De menselijke seizoenen

Gezichten van kinderen en jonge mensen kunnen boeien door de soortelijke, bijna onpersoonlijke schoonheid die zij vertegenwoordigen, door de toekomst waarop zij gericht zijn en door de belofte die zij inhouden. Zij hebben de charme van de bloesem. Gezichten van bejaarde, rimpelige mensen fascineren door het verleden dat er zijn sporen op gekrast heeft. Zij zijn documenten van een individuele levensgeschiedenis. (Cornelis Verhoeven, ‘Een verleden als bezit’, 1977)

Er bestaat een wereldwijde en in alle tijden bekende metafoor, die de loop van een mensenleven vergelijkt met de opeenvolging van de seizoenen. Een nog ongeboren kindje in de buik van zijn moeder is als een knopje in de winter of de vroege lente, wachtend op het juiste moment om zich aan de wereld te tonen. De voorzichtig tevoorschijn kruipende bloemetjes en blaadjes zijn als kinderen in hun vroegste jaren: klein en kwetsbaar, met donshaartjes en een zacht, bijna doorschijnend huidje. Ze drinken met volle teugen van het licht, want de zon is hun moeder die hen voedt en liefde geeft, en die hen helpt zich op te richten. Wie meer zon vangt, groeit sneller dan de rest en oogst de meeste bewondering van voorbijgangers.

Naarmate de lente vordert, nemen de pas ontloken bladeren en bloemen hun definitieve gedaante aan, hoewel ze in de zomer nog aan kracht en taaiheid zullen winnen. Ze zijn als het ware pubers en jongvol- wassenen, en worden heviger dan ooit met vruchtbare sappen doorstroomd. Het spel van lonken, bevrucht worden en bevruchten is in volle gang. Uitgedost in zachtroze en lieflijk wit en zoete zwemen verspreidend vechten de maagdelijke bloemen om de aandacht van de hommels en de bijen. Daarbij schamen ze zich niet om hun intieme delen vanonder hun bloembladrokjes te tonen aan de eerste de beste voorbijganger. Ondertussen schieten de jongemannen onder de planten hun zaadjes om het verst de lucht in, hopend dat het hunne veel plantenmeisjes zal bereiken. Zelfs omstanders, die de leeftijd van de lente ver achter zich hebben liggen, worden door het spel van intense geuren en weelderige kleuren verleid, ja, door dat trotse vertoon van vruchtbaarheid en dat aanstekelijke verlangen naar onbestemde verten.

In de zomer bereikt men een stadium van welvaart en stabiliteit. De bescheiden porties zon van de lente zijn door een weldadige overvloed vervangen. De lichamen van planten en bloemen dijen uit en worden fors, maar verliezen ook aan sappigheid en krijgen een drogere huid, waarin soms rimpeltjes kunnen verschijnen. Appels en andere vruchten zijn nog steeds lekker zoet, maar worden af en toe flink door het leven gebutst en lopen beurse plekken op. Het verlangen naar verten is verdwenen, de natuur begint in zichzelf te berusten en er hangt een wat lome sfeer; er hoeft niet zoveel meer te gebeuren.

Dan breken de najaarsbuien aan, en in korte tijd ondergaat iedereen een meedogenloze transformatie: men verschiet van kleur, wordt hulpeloos en slap, en heeft het gevoel elk moment ter aarde te kunnen storten. De bomen worden als bejaardenhuizen, waar men gezamenlijk op het einde wacht, zich afvragend hoeveel rukwinden hij nog zal overleven. Zoals het karakter van ouderen vaak wordt uitvergroot, zo spreiden stervende bladeren met hun bonte kleurenpracht – geel, oranje en rood – een wonderlijke individualiteit tentoon. In de herfst zit men weliswaar z’n laatste dagen uit, maar niet zonder een hoogtepunt van eigen- zinnigheid te bereiken, dat spoedig – een ziektetje of vroege vorst kan voldoende zijn – aan de wrede anonimiteit der elementen zal worden prijsgegeven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s