Feel good-filosofie

In de wiskunde en filosofie wordt een ‘niet bewezen, maar als grondslag aanvaarde bewering’ een postulaat genoemd. Je zou ook van een werkhypothese kunnen spreken. In feite is het zelf- en wereldbeeld van ieder mens een postulaat, een werkhypothese die diens leven richting geeft en inbedt in een groter verhaal, dat echter nooit de status van een absolute, met rationele argumenten verdedigbare waarheid kan krijgen. (Ik betwijfel trouwens of er überhaupt waarheden bestaan die ieder rationeel denkend mens op basis van de structuur van zijn verstand noodzakelijk moet aanvaarden, zelfs het principe van non-contradictie: alleen al mijn eigen leventje zit barstensvol tegenstrijdigheden.)

Een hoogleraar filosofie die ik onlangs in een verrassende setting heb ontmoet, denkt daar anders over. Filosofie is in zijn ogen niet – zoals ik altijd heb gemeend – een zoektocht naar leefbare werkhypothesen, in het licht waarvan de wereld zich als zinvol voordoet, maar een onderzoek naar de fundamentele gedachten en regels die voor alle rationele wezens geldig zijn, naar een overzichtsblik op de wereld waarbij met een zo groot mogelijke objectiviteit wordt vastgesteld hoe de dingen zich tot elkaar verhouden, welke uitspraken in welke context al dan niet geldig zijn en waar de grenzen van iedere waarheidsclaim en ieder wetenschaps- domein liggen.

De man gelooft bovendien dat de waardigheid van de mens in zijn redelijkheid gelegen is, in zijn vermogen althans die rede aan te wenden, zelfs als hij dat in de praktijk maar zelden doet. Omdat ook gehandicapten en kinderen naar hun aard redelijk zouden zijn, betekent het feit dat hun rede (nog) onderontwikkeld is niet dat ze verstoken zijn van menselijke waardigheid. Wel volgt uit deze Kantiaanse theorie dat redelijk denken de hoogst haalbare activiteit in een mensenleven is. ‘We zijn tegenwoordig veel te bang voor ongelijkheid, voor het verschil tussen minder en beter. Daarom wordt voor het gemak vaak gezegd dat iedereen een beetje gelijk heeft, en dat het geen zin heeft om naar de waarheid te zoeken. Als gevolg doen we niet eens meer ons best om een redelijke dialoog aan te gaan, waarin we proberen elkaar te overtuigen op basis van rationele argumenten.’

Ik herinner me dit beroep op ‘de universele menselijke rede’ maar al te goed van mijn studiejaar aan de Utrechtse filosofiefaculteit. Mij is echter nooit duidelijk geworden wat ‘de rede’ nu helemaal behelst en hoe je haar afbakent van andere cognitieve inhouden en activiteiten. Mijn eigen belevingswereld is een diffuus geheel van gevoelens, indrukken, ervaringen en reflecties daarop, van intuïties en neigingen, van visuele en verbale gedachten, van conclusies en weerleggingen van diezelfde conclusies, van dingen die gelijktijdig waar en onwaar zijn, afhankelijk van mijn stemming en de betreffende context. Is onze rede dan ons vermogen om aan wiskunde te doen en, als een soort computers, te denken in termen van nullen en enen: óf het een is waar, óf het ander?

Filosofie betekent echter ‘liefde voor wijsheid’, wat ik interpreteer als een verlangen naar weidsheid, naar een wijde, omvattende blik op alle facetten van het leven in hun onderlinge verstrengeling. Hoe wijzer je bent, hoe minder definitieve, eenduidige oplossingen en conclusies je kunt geven, zo heb ik altijd gedacht, omdat je steeds meer respect krijgt voor de onuitputtelijkheid van het bestaande. Woorden als ‘waarheid’, ‘schoonheid’ en ‘goedheid’ zijn dan hooguit postulaten, ingebeelde grootheden waarvan je hoopt een glimp op te vangen ter plaatse van het gewone leven, een zorgvuldig denkproces of een artistieke context.

En hoe meer van je menselijke vermogens je gelijktijdig mee laat spreken, hoe groter de kans op sprankjes van inzicht in wat mensen drijft, in wat van waarde is, in wat ons allemaal – ondanks onze verschillende werkhypothesen – onderling verbindt, zelfs als we ‘onredelijk’ zijn. Voor mij is filosofisch denken een begeleidende melodie, een stroom van reflectie die meedeint met de dingen die ik meemaak en ze helderder maakt. Een ‘fenomenoloog’ schijn ik te zijn, iemand die nadenken niet als doel op zich beschouwt, maar als een instrument om het geleefde leven recht te doen en alle aspecten ervan (‘de fenomenen’) tot zich door te laten dringen, daarbij gebruik makend van postulaten (bijvoorbeeld het geloof in de waardigheid van alle levende, ook niet-rationele wezens) die ‘werken’ en het leven zinvoller, bevredigender maken. De hoog- leraar suggereert dat dat feel good-filosofie zou zijn. Ik filosofeer uit liefde, geef ik toe, maar daarin ben ik – afgaand op de etymologie van het woord filosofie (philein betekent liefhebben) – niet de enige.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s