf minuut 32:30), dat hij schreef aan het eind van zijn leven, toen hij inmiddels aan volstrekte doofheid leed? Veeleer dan triomf hoor ik een haast wanhopige verbetenheid, een niet op willen geven tegen beter weten in, een existentiële razernij zoals verwoord in dit gedicht van Dylan Thomas:

Do not go gentle into that good night,
Old age should burn and rave at close of day;
Rage, rage against the dying of the light.

Though wise men at their end know dark is right,
Because their words had forked no lightning they
Do not go gentle into that good night.

Good men, the last wave by, crying how bright
Their frail deeds might have danced in a green bay,
Rage, rage against the dying of the light.

Wild men who caught and sang the sun in flight,
And learn, too late, they grieved it on its way,
Do not go gentle into that good night.

Grave men, near death, who see with blinding sight
Blind eyes could blaze like meteors and be gay,
Rage, rage against the dying of the light.

And you, my father, there on the sad height,
Curse, bless, me now with your fierce tears, I pray.
Do not go gentle into that good night.
Rage, rage against the dying of the light.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s