Origineel willen zijn


Hoe origineel is George Condo, een duidelijk door Picasso geïnspireerde hedendaagse kunstenaar?

‘De laatste jaren ben ik steeds normaler geworden,’ vertelt een jongen mij, ‘steeds minder onaangepast. Ik ga naar eenzelfde soort feestjes als de ‘gewone’ mensen van mijn leeftijd en voer daar gewone, gezellige gesprekken; m’n hobbies en gedachten wijken minder af dan ze vroeger deden. Maar soms vraag ik me af: kan ik nu nog origineel zijn? Andere gedachten denken dan de anderen, nieuwe dingen verzinnen?’ Toen ik doorvroeg, bleek zijn nieuwe ‘aangepastheid’ niet zozeer uit een krampachtige aanpassingsdrang te zijn ontstaan, maar simpelweg uit het feit dat hij lekker in z’n vel zit en graag onder de mensen is. Ook met een andere man sprak ik onlangs over de kwestie ‘originaliteit’: hoe kun je je, als hedendaagse kunstenaar, op een originele manier tot de schilderkunstige traditie verhouden?

In de geschiedenis speelde het begrip ‘originaliteit’ niet dezelfde rol als tegenwoordig, nu we blijkbaar op een onderscheidende, vernieuwende manier ‘anders’ willen zijn dan de mensen om ons heen. Origineel zijn betekent dan: niet één van de velen zijn, een inwisselbare kopie, maar iets eigens, een hoogtepunt in de geschiedenis. Het woord originaliteit (waarin ‘origin’ vervat zit, ‘oorsprong’) betekent letterlijk echter niet zozeer ‘radicale vernieuwing’ als wel ‘oorspronkelijkheid’. Van Heidegger heb ik geleerd dat honderd mensen afzonderlijk van elkaar dezelfde ontdekking kunnen doen, tot hetzelfde inzicht kunnen komen, en daarbij allemaal ‘gelijkoorspronkelijk’ zijn, ongeacht wie de eerste was die de betreffende ontdekking deed.

Natuurlijk, in de wetenschap of in de schilderkunst heb je mensen die ‘de eerste’ zijn om een bepaalde werkzaamheid van elementaire deeltjes op het spoor te komen of een bepaalde schilderstijl te ontwikkelen, en daarmee de geschiedenis op een ander spoor te brengen. Maar hun werk is voorbereid door de traditie waarin ze stonden, en hun nieuwe inzichten kunnen door de mensen rondom hen en na hen diep worden geïnternaliseerd, doorleefd en uitgewerkt. Daarbij vraag ik me af hoe belangrijk het is ergens ‘de allereerste’ in te zijn, en of ‘oorspronkelijkheid’ in de zin van ‘echtheid’ (het diep, oorspronkelijk beleven van iets) niet veel belangrijker is. De zin van het leven en het feit dat we sterfelijk zijn laten zich door elke mens opnieuw ontdekken, zodat hetzelfde drama zich steeds opnieuw afspeelt, altijd met een lichte variatie, soms milder, soms heviger, maar geen van die ontdekkingen en drama’s maakt het voor andere mensen overbodig om hetzelfde op zijn of haar eigen tijd en wijze door te maken.

‘Normaal-zijn’ kun je volgens mij op twee manieren: enerzijds doordat je, terwijl je je worstelend en tastend door het leven heen beweegt, ontdekt dat je – qua interesses, keuzes en verlangens – helemaal niet zoveel van je medemensen verschilt, en anderzijds doordat je krampachtig je vermeende abnormaliteit verdrukt, zodat je normaliteit slechts een schijnlaagje is, waarvoor je je spontaniteit hebt opgeofferd. In het eerste geval, wanneer ‘normaliteit’ niet zozeer een thema voor je is, maar je op een plotseling moment tot de conclusie komt dat je toch eigenlijk ‘vrij normaal’ bent, kun je bést heel oorspronkelijk zijn, zonder onder- drukking of krampachtigheid. De vraag hoe origineel je bent lijkt me dan een vrij zinloze.

Bovendien: heeft niet iederéén bepaalde dingen waarvan hij het gevoel heeft dat ze hem een beetje – of zelfs behoorlijk – van ‘de anderen’ af doen wijken? En vreemde voorkeur, een neurotisch trekje of een perverse gedachte, een pijnlijk gemis, een ingrijpend incident dat je leven heeft getekend, een buitengewone neiging tot nadenken of een verhevigd gevoelsleven? Dat anderen zich zonder enig spoortje van vermoeidheid of opmerkzaamheid door de wereld lijken te bewegen, alsof er niets bijzonders aan is, terwijl voor jouzelf alle kleuren als vloeistoffen voelen om doorheen te waden, en harde geluiden als het krijgen van klappen.

Dan ben je origineel tegen wil en dank, en als je durft ga je je er ook naar gedragen, bijvoorbeeld door – als ‘hooggevoelige’ – afwijkende (‘saaie, elitaire’) hobbies te ontplooien: musea bezoeken, het Concertgebouw, doelloos over straat slenteren om sferen te proeven en voorbijgangers gade te slaan. Ook draag je in weer en wind een zonnebril als de prikkels je teveel zijn, zit je een kwartier op het invalidetoilet om je hoofd leeg te maken en verleid je medemensen op feestjes tot langdurige, diepgaande één-op-ééngesprekken, ook al zijn oppervlakkige groepsgesprekken vol grappen en grollen de norm.

‘Positieve onaangepastheid’ (‘minder aangepast aan de meerderheid en meer aan jezelf’) is een term die ik aantrof in een artikel over hoogbegaafdheid, waarin het voor mensen die ‘een beetje anders zijn’ een noodzakelijke voorwaarde wordt genoemd om tot ontplooiing te komen. De ene mens heeft meer behoefte aan een zekere ruimte van onaangepastheid dan de ander, maar in het nemen van precies dié mate die je nodig hebt schuilt – in mijn ogen – je mate van oorspronkelijkheid.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s