Een intellectuele meditatie

Martin Heidegger, die veel populaire filosofen heeft beïnvloed en zelf een navolger is van groten zoals Plato, Aristoteles, Luther, Kierkegaard en Nietzsche, wordt slechts door een selecte groep mensen gewaardeerd en gelezen. Velen haken al tijdens de inleiding van zijn hoofdwerk Sein und Zeit (1927) af – ‘abstract gezwets’, heb ik vaak horen beweren, of ‘spirituele onzin’. Voor het waarderen van Heidegger zijn er verschillende dingen nodig: een analytische geest (anders kun je niet met zijn abstracte taal uit de voeten), een voorkeur voor observatie boven logica (Heidegger legt niets nieuws uit, maar nodigt je uit de dingen van het dagelijks leven met uiterste precisie gade te slaan) en een diepgevoelde urgentie om je met (de vraag naar) de zin van het leven bezig te houden. Zonder zo’n gevoel van urgentie – dat sommigen van nature lijken te hebben, en anderen gewoon helemaal niet – zul je niet begrijpen waarom Heidegger doet wat hij doet, en kun je je beter in andere onderwerpen verdiepen – in interessante feitjes, in kennis ‘waar je wat aan hebt’.

Zoals gezegd: Heidegger leert je niets nieuws, maar zijn werk is een intellectuele meditatie. Alles maakt hij expliciet – hoe mensen zich oriënteren in de wereld, een netwerk van betekenisvolle objecten die onderling naar elkaar verwijzen. Hoe leven altijd al samen-leven (‘er-mede-zijn’) betekent, en hoe algemeen gedeelde codes, clichés en meningen dat samenleven vergemakkelijken en de werkelijkheid vertrouwder, maar ook minder zichtbaar maken. Hoe we de vrijheid ervaren om plannen voor de toekomst te ‘ontwerpen’, maar hoe die plannen tevens met onze ‘geworpenheid’ verstrengeld zijn, met de emotiehuishouding, voorkeuren en neigingen waarmee we nu eenmaal zijn opgescheept.

De mens is aldus een ‘geworpen ontwerp’. Hoewel hij altijd in het heden leeft, wordt dat heden door zijn verhouding tot het verleden (geworpenheid; wie hij geworden is) en tot de toekomst (ontwerp; wie hij zou kunnen zijn) bepaald. De wereld is volgens Heidegger van het verleden doortrokken: de objecten die we nú om ons heen aantreffen, zijn in het verleden gefabriceerd, en hoe we nú de wereld zien, grondt in waarden en wereldbeelden die ons door de eeuwen heen zijn overgeleverd.

De toekomst vertegenwoordigt daarentegen leegte: het is het eeuwige nog-niet, waarin onze vrijheid, maar ook ons einde wortelt – de dood vormt voor elk individu de ultieme horizon die voor hem ligt. Bezinning op de dood kan ons volgens Heidegger leren dat het leven zélf eigenlijk al een voortdurend sterven is, een prijsgeven van toekomstmogelijkheden aan de concreetheid van het heden, waarin slechts één mogelijkheid kan worden gerealiseerd. Die gerealiseerde mogelijkheid is ‘vrijer’ naarmate een individu sterker beseft dat het niet de énige mogelijkheid is, maar dat het ook anders zou kunnen. Aldus wordt het verleden niet op een slaafse manier voortgezet, maar ontstaat er ruimte om creatief met de eigen geworpenheid om te gaan.

Het interessante van Heidegger zit ‘m in zijn gedetailleerde uitwerking van bovenstaand verhaal, en in de manier waarop hij met termen speelt. De mens noemt hij ‘erzijn’ – om reductie tot een hogere ‘diersoort’, met voorspelbaar gedrag en vooraf gegeven eigenschappen, te voorkomen. ‘Er-zijn’ doet recht aan het feit dat mensen niet met de wereld samenvallen, maar een Lichtung vertegenwoordigen, een open plek waar die wereld tot bewustzijn komt; dat mensen een bijzonder soort getuigen vormen van het ‘Zijn’ dat ze, al existerend, in oneindig veel gedaanten aantreffen en in zinvolle onderlinge relaties zien.

Met ‘ontslotenheid’ bedoelt Heidegger dat een mens zich niet in het verleden en de daaruit voortvloeiende verwachtingen opsluit, maar ontvankelijk is voor de onvoorziene kansen en ideeën waar hij in de toekomst op zou kunnen stuiten. Filosofie is zélf een activiteit van ‘ontsluiten’, van het openen van onze ogen alsof we de dingen voor het eerst zien, voor het eerst hun betekenis peilen – met de creativiteit van een kunstenaar, die voorbij vooroordelen en ingesleten definities de uilachtigheid van een uil, of de levensvreugde van een kitten of een klein kind zijn hart laat raken. Aristoteles en Plato gebruikten voor ‘waarheid’ het woord aletheia, dat letterlijk ‘onverborgenheid’ betekent. Volgens Heidegger ging het hen meer om het wegnemen van de sluiers der vooroordeel en gewoonte (doxa) dan om het adequaat definiëren en kwantificeren van dingen – waarheid was voor hen vooral een zaak van poëzie.

Met zijn van de oude Grieken overgenomen waarheidsbegrip, zijn aan het christendom ontleende notie van ‘de roep van het geweten’ (getransformeerd tot ‘de roep van het Zijn’) en zijn Nietzscheaanse visie op de mens als kunstenaar vormt Heidegger een synthese van de westerse wijsgerige traditie en de hedendaagse postmoderne mentaliteit. Een brugfiguur is hij, wiens werk we nodig hebben om onszelf beter te begrijpen. Heidegger uit de canon der grote filosofen elimineren – zoals steeds vaker, naar aanleiding van de recente onthulling van zijn nazistische sympathieën, wordt voorgesteld – zou een gruwelijke vorm van intellectuele zelfverminking zijn.

Liever sluit ik me aan bij de lange reeks (veelal joodse) ‘geestelijke nakomelingen’ van Heidegger, onder wie Gadamer, Sartre, Levinas, Arendt en Derrida, die zich met het schuldige verleden engageerden om er – met het oog op een méér menselijke toekomst – kostbare voedingsstoffen uit te destilleren. Niet terug naar een zogenaamd onschuldig Nullpunkt, maar vérder met de parels tussen het puin van de werkelijkheid. Precies zoals Heidegger ons dat met zijn eigen filosofie heeft voorgedaan.

Een gedachte over “Een intellectuele meditatie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s