Gelukkige belofte

De term ‘pantheïsme’ verwijst naar de overtuiging dat alles (pan) in de werkelijkheid goddelijk (theos) is. Alles is God, of: God in alles. Maar veeleer dan een overtuiging is pantheïsme een gevoel dat je kan bekruipen als je de wonderlijke harmonie van de wereld om je heen ervaart, als de intensiteit ervan zich aan je opdringt, de kleuren, de geluiden, hoe alles in elkaar grijpt, van elkaar afhangt, met elkaar samenwerkt, en je je binnen dat geheel ook zelf een nietig maar onontbeerlijk schakeltje voelt. Als je verliefd bent of door een prachtig landschap wandelt, is het niet zo moeilijk om pantheïst te zijn. Wanneer je ’s ochtends met een fris gemoed opstaat en de gordijnen opent, en het roze van de zonsopkomst nog niet geheel verdwenen is, of de zonnestralen als fonkelend goud op de natgeregende bladeren weerkaatsen, ben je een ogenblik lang overtuigd pantheïst. Als je de hele dag binnen hebt zitten schilderen of schrijven en je je eerste stappen buitenshuis zet, de zonverwarmde lucht je met een zachte omhelzing begroet, en je vervolgens langs mooie wateren en huizen naar de winkel slentert, lijkt alles doortrokken van een goddelijke orde.

Maar op sommige plekken is pantheïsme volstrekt afwezig, of op z’n best een diep weggezakte herinnering. Op een werkplek waar het hectisch is, je het gevoel hebt dat je op moet schieten, jezelf bewijzen, waar je je gedachten geen moment de vrije loop kunt laten, waar je je gespannen en bekeken voelt, beklemd, ongelukkig, onvrij, en je toch een glimlach op je gezicht moet bewaren. Of in een woonomgeving die wel een woestijn lijkt, de hectiek en herrie van de straat als een verzengende zon die alle levensenergie wegschroeit uit je ziel en lijf. Amsterdam is in mijn beleving zo’n woestijn, de benauwde kleine kamer die ik er bewoon, waar de ramen niet open kunnen vanwege het kabaal, dat overigens zelfs door die ramen heen genadeloos binnendringt, loeiende sirenes, ronkende motoren. Terwijl pantheïsme een toestand is waarin je je hart ten volle hebt geopend voor het leven om je heen, bestaat het tegendeel van die toestand in een gesloten hart en neergeslagen ogen, oren met oordopjes erin. ‘Waar vind ik stilte?’ als enige vraag.

Op z’n best is pantheïsme dan een herinnering, een belofte: er is toekomst, een gesloten hart kan weer opengaan, zoals een verwelkt blad zich – zolang het niet gestorven is – weer op kan richten, en een gesloten kelk zich weer kan openen om licht en lucht in te drinken, zonder verschroeiingsgevaar. In ieder hart, zelfs het meest verstokte, bestaan schuilplaatsen van verlangen en zachtheid, van ontvankelijkheid en het vermogen mee te resoneren met al het andere dat bestaat, een innerlijke stem die mee kan zingen in de pantheïstische symfonie van mensen, dieren, planten en misschien zelfs lichtstralen, zandkorrels, stenen en druppels tezamen. Die gelukkige belofte wordt voor mij belichaamd door drie kunstenaars: Frida Kahlo, Barthélémy Toguo en Olaf Hajek.

Frida Kahlo

De Mexicaanse Frida Kahlo (1907-1954) begon met schilderen toen ze op 18-jarige leeftijd herstelde van een ernstig busongeluk. Haar lichamelijke pijn, die haar de rest van haar leven bleef teisteren, verbeeldde ze op een heel plastische manier, bijvoorbeeld door zichzelf als neergeschoten hert te schilderen, of als een naakt lichaam dat uiteenspat in een kosmische explosie. Ze verbond op die manier haar eigen pijn aan de pijn van anderen, en wist het te ervaren als een universeel fenomeen.

Niet alleen haar leed, maar ook de liefde voor haar man, de bekende kunstenaar Diego Riviera, en voor haar exotische huisdieren, waaronder een troepje zwarte slingerapen, spelen in haar werk een rol, evenals de belangrijkste gebeurtenissen uit haar leven. Zo verwijst Kahlo in één schilderij expliciet naar de miskraam die ze heeft gehad. Je ziet haar naakt en bebloed in een ziekenhuisbed liggen, via rode slangetjes verbonden met een foetus, een medische machine, een verwelkte bloem, een slijmerige slak en haar bekken, dat tijdens het busongeluk verbrijzeld was en vermoedelijk de oorzaak was van haar miskraam.

Ook is er een schilderij waarin Kahlo met een volwassen gezicht en een babylijf in de armen van ‘Moeder Aarde’ ligt, die een masker draagt en haar de borst geeft. In leven blijven is niet vanzelfsprekend – het is een geschenk dat ons door de voedende natuur en de steun van onze medemensen wordt geschonken. In een ander schilderij is Kahlo’s eigen borst geopend en groeien er sappige groene takken met bladeren dwars door haar heen, alsof ze een onderdeel van de plantenwereld is. De nerven van de bladeren lijken een beetje op bloedvaten, zodat de verwantschap tussen plantaardige sappen en menselijk bloed benadrukt wordt. Alles in de werkelijkheid is sapdoorstroomd en magisch, suggereren Frida Kahlo’s schilderijen, en alles – mens, machine, plant en dier – is onderling verbonden.

Barthélémy Toguo

Zoals bij Kahlo is pijn niet afwezig in de aquarellen van Barthélémy Toguo (1967, Kameroen). Zijn figuren, waarvan je slechts de vlekkerige contouren ziet, worden geregeld geteisterd door spijkers die luguber uit hun schedel steken. Leven is een zware, pijnlijke aangelegenheid, zo wordt daarmee gesuggereerd. Ook doodshoofden, in verstrengeling met levende menselijke en dierlijke wezens, keren steeds terug in Toguo’s werk – de dood is een verbindende factor, omdat ze vroeg of laat alle vormen van leven treft.

Andere belangrijke thema’s zijn drinken en vloeien: mensen, dieren en planten drinken immers vocht en zonlicht in, scheiden sappen uit en schenken energie – in de vorm van arbeid of voedsel. In die zin bestaat er een keten van geven en ontvangen, en vormt ieder bestaand element een schakeltje, een doorgeefluik. Zelfs tussen mensen en vissen bestaat er een verwantschap – wij hebben hun vlees nodig, zoals zij onze bescherming van hun wateren. En stammen wij mensen in de verre verte niet van de visachtigen af, van eencellige waterdiertjes?

Olaf Hajek

Op zijn Afrikaanse vrouwfiguren projecteert de Duitse kunstenaar en illustrator Olaf Hajek (1965) datgene waaraan het ons in het Westen ontbreekt: een ongecompliceerd, respectvol leven in verstrengeling met dier en natuur. Uit ónze ogen en monden groeien geen vruchtbare takken, in ónze kapsels nestelen zich geen tropische vogels, uit ónze borsten welt geen klaterende waterval op. Hajeks exotische personages zijn zieners, geboren met een intuïtief weten van de zin van het leven en een identiteit die niet afgebakend is, zoals de individualistische onze, maar die doorloopt in al het vruchtbare en levende dat hen omringt. Hajek schildert een idylle, een verloren paradijs, en het pijnlijke van zijn schilderijen schuilt niet zozeer in de taferelen zelf, maar in de weemoed die ze in onze vervreemde, gesloten harten op kunnen roepen.

Dat Hajek tevens illustraties maakt waar cultuurverarmende, wereldwijd succesvolle megabedrijven als Coca Cola en Apple mee adverteren, vind ik moeilijk te rijmen met zijn overduidelijk pantheïstische, primitivistische ideologie. Misschien staat die ideologie toch verder van hem af dan van Frida Kahlo, die zichzelf als afstammelinge van de Mexicaanse Maya’s zag en niet ánderen, maar zichzélf in een natuurlijke idylle verbeeldde, door bloemen, aapjes en hemellichamen omringd. Niettemin spiegelt Hajek ons een belangrijke waarheid voor: dat wij mensen onderdeel van de natuur zijn, ja, dat we zélf natuur zijn, en dat ware vreugde slechts bestaat waar we in staat zijn dat te onderkennen.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s