O restjes mens!

‘Zij die het leven niet overleefde’, zo omschrijft de Australische dichter Robert Gray zijn moeder die in zware dementie verviel en daardoor in zekere zin bij leven al gestorven was. ‘O restjes mens die rijp voor ’t eeuwig leven lijken!’ dicht Charles Baudelaire over de oude dametjes die hij op namiddagen onopvallend door de straten van Parijs ziet schuifelen. Het schenkt de dichter ‘zoete vreugde’ die ‘vreemde wrakken’ gade te slaan die ‘zonder klachten, stoïcijns’ zich voortbewegen ‘door heel de chaos onzer levendige steden’. Ook Gray roemt de vreemde rust waaraan zijn afgetakelde moeder onderhevig is: ‘Ze is zo kalm dat je aan onsterfelijken denkt – een voor eeuwig aan de rand van het leven verschrompelde Tithonus, zij het zonder één klacht.’ Tithonus is een personage uit de klassieke mythologie, die onsterfelijkheid maar niet de eeuwige jeugd vergaarde, en daardoor verschrompelde en steeds aftandser werd zonder ooit te overlijden. Zijn oneindige ouderdom werd een helse kwelling voor hem. De moeder van Gray heeft gelukkig het vooruitzicht eens te zullen sterven wél: ‘Ze zal veilig zijn, veilig / in de droge mond van deze aarde, op de plaats / waar ze altijd was.’

Het is precies dat zweven tussen leven en dood wat Gray en Baudelaire aan hun demente moeder en bejaarde stadgenoten fascineert. ‘Eva’s van tachtig jaar, waar zult ge morgen zijn, en / Die vreselijke klauw van God, komt die al snel?’ vraagt Baudelaire zich af. Gray beseft dat zijn moeder van hem wegzweeft, maar probeert haar – samen met de hulpverleners van een zorginstelling – telkens terug het leven in te trekken. ‘Mijn moeder, negentig al, moet aan haar rolstoel worden vastgegespt. / Het is alsof ze zijwaarts door een patrijspoort uit het leven wordt gezogen / en wij haar vasthouden bij haar voeten.’ Hij ‘sjort haar overeind’ als ze ‘weggesuft is’ of ‘strijkt haar over haar gezicht en ze wordt wakker’. Maar ‘de ziel? De ziel is allang verslagen, al bijna verdwenen.’ Gray moet zich verzoenen met het restje mens dat is overgebleven: ‘Dit is alles wat je moeder is, in je armen. Zij die meteen na jullie spel weer is weggezonken; die verward is en zou willen vragen waarom ze hier hangt.’ Zijn moeder leunt namelijk ‘vervaarlijk opzij’ in haar rolstoel en lijkt, ‘als je haar mee naar buiten neemt, bezig aan een motorrace, zij de zijspanrijder, die de machine op de weg houdt door zo ver mogelijk naast het wiel te hangen.’

‘Wrakhout’ noemt Baudelaire de oudjes van Parijs, ‘familie van me! Mij verwante breinen!’ In oude, verwarde, zich aan de zijlijn van betekenis en productiviteit ophoudende wezens herkent de dichter zichzelf. Volgens Gray veranderde zijn dementerende moeder van een strenggelovige, zwaarmoedige vrouw in ‘een surrealistische dichteres’. ‘Alzheimer is nirvana, in haar geval.’ Een bejaarde vrouw krijgt in de ogen van Baudelaire opnieuw iets van een speels jong meisje, ‘dat zich door alles wat glimt verbazen laat en dan moet lachen.’

Viel het u op dat voor een oude vrouw de kist
Vaak klein is als een kinderkist? Dood, de volleerde,
Legt in hun lijkbezorging, die zo eender is,
Bizarre symboliek die mij steeds intrigeerde.

En elke keer dat ik zo’n zwak fantoom zie gaan
Door deze stad Parijs met zijn krioelend leven,
Lijkt het alsof zij, in hun hachelijk bestaan,
Zich kalmweg naar een nieuwe wieg op weg begeven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s